id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19 Rolnummer: P.03.1620.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2004-12-07 Raadplegingen: 816 - laatst gezien 2026-07-04 23:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Strafbare deelneming aan het misdrijf van artikel 257, ,§ 3, A.W.D.A., dat een positieve handeling vereist, namelijk het zonder toelating geven van een andere bestemming aan goederen en ze aldus aan de doorvoer onttrekken, is mogelijk wanneer de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan dit misdrijf verleent, hij weet dat hij zijn medewerking aan dit misdrijf verleent en hij het opzet heeft aan dit misdrijf zijn medewerking te verlenen
(1).
(1)Cass., 26 nov. 2002, AR P.01.0874.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021126.15, nr 628. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Algemene wet op de douane en accijnzen Artikel 257, ,§ 3, Douane en accijnzenwet Onttrekking aan douanedoorvoer Mededaderschap Fiche 2 De in artikel 257, ,§ 1, A.W.D.A. strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting tot aanzuivering of wederoverlegging van enigerlei douane- of accijnsdocument, waarvan de aanzuivering of de wederoverlegging ten kantore van uitreiking is voorgeschreven, heeft een algemene draagwijdte en heeft derhalve betrekking op enigerlei document waarbij goederen worden geplaatst onder een bepaalde douaneregeling die naderhand moet worden aangezuiverd. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Algemene wet op de douane en accijnzen Artikel 257, ,§ 1, Douane en accijnzenwet Verplichting tot aanzuivering of wederoverlegging van douanedocumenten Fiches 3 - 4 De artikelen 135, tweede lid, en 261/2, 1°, A.W.D.A., die bepalen dat de douane-expediteur, die de instructies van zijn klant voor de douane-aangifte heeft gevolgd, niet strafbaar is wanneer bewezen is dat zijn klant schuldig is aan sluikerij, hebben weliswaar een algemene draagwijdte en omvatten alle douaneverrichtingen die de douane-expediteur op de instructies van zijn klant verricht, maar deze strafuitsluitingsgrond geldt niet voor de douane-expediteur die mededader of medeplichtige is aan de sluikerij van zijn klant, onder meer wanneer hij mededader is in de zin van artikel 66, eerste lid, Strafwetboek, omdat hij namens zijn klant een onjuiste aangifte of enige andere douaneverrichting doet, wetende dat deze onjuist is en hierbij het opzet heeft zijn bewuste medewerking te verlenen aan het douanemisdrijf van zijn klant
(1).
(1)Contra Cass., 5 nov. 2002, AR P.02.0013.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.46, nr 581: in dit arrest besliste het Hof dat de in artikel 135, tweede lid, A.W.D.A. bedoelde sluikerij enkel betrekking kan hebben op de fraude bij de aangifte. In het thans geannoteerde arrest oordeelt het Hof dat de artikelen 135, tweede lid, en 261/2, 1°, A.W.D.A. een algemene draagwijdte hebben en de sluikerij derhalve betrekking kan hebben op alle douaneverrichtingen die de douane-expediteur op de instructies van zijn klant verricht. Deze laatste zienswijze vindt steun in de wetsgeschiedenis van artikel 261/2, 1°, A.W.D.A.: de strafuitsluitingsgronden van het vroegere artikel 202, ,§ 3, A.W.D.A. werden uiteindelijk opgenomen in het nieuwe artikel 261/2, A.W.D.A., waarvan het eerste lid werd ingevoegd bij artikel 103 van de wet van 22 december 1989 (B.S. 29 december 1989). De memorie van toelichting preciseert hieromtrent: "Door van ,§3 van artikel 202 van de algemene wet een afzonderlijk artikel te maken dat wordt ingelast in het Hoofdstuk XXIV 'Boeten en straffen in het algemeen' komt de algemene draagwijdte beter tot uiting en wordt duidelijker gesteld dat de bepalingen van toepassing zijn op alle overtredingen inzake douane en accijnzen". Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Algemene wet op de douane en accijnzen Artikelen 135, tweede lid, en 261/2, 1°, Douane en accijnzenwet Douane-expediteur die de instructies van zijn klant volgt Strafuitsluitingsgrond DOUANE EN ACCIJNZEN Algemene wet op de douane en accijnzen Artikelen 135, tweede lid, en 261/2, 1°, Douane en accijnzenwet Douane-expediteur die de instructies van zijn klant volgt Strafuitsluitingsgrond Sluikerij door de klant Mededaderschap of medeplichtigheid van de douane-expediteur Fiche 5 De in artikel 257, ,§ 1, A.W.D.A. bedoelde veroordeling tot de betaling van de waarde van de goederen is weliswaar een civielrechtelijke veroordeling, maar is niettemin het gevolg van een strafrechtelijke veroordeling, zodat de mededader van dit misdrijf persoonlijk aansprakelijk is voor de civielrechtelijke gevolgen ervan. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Algemene wet op de douane en accijnzen Artikel 257, ,§ 1, Douane en accijnzenwet Verplichting tot aanzuivering of wederoverlegging van douanedocumenten Veroordeling tot betaling van de waarde van de goederen Aard Tekst van de beslissing Nr. P.03.1620.N I. E. P., eiser, beklaagde, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, met kabinet te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur der douane en accijnzen te Antwer-pen, met kantoren te Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cas-satie. II. S. F., eiser, beklaagde, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij. III. B. C., eiser, beklaagde, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij. IV. B. R., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Bart R. Goossens, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cas-satie. V.
- R. H., eiser, beklaagde en burgerlijke partij,
- UNIMAR ZEETRANSPORT nv, met zetel te Antwerpen, Sint-Pietersvliet 3, eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij en burgerlijke partij, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij.
- V. E. B., verweerder, beklaagde. VI.
- V. L. H., eiser, beklaagde,
- V. L. M., eiser, beklaagde,
- V. D., eiser, beklaagde,
- VAN LANDEGHEM, besloten vennootschap,
- MOLENBERGNATIE cvba, thans MOLENBERGNATIE nv, naamloze vennootschap, eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij, met als raadsman Mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cas-satie. VII.
- L. R., eiser, beklaagde,
- NEW MAN SHIPPING & AGENCY COMPANY nv, met zetel te Ant-werpen, Kipdorp 49-51, eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassa-tie, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cas-satie. VIII.
- O. J., eiser, beklaagde,
- M. C., eiseres, beklaagde, ter terechtzitting Mr. Valérie Libert, advocaat bij de balie te Brussel voor Mr. Ronny Ceusters, advocaat bij de balie te Turnhout, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij. IX. L. C., tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 22 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser sub I stelt in een memorie twee middelen voor. De eiser sub IV stelt in een memorie acht middelen voor. De eisers sub VI.1 en VI.4 stellen in een memorie drie middelen voor. De eiser sub VI.2, VI.3 en VI.5 stellen in een memorie vier middelen voor. De eisers sub VII.1 en VII.2 stellen in een memorie twee middelen voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De overige eisers stellen geen middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Afstand Overwegende dat de eisers sub V zonder berusting afstand doen van hun cassatieberoep; B. Onderzoek van de middelen van de eiser sub I
- Eerste middel Overwegende dat het bestreden arrest eiser schuldig verklaart aan de hem in zaak I ten laste gelegde feiten sub 1, vaststellingen sub 1, 2, 4, 7 en 8; dat deze sub 1 ten laste gelegde feiten betrekking hebben op mededaderschap aan onttrekking aan de doorvoer van goederen onder douaneverband, strafbaar gesteld door artikel 257, ,§ 3, AWDA; dat eiser niet wordt veroordeeld voor de sub 2 vermelde feiten die betrekking hebben op het niet of ten onrechte zuive-ren van documenten, strafbaar gesteld door artikel 257, ,§ 1, AWDA; Dat het middel, in zoverre het schending aanvoert van artikel 257, ,§ 1, AWDA, feitelijke grondslag mist; Overwegende dat artikel 