← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.4 Rolnummer: C.02.0503.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-11 Raadplegingen: 779 - laatst gezien 2026-07-05 02:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter heeft de mogelijkheid maar niet de verplichting de overlegging van een stuk te bevelen

(1).
(1)Cass., 14 dec. 1995, AR C.93.0383.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951214.10, nr
  1. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering Overlegging van een stuk Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.871en877 Tekst van de beslissing Nr. C.02.0503.N M.H. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen G.H. verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; artikel 4, eerste alinea, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering ; &§9472; de artikelen 11, 870, 871, 877 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing wordt het door eiser geformuleerde verzoek tot schorsing van de behandeling van de zaak op grond van het bestaan van een gerechtelijk onderzoek verworpen en wordt het beroepen vonnis voor het overige bevestigd, waardoor eiser werd veroordeeld tot het betalen aan tegenpartij van een bedrag van 55.776,04 euro en van een schadevergoeding van 2.500 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Het hof van beroep baseert zich daarbij op de volgende overwegingen : "(...) dat artikel 4 V.T.Sv. luidt als volgt : 'De burgerlijke rechtsvordering kan terzelfder tijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden ; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die voor of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld' ; dat deze regel zijn oorsprong vindt in de bekommernis van de wetgever om tegenstrijdigheden te vermijden tussen de beslissingen van de strafrechter en de burgerlijke rechter en verweven is met het beginsel van het gezag van gewijsde van de beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter ; (...) dat vereist is dat de strafvordering effectief is ingesteld en dat aan de strafrechter een beslissing werd opgedragen over punten die gemeen zijn aan de strafvordering en de burgerlijke vordering op zulke wijze dat er een gevaar voor tegenstrijdigheden bestaat (...) ; dat de partij die het verzoek tot schorsing richt - te dezen (eiser) - dient te bewijzen dat de voorwaarden vervuld zijn ; (...) dat uit de voorliggende stukken blijkt dat door (eiser) een klacht met burgerlijke partijstelling werd neergelegd tegen (verweerder), doch deze klacht (behoudens enkele fragmenten in de nota) niet wordt bijgebracht, zodat de inhoud ervan niet kan onderzocht worden ; dat (eiser) daartoe aanvoert dat het strikt geheime karakter van het strafonderzoek het hem onmogelijk maakt deze klacht bij te brengen ; dat evenwel de burgerlijke partij niet gebonden is door de plicht tot geheimhouding, nu hij geen kennis heeft uit hoofde van de uitoefening van zijn beroep ; dat het geheim van het gerechtelijk onderzoek slechts kan geschonden worden door degene die er de houder van is uit hoofde van zijn functie ; dat derhalve niets eraan in de weg staat dat (eiser) een afschrift bijbrengt van de door hem neergelegde klacht ; (...) dat het niet bijbrengen van de klacht met burgerlijke partijstelling tot gevolg heeft dat niet blijkt dat er punten zijn die gemeen zijn aan de ingestelde strafvordering en onderhavige burgerlijke procedure ; dat (eiser) dus niet aantoont dat de door hem neergelegde klacht moet leiden tot toepassing van artikel 4 V.T. Sv. ; dat het verzoek tot uitstel, schorsing dan ook ongegrond is" (p. 4-5 van het bestreden arrest). Grieven
  2. Eerste onderdeel In zijn "nota m.b.t. de incidentie van een klacht met burgerlijke partijstelling" beriep eiser zich niet alleen op de omstandigheid dat het hem niet mogelijk was om de klacht met burgerlijke-partijstelling als stuk neer te leggen wegens het geheime karakter van het gerechtelijk onderzoek. Eiser voerde immers ook - en vooral - aan dat hij de volledige klacht niet kon neerleggen omdat hierdoor het strafrechtelijk onderzoek mogelijkerwijze zou worden belemmerd, en stelde in dit verband meer in het bijzonder het volgende : "Bovendien bevat de klacht met burgerlijke partijstelling, en dit is de voornaamste reden waarom (eiser) de klacht met burgerlijke partijstelling samen met de stukken voorlopig niet kan overmaken, bepaalde gegevens en feiten waarvan (verweerder) op dit ogenblik nog niet op de hoogte is en die, bij kennisname door (verweerder), mogelijkerwijze tot gevolg zou kunnen hebben dat het strafonderzoek wordt belemmerd" (medio p. 5 van de namens eiser in hoger beroep neergelegde "nota m.b.t. de incidentie van een klacht met burgerlijke partijstelling"). De appèlrechter beperkt zich te dezen tot de vaststelling dat eiser zich ten onrechte beriep op het geheim van het onderzoek om de klacht niet neer te leggen, doch antwoordt niet op het voormelde verweer van eiser dat hij de integrale klacht niet kon overleggen omdat het gerechtelijk onderzoek hierdoor mogelijkerwijze zou worden belemmerd. Nu dit verweer niet wordt beantwoord, is de bestreden beslissing aldus niet regelmatig met redenen omkleed en schendt het hof van beroep artikel 149 van de Grondwet.
