← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.3 Rolnummer: C.02.0456.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2005-01-11 Raadplegingen: 180 - laatst gezien 2026-07-03 15:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche De uitoefening door een kredietgever van een opdracht gegeven door de kredietnemer op grond van een voorheen gesloten kredietovereenkomst en die hierin bestaat dat bedragen ontvangen door de kredietnemer toegerekend worden op een openstaand krediet, geldt als betaling, in de zin van artikel 445 Faillissementswet 1851, door de kredietnemer. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Krediet Toerekening Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 18-04-1851 - Art.445 Tekst van de beslissing Nr. C.02.0456.N

  1. S.H.
  2. V.M. eisers, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BANK BRUSSEL LAMBERT, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 maart 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; de artikelen 445, inzonderheid het derde lid, en 446 van het Wetboek van Koophandel, opgenomen in Boek III "Faillissementen, Bankbreuk en Uitstel van betaling", titel I (Faillissementswet van 18 april 1851) ; &§9472; artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerster gegrond en doet het vonnis van de beslagrechter te Oudenaarde van 21 oktober 1998 teniet waarin de schorsing was bevolen van de tenuitvoerlegging op grond van de akte hypothecaire lening verleden voor Notaris A. T. te Oudenaarde van 19 maart
  3. Opnieuw wijzende, verklaart het bestreden arrest het verzet van de eisers tegen de executie, aangevangen met bevel voorafgaand onroerend beslag van 1 oktober 1996, toelaatbaar, doch wijst het af als ongegrond, om reden dat : "De vraag is niet of en hoe de BBL de cheque nr. 385/0048762/34, uitgeschreven aan de NV Salomon, heeft aangewend ; wel dient onderzocht of het product ervan al dan niet toekwam aan het faillissement. Het antwoord daarop is prima facie geoordeeld, binnen de beslissingsmacht die de beslagrechter toekomt positief ; consequent aan het feit dat de schuldenares in het licht van de faillissementstoestand waarin de vennootschap Salomon verkeerde (het faillissement werd uitgesproken bij vonnis van 14 maart 1996, de verdachte periode nam een aanvang op 14 september 1995) per 11 maart 1996 geen (geldige) betalingen kon doen waardoor bepaalde schuldeisers werden bevoordeligd, kon de BBL met of zonder opdracht daartoe geen (geldige) toerekeningen doen ten eigen bate ter aanzuivering van niet opgezegde kredieten of vervallen schuldvorderingen. Derhalve komt het het hof recht doende als beslagrechter en derhalve bij voorraad verantwoord voor dat de BBL, vanuit de invalshoek van het faillissementsrecht na daartoe uitdrukkelijk gesommeerd te zijn door de curatele van het faillissement Salomon de verkoopprijs van het rollend materiaal (deels voor de tegenwaarde van de cheque, door de emittent uitgeschreven op naam van de NV Salomon) heeft gerestitueerd aan het faillissement. In acht genomen het voormelde, staat vast dat BBL een schuldvordering heeft op de gefailleerde vennootschap Salomon, waarvoor (de eisers) hypotheek verstrekten. Wat voorafgaat staat niet in de weg dat (verweerster) de goederen waarop hypotheek uitwint". Grieven Artikel 8 van de notariële akte van 19 maart 1992, die de hypotheekstelling bevatte van eisers gedaan als borgtocht voor een krediet van 7.000.000 BEF, toegestaan in diezelfde akte door verweerster aan de NV Salomon, bepaalt dat : "Alle verbintenissen, al dan niet opeisbaar, zelfs eventuele, van de kredietneemster jegens de bank die voortspruiten uit verrichtingen die aan de onderhavige verbintenissen voorafgaan, ermee gelijktijdig zijn of erop volgen, zijn of zullen op het toegestane krediet toerekenbaar zijn, en dit zonder dat de bank ertoe verplicht is de kredietneemster ervan te verwittigen, daar de toerekening uitsluitend blijkt uit de loutere beslissing van de Bank, genomen op een door haar geschikt geacht tijdstip, zulks afgezien van de bevestiging die de Bank ervan zou verstrekken". Artikel 9 van dezelfde akte stipuleert dat : Ingeval van opeisbaarheid van gelijk welke bedragen uit hoofde van de benutting van het onderhavig krediet of van gelijk welke verbintenissen jegens haar zal de bank, naar believen, doch met bericht aan de kredietneemster, alle bedragen toerekenen die haar ten gunste van de kredietneemster bereiken zowel ingevolge haar order als dit van derden, al dan niet garanten".
