← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040621.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040621.3 Rolnummer: S.03.0139.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 581 - laatst gezien 2026-07-04 22:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het gezag van gewijsde dat verbonden is aan de beslissingen van de administratieve rechtscolleges is een algemeen rechtsbeginsel van administratief recht dat niet onder toepassing valt van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Administratieve rechtscolleges Beslissingen Gezag van gewijsde Tekst van de beslissing Nr. S.03.0139.N.- S.T., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LANDSBOND DER LIBERALE MUTUALITEITEN, erkende verzekeringsinstelling, met zetel gevestigd te 1050 Elsene, Livornostraat 25, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 januari 2003 gewezen door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ; - de artikelen 2 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 1350, 4°, 1354 en 1356 van Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van verweerder, het hoger beroep van verweerder gegrond en veroordeelt het eiser tot de betaling aan verweerder van een bedrag van 3.153,70 euro, vermeerderd met de verwijlintrest vanaf 17 juni 1999 tot 25 mei 2000 en vanaf 25 mei 2000 met de gerechtelijke intrest, op grond van de volgende motieven : "Na onderzoek, uitgevoerd door de Dienst voor geneeskundige controle van het R.I.Z.I.V., werden er aan (eiser) inbreuken op de wets- en verordeningsbepalingen inzake de verplichte verzekering voor verzorging en uitkeringen ten laste gelegd, meer bepaald inbreuken op artikel 29, ,§ 7 en ,§ 7 quinquies van de Nomenclatuur van de Geneeskundige Verstrekkingen, op artikel 127, ,§ 1 van de Z.I.V.-Wet 1994, op artikel 9ter, ,§ 1, 7° van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en op artikel 5, 3°, 4°, C en E en 7° van de nationale overeenkomst orthopedisten - verzekeringsinstellingen, in voege vanaf 1 januari

  1. Aanleiding tot het onderzoek was de vaststelling dat (eiser) orthopedische schoenen afleverde op basis van voorschriften die hijzelf opstelde en ter ondertekening voorlegde aan dr. V. D., zonder dat de verzekerden door de betrokken arts waren onderzocht. Bij het onderzoek werd tevens vastgesteld dat (eiser) de orthopedische schoenen in een aantal gevallen niet persoonlijk maar via de post had afgeleverd, waarbij de getuigschriften van aflevering niet door de ontvanger maar door hemzelf werden ondertekend. (Eiser) werd hiervoor verwezen naar de Beperkte Kamer, opgericht in de schoot van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle van het R.I.Z.I.V., die bij beslissing van 21 januari 1998 de ten laste gelegde feiten bewezen achtte en aan de verzekeringsinstellingen een verbod oplegde om tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen die door (eiser) zouden worden verleend over een periode van zes maanden. Het hoger beroep dat (eiser) hiertegen heeft ingesteld werd bij beslissing d.d. 12 maart 1999 van de Commissie van Beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het R.I.Z.I.V., slechts gedeeltelijk gegrond bevonden. De Commissie van Beroep beaamde dat (eiser) de hem ten laste gelegde inbreuken had gepleegd maar was van oordeel dat die inbreuken passend beteugeld worden door de verzekeringsinstelling te verbieden tegemoet te komen in de kosten voor geneeskundige verstrekkingen die door (eiser) zouden worden verleend over een periode van zes weken. (Eiser) heeft tegen deze beslissing van de Commissie van Beroep geen administratief cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State. 4.
  2. De inbreuken op de wets- en verordeningsbepalingen waarop de terugvordering is gebaseerd worden door (eiser) niet betwist. Hij kan de inbreuken die hem ten laste worden gelegd overigens moeilijk betwisten. De Commissie van Beroep ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle is immers een administratief rechtscollege (J. Ghysels en K. Wauters, Administratieve commissies in de ziekteverzekering, de controle op en de sanctionering van de zorgverstrekkers, in R. Janvier, A. Van Looveren, A. Van Regenmortel en V. Vervliet (eds.), Actuele problemen van het socialezekerheidsrecht, Brugge, die Keure, 1999, nr. 93 blz. 360), terwijl aan een definitieve beslissing van een administratief rechtscollege gezag van gewijsde toekomt (zie o.m. Cass., 12 maart 1942, Arr. Verbr., 1942, 23, concl. A. Hayoit de Termicourt). Een definitieve beslissing van een administratief rechtscollege heeft ten aanzien van de civiele rechter gezag van gewijsde wat betreft de feiten waarvan het administratief rechtscollege, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, het bestaan zeker en noodzakelijk heeft aangenomen en wat betreft de noodzakelijke gronden waarop die beslissing steunt. Het arbeidsgerecht dat kennis neemt van een terugvordering die gebaseerd is op vaststellingen die de Commissie van Beroep ertoe hebben geleid een sanctie op te leggen is aldus gebonden door de feitelijke overwegingen die de noodzakelijke grondslag vormen van die beslissing. Dit betekent dat in dezen niet meer kan worden betwist dat de inbreuken op artikel 29, ,§ 7 en ,§ 7quinquies van de Nomenclatuur van de Geneeskundige Verstrekkingen, op artikel 127, ,§ 1 van de Z. l. V.-Wet 1994, op artikel 9ter, ,§ 1, 7° van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en op artikel 5, 3°, 4°, C en E en 7° van de nationale overeenkomst orthopedisten-verzekeringsinstellingen, in voege vanaf 1 januari 1995, die door de Commissie van Beroep bewezen werden geacht en tot het opleggen van een sanctie aanleiding hebben gegeven, inderdaad hebben plaatsgevonden (zie ook Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 25 september 1995, J. T. T., 1996, 198, Arbh. Brussel, 17 september 1998, Soc. Kron., 1999, 327, Arbh. Gent, afd. Brugge, 5de kamer, 26 april 2002, onuitg., inzake M. H. t./ N. V. S. M. en de vzw D., A.R. nr. 99/471). 4.
