id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.2 Rolnummer: C.02.0488.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2004-12-08 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-07-05 01:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche De regel dat de bestuurder van een motorrijtuig zich niet kan beroepen op de bepaling van artikel 29bis, W.A.M.-wet houdt geen uitzondering in voor het geval die bestuurder een vergoeding vraagt als rechthebbende van een slachtoffer waarvan sprake in dat artikel
(1).
(1)In de versie zoals gewijzigd door de wet van 13 april 1995. Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Bestuurder Vergoeding Uitsluiting Draagwijdte Rechthebbende Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Art.29bis,§2 Nota: C.02.0488.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal Dubrulle Het enig cassatiemiddel vecht, wegens schending van het toepasselijk artikel 29bis W.A.M., de beslissing van het bestreden vonnis aan dat eiseres geen vordering kan instellen tot vergoeding van de door haar geleden schade ingevolge het overlijden van haar echtgenoot, mede-inzittende van het door haar bestuurd voertuig, t.g.v. een alsdan gebeurd verkeersongeval, namelijk schade door het verlies van de economische waarde van de huisman en het inkomstenverlies en morele schade. Deze vordering wordt afgewezen op grond dat het toepasselijk art. 29bis ,§ 2 de verzekerde bestuurder als rechthebbende uitsluit en deze bepaling niet het door eiseres gemaakte onderscheid maakt tussen de rechtstreekse schade van de bestuurder en diens schade als rechthebbende. De wet van 19 januari 2001 houdende wijziging van die bepaling, die de bestuurder wel aanspraak op vergoeding als rechthebbende van het slachtoffer verleent, werd niet toegepast op grond dat het ongeval voor haar inwerkingtreding plaatsgreep. De rechtbank ging niet in op het verzoek van eiseres om in dit verband een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen op grond dat er geen klaarblijkelijke schending was van de art. 10 & 11 Gw. Volgens het middel dient de uitzondering van art. 29bis ,§ 2 als zodanig restrictief te worden geïnterpreteerd, zodat deze bepaling niet belet dat de bestuurder die geen vergoeding kan bekomen als rechtstreeks slachtoffer wel vergoeding kan bekomen van weerkaatsingsschade als rechthebbende van een ander rechtstreeks slachtoffer, zoals een passagier, nu de hoedanigheid van bestuurder niets te maken heeft met de hoedanigheid van rechthebbende van een slachtoffer niet-bestuurder. Ook de voormelde wetswijziging impliceert niet dat de bestuurder voorheen niet voor vergoeding van weerkaatsingsschade in aanmerking kwam. Dit zou t.a. geen wetswijziging zijn doch enkel een verduidelijking van een overigens inhoudelijk niet gewijzigde ,§ 2; m.a.w. de nieuwe wet zou dus louter interpretatief zijn. De vraag is dus of de stelling van eiseres m.b.t. de "dubbele hoedanigheid" van de bestuurder kan worden gevolgd. M.i. kan ze dat niet en kan het middel derhalve niet worden aangenomen. Er was inderdaad verdeeldheid in de rechtsleer daaromtrent. Eiseres steunt haar stelling op deze van L. Cornelis
(1)die oordeelt dat de bestuurder aanspraak zou kunnen maken op vergoeding als rechthebbende van een rechtstreeks slachtoffer omdat art. 29bis duidelijk dat onderscheid heeft gemaakt: "uitgesloten zijn de bestuurders en hun rechthebbenden; beschermd zijn de (rechtstreekse) slachtoffers en hun rechthebbenden". M.i. wordt deze stelling terecht niet aanvaard door het bestreden vonnis, nu de wet dat onderscheid niet maakt en op grond dat de wet van 19 januari 2001 nog niet van kracht was. Deze wet is tot stand gekomen ten gevolge van voormelde verdeeldheid in de rechtsleer en geeft de bestuurder recht op vergoeding als rechthebbende van een rechtstreeks slachtoffer. Het vonnis lijkt me deze wet als een interpretatieve wet te hebben beschouwd nu het oordeelt dat de bestuurder slechts sedert haar inwerkingtreding deze aanspraak kan formuleren. Deze visie lijkt me conform met de voorbereiding van deze wet. Ik meen dat de stelling van Dubuisson