  4. Eerste onderdeel De eisers voerden in hun beroepsbesluiten uitvoerig aan dat deze bepalingen toelieten, artikel 8 in het bijzonder, dat verweerster, eigenmachtig, kon beslissen om de toegestane kredieten vervroegd te vereffenen door toerekening van alle mogelijke verbintenissen, zelfs niet-opeisbare, van de NV Salomon jegens verweerster : "Het uitvoerend beslag gebeurt 'krachtens de grosse van een authentieke akte van hypothecaire lening verleden voor en door notaris T. A., ter standplaats Oudenaarde op 19 maart 1992' (stuk A1 concluanten en stuk 1 (verweerster)). In deze notariële akte werd een krediet van 7.000.000 BEF toegestaan. Artikel 8 van deze akte stelt dat alle voorafgaandelijke verbintenissen en eventuele latere verbintenissen op dit krediet kunnen worden toegerekend". Zoals (verweerster) stelt, heeft NV Salomon de cheque ten bedrage van 5.495.015 BEF op haar BBL-rekening 390-0635139-38 laten crediteren. (Verweerster) heeft nog dezelfde dag buiten opdracht van NV Salomon dit geld aangewend om alle nog openstaande kredieten te salderen om dit pas achteraf aan NV Salomon te laten weten". (Verweerster) heeft de rekening 390-0635139-38 aangewend om de kredieten vervroegd te vereffenen en dit op grond van artikel 8 van de kredietopening van 19 maart 1992". Immers artikel 8 van de hypothecaire akte stelt klaar en duidelijk : 'Alle verbintenissen, al dan niet opeisbaar zelfs eventuele van de kredietneemster jegens de bank die voortspruiten uit verrichtingen die aan de onderhavige verbintenissen voorafgaan, ermee gelijktijdig zijn of erop volgen, zijn of zullen op het ermee toegestane krediet toerekenbaar zijn en dit zonder dat de bank ertoe verplicht is de kredietneemster ervan te verwittigen, daar de toerekening uitsluitend blijkt uit de loutere beslissing van de bank, genomen op een door haar geschikt geacht tijdstip, zulks afgezien van de bevestiging die de bank ervan zou verstrekken'. Als (verweerster) deze bankverrichting die door een notariële akte van lang vóór de verdachte periode is gedekt achteraf als een nietige betaling aanziet op grond van artikel 445 Faillissementswet dan is dit dan ook uitsluitend haar probleem maar in elk geval niet tegenstelbaar aan concluanten. Concluanten hebben hypothecaire zekerheid verstrekt aan (verweerster) op grond van de notariële akte van 19 maart
  5. Vermits (verweerster) conform artikel 8 van deze akte de aan NV Salomon toegestane kredieten vereffend heeft gekregen, kan zij niet op eenzijdige wijze deze schulden opnieuw doen ontstaan. (Verweerster) heeft gehandeld op grond van artikel 8 van de hypothecaire akte. Ze heeft bijgevolg gehandeld conform haar contractuele bevoegdheid namelijk : a. 'al dan niet opeisbaar' (= m.a.w. eveneens een niet vervallen schuld kon worden toegerekend en opgeëist) ; b. 'en dit zonder dat de bank ertoe verplicht is de kredietneemster ervan te verwittigen' (= m.a.w. niet in samenspraak met NV Salomon). (Verweerster) had contractueel het recht om ten allen tijde en zonder voorafgaandelijke verwittiging de kwestige investeringskredieten op het krediet van 7.000.000 BEF toe te rekenen". Eenmaal toegerekend had (verweerster) op grond van artikel 9 van dezelfde kredietopening het recht : 'naar believen, doch met bericht aan de kredietneemster, alle bedragen toerekenen die haar ten gunste van de kredietneemster bereiken zowel ingevolge haar order als dit van derden, al dan niet garanten. De eisers in hun besluiten zodoende ook meermaals benadrukten dat verweerster ook effectief op grond van artikel 8 van de notariële akte van 19 maart 1992 de op 11 maart 1996 van de NV Salomon ontvangen gelden op het toegestane krediet heeft toegerekend. Het bestreden arrest evenwel oordeelt dat verweerster, met of zonder opdracht daartoe, geen (geldige) toerekening kon doen ten eigen bate ter aanzuivering van niet opgezegde kredieten of vervallen schuldvorderingen doch zonder hierbij de artikelen 8 en 9 van de notariële akte van 19 maart 1992 in zijn besluitvorming te betrekken. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door de aangehaalde besluiten niet te beantwoorden, de afwijzing van eisers' verzet tegen de executie niet regelmatig met redenen heeft omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).