  3. Het is een vaststaand feit dat (verweerder) ten onrechte prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging heeft uitbetaald langs de derdebetalersregeling, die door (eiser) voor eigen rekening werden geïnd, en dat het onverschuldigd zijn van die prestaties te wijten is aan het feit dat (eiser) zich niet heeft geschikt naar de wets- of verordeningsbepalingen die hij moest naleven". Het arbeidshof stelt aldus vast : - dat de Commissie van Beroep een administratief rechtscollege is, - dat aan een definitieve beslissing van een administratief rechtscollege gezag van gewijsde toekomt ; - dat de burgerlijke rechter gebonden is door het gezag van gewijsde van de definitieve beslissing van een administratief rechtscollege ; - dat het gezag van gewijsde geldt wat betreft de feiten waarvan het administratief rechtscollege, binnen de perken van zijn wettelijk opdracht, het bestaan zeker en noodzakelijk heeft aangenomen en wat betreft de noodzakelij-ke gronden waarop die beslissing steunt ; - dat het bewijs van het bestaan van inbreuken op de wets- en verordeningsbepalingen die de voorwaarden bepalen waaronder verstrek-kingen kunnen verricht worden en de verzekeringsinstellingen gehouden zijn prestaties te verlenen, kan voortvloeien uit de niet-betwisting en dus de erkenning van die inbreuken door de zorgverstrekker die via de derdebetalersregeling prestaties heeft ontvangen. Een en ander toepassend op de vordering van verweerder tot terugbetaling van de door hem betaalde prestaties, die steunt op vaststellingen die de Commissie van Beroep ertoe hebben gebracht eiser een sanctie op te leggen, meent het arbeidshof dat het gebonden is door de feitelijke overwegingen die de noodzakelijke grondslag vormen van de beslissing van de Commissie van Beroep. Het arbeidshof leidt daaruit af dat de inbreuken op artikel 29, ,§ 7 en ,§ 7quinquies van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, op artikel 127, ,§ 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, op artikel 9ter, ,§ 1, 7°, van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en op artikel 5, 3°, 4° C en E en 7°, van de nationale overeenkomst orthopedisten-verzekeringsinstellingen, van kracht vanaf 1 januari 1995, niet meer kunnen worden betwist. Het arbeidshof voegt aan zijn motieven inzake het bestaan van de hierboven vermelde inbreuken op de wetsen verordeningsbepalingen toe, dat deze door eiser niet worden betwist. Grieven Krachtens artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, is hij die, ten gevolge van een vergissing of bedrog, ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging, van de uitkeringsverzekering of van de moederschapsverzekering, verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. De waarde van de aan een rechthebbende ten onrechte uitgekeerde prestaties wordt terugbetaald door de zorgverlener die niet over de vereiste kwalificatie beschikt of zich niet aan de wets- en verordeningsbepalingen heeft gehouden.