(2)dient gevolgd te worden, naar luid waarvan in de toepasselijke versie van art. 29 ,§2 W.A.M. de bestuurder wordt uitgesloten ingevolge zijn hoedanigheid op het ogenblik van het verkeersongeval en niet afhankelijk van zijn positie m.b.t. de aard van de geleden schade (rechtstreekse of bij weerkaatsing). Dit is overigens ook de interpretatie gevolgd in het arrest van 12 februari 2004
(3)van Uw Hof. In gemeen recht kan de aansprakelijke bestuurder overigens geen recht tegen zijn eigen verzekeraar-B.A. doen gelden: men kan niet tegelijk aansprakelijke verzekerde en derde begunstigde zijn. Ik verwijs ten slotte nog naar het arrest van 23 januari 2002 van het Arbitragehof
(4), in antwoord op de prejudiciële vraag of art. 29bis ,§ 2 de artt. 10 & 11 Gw. schendt doordat het de bestuurder van een motorrijtuig of diens rechthebbende uitsluit van het voordeel van art. 29bis ,§ 1 en aldus een verschil in behandeling instelt met de andere weggebruikers. Deze prejudiciële vraag betreft de toestand voor de wetswijziging van 19 januari
- Dit antwoord luidt als volgt : "B.4.
- Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 organiseert een systeem van objectieve aansprakelijkheid van de bestuurders van motorrijtuigen dat afwijkt van het gemeen recht van de burgerlijke aansprakelijkheid, aangezien de bestuurder van een motorrijtuig dat bij een ongeval betrokken is zich niet kan onttrekken aan zijn verplichting om de door de slachtoffers geleden lichamelijke schade te herstellen door zich te beroepen op de afwezigheid van een door hem begane fout (...)." Het Hof verwijst naar de wetsvoorbereiding die het door motorrijtuigen gecreëerd zwaarder risico benadrukt". Het Hof besluit als volgt : "B.4.
- Met de in het geding zijnde bepalingen beoogt de wetgever de automatische schadevergoeding voor de zwak geachte slachtoffers van verkeersongevallen. De in aanmerking genomen criteria om die zwakheid te kenmerken, namelijk, enerzijds, het feit dat men niet de bestuurder van een motorrijtuig is en, anderzijds, het gevaar dat de inverkeerstelling van een motorrijtuig op de openbare weg in se betekent, zijn objectieve criteria waarop het recht op de automatische vergoeding van de door de zwak geachte slachtoffers geleden lichamelijke schade kan worden gegrond. Dat de bestuurders van motorrijtuigen van het voordeel van die schadevergoeding worden uitgesloten, is het logische gevolg van de in aanmerking genomen criteria om de categorie vast te stellen van de begunstigenden ten aanzien van wie de wetgever de maatregel heeft gewild. Die uitsluiting is niet onevenredig, in zoverre niet wordt betwist dat het de motorrijtuigen zijn die aan de basis liggen van het grootste aantal verkeersongevallen. Hoewel de bestuurders van die voertuigen ook slachtoffers van verkeersongevallen kunnen zijn, zijn zij, rekening houdend met de door de wetgever nagestreefde doelstelling, niet als zwakke weggebruikers te beschouwen. Indien de wetgever eveneens had voorzien in de automatische schadevergoeding voor de bestuurders van motorrijtuigen, zou hij de doelstelling hebben ontkracht die erin bestond de zwakke weggebruikers te beschermen en zou hij bovendien, zoals hij redelijkerwijze vermocht te oordelen tijdens de parlementaire voorbereiding, hebben bijgedragen tot een buitensporige verhoging van de verzekeringspremie burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen van veel meer dan 5 pct. als kostprijs van de bescherming van zwakke weggebruikers waarover alle partners het ter zake zijn eens geraakt (Parl. St., Senaat, 1993-1994, nr. 980-3, pp. 18, 21 en 40)." "B.5 Uit wat voorafgaat volgt dat de (beide) prejudiciële vra(a)g(en) ontkennend dien(t)(en) te worden beantwoord." Deze redengeving lijkt me ook te kunnen gevolgd worden om het door eiseres beoogde onderscheid t.a.v. de hoedanigheid van de bestuurder onder het toepasselijk art. 29bis niet te maken. Conclusie : verwerping. ___________________________
(1)De objectieve aansprakelijkheid voor motorvoertuigen, R.W., 1998-99, nr 14, p. 527-528.