  6. Tweede onderdeel De eisers hebben in hun besluiten tevens met aandrang aangevoerd dat van een betaling in de zin van de artikelen 445 en 446 van de Faillissementswet geen sprake kon zijn nu er geen betaling was geweest doch wel een contractueel voorziene toerekening op de toegestane kredieten van gelden toekomende aan de NV Salomon : "Van een betaling door de schuldenaar (in casu NV Salomon) in de zin van artikel 445 Faillissementswet is er geen sprake vermits NV Salomon niet heeft betaald. (Verweerster) heeft de rekening 390-0635139-38 aangewend om de kredieten vervroegd te vereffenen en dit op grond van artikel 8 van de kredietopening van 19 maart
  7. Artikel 445 Faillissementswet is klaar en duidelijk waar het stelt : 'wanneer zij gedaan zijn door de schuldenaar'. NV Salomon heeft de betalingen niet gedaan zodat deze dan ook niet nietig kunnen zijn op grond van artikel 445 Faillissementswet. Als (verweerster) meent de curator te moeten betalen op grond van artikel 445 Faillissementswet dan is dit volkomen in strijd met hetgeen heeft plaats gehad, namelijk toeëigening door de schuldeiser om de openstaande investeringskredieten onmiddellijk af te lossen in plaats van betaling door de schuldenaar. Immers artikel 8 van de hypothecaire akte stelt klaar en duidelijk 'Alle verbintenissen al dan niet opeisbaar, zelfs eventuele van de kredietneemster jegens de bank die voortspruiten uit verrichtingen die aan de onderhavige verbintenissen voorafgaan, ermee gelijktijdig zijn of erop volgen, zijn of zullen op het ermee toegestane krediet toerekenbaar zijn en dit zonder dat de bank ertoe verplicht is de kredietneemster ervan te verwittigen, daar de toerekening uitsluitend blijkt uit de loutere beslissing van de bank, genomen op een door haar geschikt geacht tijdstip, zulks afgezien van de bevestiging die de bank ervan zou verstrekken'. "Als (verweerster) deze bankverrichting die door een notariële akte van lang vóór de verdachte periode is gedekt achteraf als een nietige betaling aanziet op grond van artikel 445 Faillissementswet dan is dit dan ook uitsluitend haar probleem maar in elk geval niet tegenstelbaar aan concluanten". "Vermits NV Salomon zelf de betalingen niet heeft uitgevoerd noch een andere handeling heeft gesteld, kan er evenmin sprake zijn van de toepassing van (oud) artikel 446 Faillissementswet. De 'betalingen' en/of 'handelingen' gebeurden door (verweerster) zelf en dit buiten elk mandaat van NV Salomon". Het bestreden arrest antwoordt niet op voormeld verweer waarin het bestaan van een betaling in de zin van de artikelen 445 en 446 Faillissementswet door de eisers werd betwist. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing niet regelmatig met redenen heeft omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).
  8. Derde onderdeel Krachtens artikel 445, derde lid, van de Faillissementswet zijn nietig en zonder gevolg ten aanzien van de boedel, wanneer zij gedaan zijn door de schuldenaar sedert het door de rechtbank bepaalde tijdstip waarop hij opgehouden heeft te betalen of binnen de tien dagen die dit tijdstip zijn voorafgegaan, alle betalingen, hetzij in geld, hetzij door overdracht, verkoop, schuldvergelijking of anders, van niet-vervallen schulden, en, voor vervallen schulden, alle betalingen die anders dan in geld of handelseffecten zijn gedaan. Deze bepaling strekt ertoe de toepassing te verzekeren van het grondprincipe van gelijkheid tussen schuldeisers van de gefailleerde. Artikel 445, derde lid, van de Faillissementswet verbiedt evenwel niet dat een krediet vervroegd wordt terugbetaald tijdens de verdachte periode wanneer dit geschiedt met gelden van de kredietnemer die op een rekening bij de kredietverlener zijn gestort en wanneer de kredietovereenkomst voorziet dat de kredietverlener deze gelden, ten allen tijde, wanneer hij dat maar wil, kan toerekenen op het toegestane krediet, voor zover deze kredietverlener er niet van op de hoogte was dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen (zie artikel 446 van de Faillissementswet). Dergelijke contractueel voorziene toerekening kan niet aangezien worden als een betaling in de zin van artikel 445, derde lid, van de Faillissementswet en is bijgevolg niet nietig noch zonder gevolg ten aanzien van de boedel omdat de kredietverlener als schuldeiser zodoende immers niet wordt bevoordeeld ten opzichte van de andere schuldeiser maar aldus slechts uitvoering wordt gegeven aan het contract. In casu voorzien de artikelen 8 en 9 van de notariële akte van 19 maart 1992 uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat verweerster alle mogelijke verbintenissen, zelfs niet-opeisbare, van de NV Salomon jegens verweerster, op de toegestane kredieten kan toerekenen en dit op elk ogenblik dat verweerster hiervoor geschikt acht. Zonder dat zij op de hoogte was van de staking van betaling van de NV Salomon, maakte verweerster op 11 maart 1996 van deze mogelijkheid gebruik en werd de opbrengst van de verkoop van het rollend materiaal van de NV Salomon toegerekend op het bedoelde krediet. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder miskenning van de artikelen 445, derde lid, en 446 van de Faillissementswet, heeft kunnen oordelen dat "consequent aan het feit dat de schuldenares in het licht van de faillissementstoestand waarin de vennootschap Salomon verkeerde (...) per 11 maart 1996 geen (geldige) betalingen kon doen waardoor bepaalde schuldeisers werden bevoordeligd, ook (...) (verweerster) met of zonder opdracht daartoe geen (geldige) toerekening (kon) doen ten eigen bate ter aanzuivering van niet opgezegde kredieten of vervallen schuldvorderingen" nu het arrest zodoende de verbindende kracht van de artikelen 8 en 9 van de notariële akte van 19 maart 1992 miskende die uitdrukkelijk voorzien in de vervroegde vereffening van het toegestane krediet door toerekening op dit niet-opgezegde of niet-vervallen krediet van om het even welke betaling uitgaande van de NV Salomon aan verweerster (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). De beslissing dat de terugbetaling aan het faillissement door verweerster van de verkoopprijs van het rollend materiaal vanuit de invalshoek van het faillissement verantwoord is, dat aldus vaststaat dat verweerster nog een schuldvordering heeft op de NV Salomon waarvoor de eisers borg stonden, dienvolgens, dat het verzet van de eisers tegen de executie ongegrond is, is bijgevolg evenmin naar recht verantwoord (schending van de artikelen 445, derde lid, 446 van de Faillissementswet en 1134 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
  9. Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest beslist dat het de vraag niet is of en hoe verweerster de cheque uitgeschreven aan de NV Salomon heeft aangewend en dat dient onderzocht te worden of het product ervan al dan niet toekwam aan het faillissement ; Dat het arrest zodoende het bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
  10. Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechter, door te oordelen dat "consequent aan het feit dat de schuldenares in het licht van de faillissementstoestand waarin de vennootschap Salomon verkeerde (...) per 11 maart 1996 geen (geldige) betalingen kon doen waardoor bepaalde schuldeisers werden bevoordeligd, verweerster geen geldige toerekeningen kon doen ten eigen bate ter aanzuivering van niet opgezegde kredieten (of vervallen schuldvorderingen)", het bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
  11. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel in wezen aanvoert dat de litigieuze toerekening geen betaling kon zijn in de zin van artikel 445 van de toen toepasselijke Faillissementswet ; Overwegende dat, krachtens dit artikel 445, alle betalingen van niet-vervallen schulden wanneer zij gedaan zijn hetzij in geld, hetzij door overdracht, verkoop of schuldvergelijking of anders nietig en zonder gevolg ten aanzien van de boedel zijn, wanneer zij gedaan zijn door de schuldenaar sedert het door de rechtbank bepaalde tijdstip waarop hij opgehouden heeft te betalen of binnen tien dagen die dit tijdstip voorafgaan ; Dat de uitoefening door een kredietgever van een opdracht gegeven door de kredietnemer op grond van een voorheen gesloten kredietovereenkomst en die hierin bestaat dat bedragen ontvangen door de kredietnemer toegerekend worden op een openstaand krediet, geldt als zulke betaling door de kredietnemer ; Overwegende dat de appèlrechter oordeelt, zonder schending van de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen, dat te dezen, gelet op de contractuele relatie tussen de partijen, de litigieuze toerekening kon gelden als een betaling tijdens de verdachte periode ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ; Overwegende dat het onderdeel voor het overige volledig is gebaseerd op de miskenning door de appèlrechter van het begrip betaling en in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd drieënzeventig euro vier cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd zestig euro vierenvijftig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.