  4. Eerste onderdeel Krachtens artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek wordt voor de gelding van het gezag van gewijsde vereist dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. De in het Gerechtelijk Wetboek gestelde regels zijn, op grond van het artikel 2 van dat wetboek, van toepassing op alle rechtsplegingen, behalve op degene die worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dat wetboek. De regels van het Gerechtelijk Wetboek, waaronder artikel 23, zijn aldus van toepassing op de rechtspleging voor de Commissie van Beroep als administratief rechtscollege, behalve indien voor de administratieve rechts-colleges in het algemeen of voor de Commissie van Beroep in het bijzonder, een niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepaling of een algemeen rechtsbeginsel een rechtspleging regelt waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Er is geen wet of algemeen rechtsbeginsel dat voor de administratieve rechtscolleges in het algemeen of voor de Commissie van Beroep in het bijzonder het gezag van gewijsde van de beslissingen regelt. Bijgevolg is artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op de beslissingen van de Commissie van Beroep. Uit de artikelen 155 en 156 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, die de procedure voor en de bevoegdheid van de Commissie van Beroep regelen, blijkt dat de verzekeringsinstellingen geen partij zijn in die procedure, zodat ook verweerder geen partij was in de procedure voor de Commissie van Beroep die leidde tot de beslissing welke die commissie op 12 maart 1999 ten aanzien van eiser nam. Aangezien de vordering ingesteld in de procedure die leidde tot de beslissing van de Commissie van Beroep van 12 maart 1999 en de vordering die verweerder in deze procedure instelde, niet door en tegen dezelfde partijen is ingesteld, zijn de vereisten van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van de beslissing van de Commissie van Beroep niet vervuld, zodat het arbeidshof niet op het gezag van gewijsde van de beslissing van de Commissie van Beroep kon steunen om te beslissen dat de inbreuken op artikel 29, ,§ 7 en ,§ 7quinquies, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, op artikel 127, ,§ 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, op artikel 9ter, ,§ 1, 7° van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en op artikel 5, 3°, 4° C en E en 7°, van de nationale overeenkomst orthopedisten-verzekeringsinstellingen, van kracht vanaf 1 januari 1995, door eiser niet meer kunnen worden betwist. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat op grond van de onbetwistbaarheid van de door de Commissie van Beroep vastgestelde inbreuk is bewezen dat de eiser ten onrechte prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging heeft uitbetaald langs de derdebetalersregeling, die door eiser voor eigen rekening werden geïnd, en dat het onverschuldigd zijn van die prestaties te wijten is aan het feit dat de eiser zich niet heeft geschikt naar de wets- of verordeningsbepalingen die hij moest naleven (schending van de artikelen 2 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek), zodat het niet wettig op die grond eiser veroordeelt tot de terugbetaling aan verweerder van de waarde van de onverschuldigde prestaties met toepassing van artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (schending van artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994). 1.
  5. Tweede onderdeel De wets- en verordeningsbepalingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen die de voorwaarden bepalen waaronder verstrekkingen kunnen verricht worden en de verzekerings-instellingen gehouden zijn prestaties te verlenen, alsook de wets- en verordeningsbepalingen die bepalen onder welke voorwaarden de verzekeringsinstellingen door hen verstrekte prestaties kunnen terugvorderen, raken de openbare orde, aangezien zij tot doel hebben de goede werking van de openbare dienst te waarborgen. Een gerechtelijke bekentenis kan geen betrekking hebben op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken en betreffende dewelke het verboden is een dading aan te gaan. Het arbeidshof steunt het bestaan van inbreuken op artikel 29, ,§ 7 en ,§ 7quinquies, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, op artikel 127, ,§ 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, op artikel 9ter, ,§ 1, 7°, van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en op artikel 5, 3°, 4° C en E en 7°, van de nationale overeenkomst orthopedisten-verzekeringsinstellingen, van kracht vanaf 1 januari 1995, ook op de vaststelling dat eiser die inbreuken niet betwist, zonder de feiten die aan de basis liggen van de beslissing van de Commissie van Beroep van 12 maart 1999 te toetsen aan die bepalingen en zonder zelf te onderzoeken of die feiten een inbreuk uitmaken op de hierboven vermelde wets- en verordeningsbepalingen. Het arbeidshof steunt zijn beslissing dat eiser zich niet heeft geschikt naar de wets- of verordeningsbepalingen die hij moest naleven, aldus op een bekentenis van eiser. Het arbeidshof beslist niet wettig dat niet meer kan worden betwist dat de inbreuken op artikel 29, ,§ 7 en ,§ 7quinquies, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, op artikel 127, ,§ 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, op artikel 9ter, ,§ 1, 7°, van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en op artikel 5, 3°, 4° C en E en 7° van de nationale overeenkomst orthopedisten-verzekeringsinstellingen, van kracht vanaf 1 januari 1995, hebben plaatsgevonden op grond van de vaststelling dat die inbreuken door eiser niet worden betwist, zonder zelf de feiten te toetsen aan de toepasselijke wets- en verordeningsbepalingen (schending van de artikelen 1350, inzonderheid 4°, 1354 en 1356 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994) IV. Beslissing van het Hof
  6. Eerste onderdeel Overwegende dat het gezag van gewijsde dat verbonden is aan de beslissingen van de administratieve rechtscolleges een algemeen rechtsbeginsel van administratief recht is, dat niet onder de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek valt ; Dat het onderdeel faalt naar recht ;
  7. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest beslist dat het bestaan van inbreuken op artikel 29, ,§ 7 en ,§ 7quinquies, van de Nomenclatuur van de Geneeskundige verstrekkingen, op artikel 127, ,§ 1, van de Z.I.V.-wet 1994, op artikel 9ter, ,§ 1, 7°, van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verzorging en uitkeringen en op artikel 5, 3° en 4°, C en E en 7°, van de nationale overeenkomst opthopedisten-verzekeringsinstellingen niet kan worden betwist, op grond van de vaststelling dat die inbreuken niet door eiser worden betwist ; Overwegende dat het arrest de vordering van verweerders ook bewezen verklaart op grond van de in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde reden van het gezag van gewijsde van de beslissing van de Commissie van Beroep bij de Dienst voor Geneeskundige Controle van het R.I.Z.I.V. van 12 maart 1999 ; Dat het onderdeel, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd negenentwintig euro acht cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van eenentwintig juni tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040621.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170306.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230306.3N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250220.1F.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.