(2)DUBUISSON, B., La loi du 19 janvier 2002, modifiant te régime d'indemnisation des usagers faibles de la route, J.T., 2001, 589, nr. 17; DUBUISSON, B., Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur, in: L'indemnisation des usagers faibles de la route, JADOUL, P. & DUBUISSON, B. (eds.), Larcier, 2002, 174-175, nr. 32.
(3)AR C.01.0333.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040212.23, nr. xxx, met concl. O.M.
(4)Nr 23/2002, B.S., 26 maart 2002, p.
- Tekst van de beslissing Nr. C.02.0488.N L.H. eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- KBC VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 3000 Leuven, Waaistraat 6, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- FORTIS CORPORATE INSURANCE, naamloze vennootschap naar Nederlands recht, met statutaire zetel te Amstelveen en met bijkantoor in België, te 1000 Brussel, E. Jacqmainlaan 53, partij opgeroepen in bindendverklaring. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 5 februari 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na wijziging bij Wet van 13 april 1995 en voor wijziging bij Wet van 19 januari
- Aangevochten beslissingen De Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk beslist in het aangevochten vonnis dat eiseres tegen verweerster geen vordering kan instellen tot vergoeding van de door haar geleden schade ingevolge het overlijden van haar echtgenoot en wijst aldus de vordering af van eiseres, ertoe strekkende vanwege verweerster vergoeding te bekomen voor de schade voortvloeiend uit het verlies van de economische waarde van de huisman, voor het inkomstenverlies en voor de morele schade ingevolge het overlijden van haar echtgenoot J.C.. De rechtbank overweegt daartoe : "Kan H.L. een vordering instellen van de door haar geleden schade ingevolge het overlijden van haar echtgenoot ? De eerste rechter is van oordeel dat artikel 29bis WAM wet aan H.L. niet toelaat een vordering in te stellen voor de schade die zij lijdt ingevolge het overlijden van haar echtgenoot. In artikel 29bis, ,§1, eerste lid, wordt omschreven wie aanspraak kan maken op vergoeding : bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, wordt met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsel of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet. In artikel 29bis, ,§2, wordt gezegd, welke van de bovenvermelde vergoedingsgerechtigden, zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van dit artikel : De bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel. (Eiseres) meent een onderscheid te moeten maken tussen de schade die de bestuurder rechtstreeks lijdt en de schade die onrechtstreeks geleden wordt door het overlijden van een van de passagiers. Zij verwijst hiertoe naar een artikel van de hand van L. Cornelis ('De objectieve aansprakelijkheid voor motorrijtuigen', R.W., 1998 1999, 521-537). Volgens deze laatste zou de bestuurder aanspraak kunnen maken op vergoeding op grond van artikel 29bis WAM als rechthebbende erfgenaam van een zwakke weggebruiker. De rechtbank is van oordeel dat deze interpretatie verder gaat dan wat de wet zegt. Er wordt in artikel 29bis, ,§2, geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten eigen schade die de bestuurder kan lijden. De wet zegt dat de bestuurder zich niet kan beroepen op de bepalingen van dit artikel, dit wil zeggen ook niet als rechthebbende van een slachtoffer waarvan sprake in artikel 29bis, ,§
- De wetgever heeft aan deze situatie willen verhelpen zoals blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van de Wet van 19 januari 2001 (BS 21.02.01) houdende de wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen. Er blijkt als motivering : het thans vigerende artikel 29bis wordt zo geïnterpreteerd dat de bestuurder geen recht heeft op enige automatische vergoeding, ook al is hij zelf rechtverkrijgende van het slachtoffer, bijvoorbeeld als verwant. Sedert de inwerkingtreding van de voormelde wet kan de bestuurder aanspraak maken op vergoeding in zoverre hij rechthebbende is van het slachtoffer die geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt. Gelet op het feit dat het ongeval plaatsvond voor de inwerkingtreding van de voormelde wetswijziging dient besloten te worden dat (eiseres) geen vordering op grond van artikel 29 bis WAM wet kan instellen voor de door haar, ingevolge het overlijden van haar echtgenoot, geleden schade" (vonnis, pp. 5-6). Grieven
- Artikel 29bis, ,§1, van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht op 14 oktober 1995, datum van het litigieuze verkeersongeval (vonnis, p. 2, in fine), bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbende en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed wordt door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet. Krachtens de tweede paragraaf van artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989, zoals van kracht op 14 oktober 1995, d.w.z. voor de wijziging bij Wet van 19 januari 2001, kunnen de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel.
