← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040615.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:

Art.1

Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Artikel 15 Strafzaken Strafbepaling Legaliteit Misdrijf Omschrijving Vereisten Wettelijke bepalingen:

Art.1Thesaurus CAS: WETTEN.

DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Strafbepaling Legaliteit Misdrijf Omschrijving Vereisten Wettelijke bepalingen:

Art.1Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.

BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Algemeen Omschrijving Strafbepaling Legaliteit Vereisten Wettelijke bepalingen:

Art.1

Fiche 5 Artikel 146, derde lid, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, krachtens hetwelk de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in artikel 146, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, niet geldt voor zover, onder meer, de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden, maakt het voor een beklaagde mogelijk de feiten en nalatigheden te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengt

(1).
(1)Art. 146, derde lid, Decr.Vl.Parl. 18 mei 1999, zoals gewijzigd door art. 7 Decr.Vl.Parl. 4 juni 2003 (B.S. 22 augustus 2003). Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Wederrechtelijk uitgevoerde werken Instandhouding Niet gelden van strafsanctie Onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder voor de omwonenden Strafbepaling Legaliteit Misdrijf Omschrijving Fiches 6 - 7 Het behoort tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht de herstelvordering inzake stedenbouw op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust terwijl het niet aan de rechter staat de opportuniteit van die vordering te beoordelen; hierbij gaat de rechter na of de beslissing van het bestuur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen en hij moet de vordering die steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten
(1)
(2).
(1)Cass., 4 feb. 2003, AR P.01.1462.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.2, nr ... .
(2)Art. 149, Decr.Vl.Parl. 18 mei 1999, zoals gewijzigd door art. 8, 1°, Decr.Vl.Parl. 4 juni
  1. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Stedenbouw Herstelvordering Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Beoordeling door de rechter Tekst van de beslissing Nr. P.04.0358.N
  2. H. R., eiseres, beklaagde,
  3. BOUWMATERIALEN KERREMANS EN C° nv, met zetel te Aartse-laar, Oever 4,
  4. IMMO-HELRO nv, met zetel te Aartselaar, Oever 4, eiseressen, civielrechtelijk aansprakelijke partijen, met als raadslieden Mr. Lut Van Hout en Mr. Francine Borremans, advocaten bij de balie te Mechelen, tegen V. C., verweerster, burgerlijke partij. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 14 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiseressen stellen in een memorie vier middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen
  5. Eerste middel Overwegende dat in zoverre de eiseressen een schending van de Grondwet door artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 aanvoeren, het onderzoek daarvan het Hof zou verplichten tot een grondwettigheidonderzoek waartoe het niet bevoegd is; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat voor het overige aan de legaliteitvereiste zoals be-doeld in de artikelen 7 EVRM en 15 IVBPR, is voldaan wanneer een strafbepa-ling, op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de strafbaar gestelde gedraging omschrijft; Dat aan deze vereiste is voldaan wanneer het voor hen op wie de straf-bepaling toepasselijk is, mogelijk is om op grond ervan de feiten en nalatighe-den te kennen die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen, zelfs als de nadere omschrijving hiervan wordt overgelaten aan de rechter; Overwegende dat artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, onder meer bepaalt dat de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in artikel 146, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, Stedenbouwdecreet 1999, niet geldt voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden; Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, die bepaling het mogelijk maakt voor een beklaagde de feiten en nalatigheden te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengt; Dat deze bepaling bijgevolg aan de legaliteitsvereiste voldoet; Dat het middel in zoverre faalt naar recht;
  6. Tweede middel Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, de appèlrechters oordelen dat de instandhouding van de wederrechtelijk opgerichte bouwwerken van de telastlegging C.III "(...) voor de omwonenden een onaanvaardbare ste-denbouwkundige hinder uit(maakt) waarbij geen vergelijking meer bestaat met het kleine bedrijf dat ter plaatse in 1953 gevestigd werd"; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
  7. Derde middel Overwegende dat artikel 149, ,§ 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 moet worden gelezen in context van artikel 159 Grondwet, krachtens hetwelk de hoven en rechtbanken geen gevolg geven aan de bestuurshandelingen die niet met de wetten overeenstemmen; Dat krachtens die laatste bepaling, het tot de bevoegdheid van de rech-ter behoort om de vordering bedoeld in artikel 149 Stedenbouwdecreet op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding of machtsafwending berust; Dat meer bepaald de rechter moet nagaan of de beslissing van het be-voegde bestuur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen; Dat mocht blijken dat de vordering van de overheid steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, de rechter deze vordering zonder gevolg moet laten; Dat het hem evenwel niet behoort de opportuniteit van de gevorderde maatregel te beoordelen; Dat het middel faalt naar recht;
  8. Vierde middel Overwegende dat het middel opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter en het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is; Dat het middel niet ontvankelijk is; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorges-chreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eiseressen in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van honderd dertien euro vijfenvijf-tig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van vijftien juni tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzit-ter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040615.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111004.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041103.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060308.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090602.8 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.