257, ,§ 3, AWDA een positieve handeling ve-reist, namelijk het zonder toelating geven van een andere bestemming aan goe-deren en ze aldus aan de doorvoer te onttrekken; Dat strafbare deelneming aan dit handelingsmisdrijf mogelijk is; dat daartoe vereist is: - dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan een misdrijf of wanbedrijf verleent; - dat hij weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of wanbe-drijf verleent; - dat hij het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat eiser "op de hoogte was en kennis had van de kwestieuze fraude in zijn diverse aspecten, en niettemin hieraan verder zijn medewerking verleende" en hem derhalve schuldig achten als mededader; Dat de appèlrechters op grond hiervan wettig hebben kunnen oordelen dat eiser als mededader schuldig is; Dat het middel niet kan worden aangenomen;
- Tweede middel Overwegende dat de appèlrechters niet alleen overwegen zoals in het middel is weergegeven maar ook oordelen dat eiser "op de hoogte was en ken-nis had van de kwestieuze fraude in zijn diverse aspecten, en niettemin hieraan verder zijn medewerking verleende"; Dat zij aldus eisers bewuste medewerking aan bedrog vaststellen; Dat op grond van die vaststelling de beperking van aansprakelijkheid zoals bepaald in artikel 18, eerste en tweede lid, Arbeidsovereenkomstenwet geen toepassing kan vinden; Dat het middel, zelfs al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is; C. Onderzoek van de middelen van de eiser sub IV
- Eerste middel Overwegende dat de rechter in strafzaken, wanneer zoals hier de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, onaantastbaar in feite de bewijs-waarde beoordeelt van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren; dat het de strafrechter niet verbo-den is zijn oordeel omtrent de schuld van een beklaagde te gronden op een fei-telijk vermoeden dat hij overtuigend acht; Dat het middel faalt naar recht;
- Tweede, vierde, zesde en achtste middel Overwegende dat het bestreden arrest eiser als mededader schuldig ver-klaart aan de hem in zaak I ten laste gelegde feiten sub 1, vaststellingen sub 1 en 4 tot en met 9; Dat eiser voor deze feiten samen tot één straf wordt veroordeeld, namelijk een hoofdgevangenisstraf van tien maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging, en tot een geldboete, gedeeltelijk met uitstel van tenuitvoerlegging, waarvan het bedrag is bepaald op tienmaal de ontdoken invoerrechten, accijnzen en bijzondere accijnzen met betrekking tot de goederen die het voorwerp uitmaken van het ten laste gelegde feit sub 1, vaststelling 1; Overwegende dat deze straf wettig verantwoord is door het bewezen verklaren van het ten laste gelegde feit sub 1, vaststelling sub 1; Dat de middelen die gericht zijn tegen de schuldigverklaring van eiser aan de feiten sub 1, vaststellingen 4, 5, 7 en 9, wat de beslissing op de strafvor-dering betreft, niet tot cassatie kunnen leiden, mitsdien niet ontvankelijk zijn; Overwegende, wat de beslissing op de civielrechtelijke vordering be-treft, dat de middelen ervan uitgaan dat eiser wordt veroordeeld als medeschuldenaar van "rechten en intresten" op basis van artikel 203.3, tweede streepje, CDW; Overwegende dat eisers veroordeling tot betaling van de ontdoken rech-ten en de waarde van de goederen niet zijn grondslag vindt in de aangevoerde bepaling maar in artikel 257, ,§ 1, AWDA; Dat de middelen in zoverre feitelijke grondslag missen;
- Derde middel Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, de appèlrechters niet oordelen dat de vermelding "strookje achteraan douanedocument laten afstem-pelen door de Antwerpse douane, tezamen met CMR opsturen" een irrelevante standaardformule zou uitmaken maar daarentegen overwegen dat "de omstan-digheid dat dit in casu een standaardformule zou betreffen, door de NV Collitrans International in meerdere van haar faxen gebruikt, te dezen irrelevant is", dit wil zeggen dat de vermelde omstandigheid geen afbreuk doet aan het bestaan van de gegeven instructie; dat de appèlrechters op die grond beslissen dat "hoe dan ook, geen gevolg werd gegeven aan de instructie te (laten) zorgen voor een douanedocument voor het vervoer"; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