- Paragraaf 2 van artikel 29bis houdt een uitzonderingsbepaling in t.o.v. de in paragraaf 1 vervatte regel, die in het algemeen voorziet dat "elk slachtoffer of zijn rechthebbenden" vergoedingsgerechtigd zijn. De in paragraaf 2 bepaalde uitzondering dient dan ook restrictief te worden geïnterpreteerd.
- De bestuurder van een motorrijtuig dat in een verkeersongeval is betrokken, kan op grond van artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989 vanwege de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig, geen vergoeding bekomen van de schade die hij, als bestuurder, ingevolge dit verkeersongeval lijdt. De rechthebbenden van een passagier van dit voertuig, die schade bij weerkaatsing lijden tengevolge van de verwondingen opgelopen door of het overlijden van deze passagier, kunnen op grond van artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989 wel vergoeding voor deze schade bekomen. De omstandigheid dat een rechtssubject als rechtstreeks slachtoffer van een verkeersongeval geen beroep kan doen op artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989, omdat hij bestuurder van een betrokken motorrijtuig was, neemt niet weg dat hij tevens schade kan lijden in de hoedanigheid van rechthebbende van een ander rechtstreeks slachtoffer. Aldus kan de bestuurder van de bij een verkeersongeval betrokken motorrijtuig, enerzijds, rechtstreekse schade lijden ingevolge de verwondingen die hij persoonlijk bij het ongeval heeft opgelopen en, anderzijds, schade door weerkaatsing in zijn hoedanigheid van rechthebbende van zijn echtgenoot passagier (bv. inkomstenverlies en morele schade ingevolge het overlijden van de echtgenoot passagier). De omstandigheid dat een rechtssubject in zijn hoedanigheid van bestuurder geen aanspraak kan maken op vergoeding, neemt niet weg dat hij vanwege de verzekeraar wel vergoeding kan vorderen voor de schade die hij lijdt in zijn hoedanigheid van rechthebbende van een passagier/niet bestuurder. De rechthebbende van een rechtstreeks slachtoffer (bv. de passagier van het betrokken motorrijtuig) kan voor de in die hoedanigheid geleden schade bij weerkaatsing op grond van artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989 vergoeding bekomen, zelfs indien hij tevens bestuurder van het betrokken motorrijtuig was, nu deze laatste hoedanigheid niets te maken heeft met de hoedanigheid van rechthebbende van een slachtoffer/niet-bestuurder.
- 4.
- Sinds de wijziging bij Wet van 19 januari 2001, voorziet artikel 29bis, ,§2, van de Wet van 21 november 1989 dat de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van dit artikel, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt. Uit de omstandigheid dat in artikel 29bis thans uitdrukkelijk wordt vermeld dat de schade die de bestuurder lijdt in zijn hoedanigheid van rechthebbende van een slachtoffer/niet-bestuurder voor vergoeding in aanmerking komt, kan niet worden afgeleid dat hij voor de inwerkingtreding van de Wet van 19 januari 2001 geen aanspraak kon maken op vergoeding van deze schade. Bij Wet van 19 januari 2001 werd de tweede paragraaf van artikel 29bis slechts verduidelijkt, zonder dat erin vervatte regel werd gewijzigd. Deze verduidelijking was noodzakelijk omdat een deel van de doctrine, ten onrechte, oordeelde dat artikel 29bis, ,§2, aldus diende te worden uitgelegd dat de bestuurder geen vergoeding kon bekomen voor de schade geleden als rechthebbende van een slachtoffer/niet-bestuurder. 4.