  3. Tweede onderdeel De rechter mag zich in beginsel niet vergenoegen met de door de partijen aangeboden bewijzen en bewijsmiddelen wanneer hij van mening is dat die bewijzen en bewijsmiddelen ontoereikend zijn : binnen de perken van het hem voorgelegde geschil heeft de rechter de verplichting om alle nuttige bewijsmiddelen aan te wenden teneinde de voor het geschil relevante feiten en gegevens te achterhalen. Dit laatste blijkt o.m. uit de artikelen 11, 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek, die betrekking hebben op de rechtsmacht van de rechter, o.m. om de overlegging van bepaalde bewijsstukken te bevelen. Aan deze rechtsmacht van de rechter wordt evenmin afbreuk gedaan door het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals dit o.m. blijkt uit artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek : wanneer de door een procespartij voorgedragen bewijselementen niet volstaan om het bewijs te leveren van enig relevant feit of enige relevante omstandigheid, vermag de rechter zich niet beperken tot de vaststelling dat deze procespartij faalt in de op haar rustende bewijslast, in zoverre uit de rechterlijke beslissing niet blijkt dat dit bewijs door gebeurlijke aanvullende onderzoeksmaatregelen wel zou kunnen worden geleverd. Te dezen stelt het hof van beroep vast dat er door eiser een klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter werd neergelegd tegen o.m. verweerder, waaromtrent eiser aanvoerde dat, gelet op het voorwerp van deze strafklacht, de burgerlijke procedure diende te worden opgeschort overeenkomstig artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. De appèlrechter wijst er evenwel op dat eiser faalt in de op hem rustende bewijslast om aan te tonen "dat er punten zijn die gemeen zijn aan de ingestelde strafvordering en onderhavige burgerlijke procedure", nu eiser de klacht met burgerlijke partijstelling niet bijbrengt. De beslissing om de burgerlijke procedure niet op te schorten is aldus niet naar recht verantwoord. Mede gelet op de omstandigheid dat de verplichting tot opschorting van de burgerlijke procedure bij toepassing van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering een regel van openbare orde inhoudt, kon het hof van beroep na te hebben vastgesteld dat er te dezen inderdaad een strafvordering tegen verweerder aanhangig was, zich niet vergenoegen met vast te stellen dat eiser, louter omdat hij de integrale tekst van de klacht niet neerlegt, het bewijs niet levert dat er punten zouden zijn die gemeen zijn aan de strafvordering en de burgerlijke vordering, zodat het verzoek tot opschorting van de procedure moet worden afgewezen. De omstandigheid dat de bewijslast omtrent één en ander, overeenkomstig artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, op eiser berustte, kon immers geen afbreuk doen aan de omstandigheid dat het hof van beroep de rechtsmacht en -plicht had om in voorkomend geval aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen teneinde te achterhalen of er inderdaad geen punten gemeen waren aan de strafvordering en de burgerlijke vordering. Door de procedure niet op te schorten terwijl in het ongewisse wordt gelaten of er al dan niet punten waren die gemeen waren aan de strafprocedure en de burgerlijke procedure, schendt de appèlrechter dan ook artikel 4, eerste alinea, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Door zich te beperken tot de vaststelling dat de door eiser aangebrachte gegevens niet bewijzen dat er punten gemeen zijn aan de strafvordering en de burgerlijke vordering zonder te kennen te geven dat aanvullende onderzoeksmaatregelen dienaangaande geen duidelijkheid konden verschaffen, miskent het hof van beroep tevens zijn rechtsmacht om aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen (schending van de artikelen 11, 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek) en leidt het voorts uit het beschikkingsbeginsel (schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen) en uit het bestaan van de op eiser rustende bewijslast (schending van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek) onwettig af dat te dezen geen aanvullend onderzoek kon worden bevolen. IV. Beslissing van het Hof
  4. Eerste onderdeel Overwegende dat de passus van de conclusie van eiser dat verweerder geen kennis mocht krijgen van zijn klacht om belemmering van het strafonderzoek door verweerder te vermijden, een integrerend argument is van eisers stelling dat het geheim van het onderzoek niet mocht worden geschonden ; Dat het arrest op de aanvoering van eiser dat het strikt geheime karakter van het strafonderzoek het hem onmogelijk maakt deze klacht bij te brengen, oordeelt dat niets eraan in de weg staat dat eiser dit afschrift overlegt ; Dat het arrest zodoende het bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
  5. Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, in geval de burgerlijke rechtsvordering afzonderlijk vervolgd wordt, zij geschorst is zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die voor of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld ; Overwegende dat, krachtens artikel 871 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter aan iedere gedingvoerende partij kan bevelen het bewijsmateriaal dat hij bezit over te leggen ; dat artikel 877 van dit wetboek bepaalt dat wanneer er gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd ; Dat die artikelen de rechter een mogelijkheid verlenen maar hem geen verplichting opleggen om overlegging van de stukken te bevelen ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat eiser geen afschrift van de door hem ingediende strafkracht wil overleggen en oordeelt dat hiervoor niets eiser in de weg staat en dat het niet-bijbrengen van de klacht met burgerlijke partijstelling tot gevolg heeft dat niet blijkt dat er punten zijn die gemeen zijn aan de ingestelde strafvordering en de gevoerde burgerlijke procedure, zodat eiser niet aantoont dat de neergelegde klacht met toepassing van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering moet leiden tot schorsing van de burgerlijke rechtsvordering ; Overwegende dat het arrest aldus zijn beslissing naar recht verantwoordt ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd vijfenvijftig euro een cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en vijf euro vierenzeventig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230601.1F.5 ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061204.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951214.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200207.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.