- De rechtbank van eerste aanleg beslist in het aangevochten vonnis ten onrechte dat uit de wijziging van artikel 29bis bij Wet van 19 januari 2001 zou blijken dat de bestuurder voor deze wetswijziging geen vergoeding kon bekomen voor schade geleden als rechthebbende van een slachtoffer/niet-bestuurder. De omstandigheid dat tijdens de bespreking van het wetsvoorstel dat aanleiding gaf tot de Wet van 19 januari 2001 werd opgemerkt dat "het thans vigerende artikel 29bis (...) zo (wordt) geïnterpreteerd dat de bestuurder geen recht heeft op enige automatische vergoeding, ook al is hij zelf de rechtverkrijgende (lees : rechthebbende) van het slachtoffer, bijvoorbeeld als verwant", impliceert evenwel niet dat dit de correcte interpretatie is van artikel 29bis, ,§2, zoals van kracht voor de wijziging bij Wet van 19 januari
- De omstandigheid dat het "oude" artikel 29bis aldus verkeerd werd geïnterpreteerd, heeft de wetgever ertoe aangezet de wettekst te verduidelijken. Inhoudelijk werd de in paragraaf 2 van artikel 29bis voorziene regel evenwel niet gewijzigd. De uitlegging die de wetgever bij de bespreking van een wetsvoorstel aan een reeds bestaande wettekst geeft, is overigens geenszins bindend voor de rechter.
- Er dient derhalve te worden besloten dat de rechtbank van eerste aanleg, door te beslissen dat eiseres ten aanzien van verweerster geen aanspraak kan maken op vergoeding overeenkomstig artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989 voor de schade die zij lijdt als rechthebbende van haar overleden echtgenoot (passagier van het in het verkeersongeval betrokken motorrijtuig), om reden dat zij tevens de hoedanigheid heeft van bestuurster van het in het verkeersongeval betrokken motorrijtuig, artikel 29bis, in het bijzonder ,§2, van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na een wijziging bij Wet van 13 april 1995 en voor de wijziging bij Wet van 19 januari 2001, schendt. IV. Beslissing van het Hof
- Middel Overwegende dat het te dezen toepasselijke artikel 29bis, ,§2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals gewijzigd door de wet van 13 april 1995, (hierna W.A.M-wet) bepaalt : "De bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden kunnen zich niet beroepen op de bepaling van dit artikel" ; Dat die regel, die uitsluit dat de bestuurder zich kan beroepen op de bepalingen van dit artikel, geen uitzondering inhoudt voor het geval de bestuurder een vergoeding vraagt als rechthebbende van een slachtoffer waarvan sprake in artikel 29bis, ,§1 ; Dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 januari 2001 waarbij artikel 29bis, ,§2, wordt aangevuld met de woorden : "tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt", er verder op wijst dat de wetgever de bestaande toestand heeft willen wijzigen en een mogelijkheid tot vergoeding van de bestuurder heeft willen invoeren ; Dat de appèlrechters op die grond zonder schending van artikel 29bis, ,§2, in de toepasselijke versie ervan, oordelen dat eiseres geen vordering op grond van artikel 29bis W.A.M.-wet kan instellen voor de door haar, ingevolge het overlijden van haar echtgenoot, geleden schade ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
- Vordering tot bindendverklaring Overwegende dat gelet op de verwerping van het cassatieberoep, de vordering tot bindendverklaring geen bestaansreden meer heeft ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd vijftien euro zesennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd zestig euro vierenvijftig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091023.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040212.23 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081121.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div