- Vijfde middel Overwegende dat het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appèlrechters; Dat het middel niet ontvankelijk is;
- Zevende middel Overwegende dat de appèlrechters door te verwijzen naar "hetgeen hierboven reeds werd uiteengezet met betrekking tot de vaststelling sub 8, als-mede, mutatis mutandis, met betrekking tot de overige vaststellingen lastens (eiser)" verwijzen naar de overwegingen op pagina 89-91 met betrekking tot vaststelling sub 8 in het bijzonder en de overwegingen op pagina 92-93 met be-trekking tot de fraudemechanismen in het algemeen, waarvan de vaststelling sub 8 een voorbeeld is, waaruit blijkt dat "andere beklaagden", onder wie eiser die met name wordt genoemd, onontbeerlijke hulp hebben verleend; Dat het middel feitelijke grondslag mist; D. Onderzoek van de middelen van de eisers sub VI.1 en VI.4
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat anders dan het onderdeel aanvoert, het bestreden ar-rest de eigen verplichting van een aangever als subject van de regeling extern douanevervoer, de goederen die hij bij de douane heeft aangebracht, aan te zui-veren, laat steunen op de uitlegging van de artikelen 92.1 en 92.2, 96 en 203 CDW en artikel 23 van de EEG-Verordening nummer 222/77 van de Raad van 13 december 1976; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de in artikel 257, ,§ 1, AWDA strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting tot aanzuivering of wederoverlegging van enigerlei douane- of accijnsdocumenten waarvan de aanzuivering of de wederoverlegging ten kantore van uitreiking is voorgeschreven, een algemene draagwijdte heeft; Dat zij betrekking heeft op enigerlei document waarbij goederen worden geplaatst onder een bepaalde douaneregeling die naderhand moet worden aangezuiverd; Overwegende dat krachtens artikel 13.1 van de EEG-Verordening nr. 2561/90 van de Commissie van 30 juli 1990 tot uitvoering van de EEG-Verordening nr. 2503/88 van de Raad betreffende de douane-entrepots, van toepassing op het ogenblik van de feiten, de plaatsing van goederen onder het stelsel van douane-entrepots, onverminderd de toepassing van vereenvoudigde procedures, afhankelijk wordt gesteld van het aanbrengen van goederen en de indiening van een aangifte tot plaatsing onder het stelsel bij het controlekan-toor, dit is het douanekantoor dat voor de controle van het entrepot bevoegd is; dat deze aangifte krachtens artikel 14 van dezelfde verordening dient te worden gesteld op een formulier IM bedoeld in artikel 3 van de EEG-Verordening nr. 1900/85 van de Raad van 8 juli 1985 betreffende de invoering van communau-taire formulieren van aangifte ten invoer en ten uitvoer; Dat, krachtens artikel 40, van dezelfde verordening, de aanzuivering van het stelsel van douane-entrepots, onverminderd de toepassing van de hoofdstukken 2 en 3 van Titel V van de verordening betreffende het in het vrije verkeer brengen van goederen en de uitvoer, afhankelijk is van het vervullen van de formaliteiten waarin is voorzien voor een van de douanebestemmingen bedoeld in artikel 21 van de basisverordening nr. 2503/88, overeenkomstig de bepalingen welke ten aanzien van de betrokken bestemming van toepassing zijn; Dat uit deze bepalingen volgt dat het document IM waarmee de plaat-sing van goederen onder het stelsel van douane-entrepots wordt aangegeven, een douanedocument is waarvan de aanzuivering ten kantore van uitreiking is voorgeschreven; Dat het onderdeel faalt naar recht;
- Tweede middel Overwegende dat krachtens de artikelen 135, tweede lid, en 261/2, 1°, AWDA de douane-expediteur die de instructies van zijn klant voor de douaneaangifte heeft gevolgd, niet strafbaar is wanneer bewezen is dat zijn klant schuldig is aan sluikerij; dat deze bepaling een algemene draagwijdte heeft en alle douaneverrichtingen omvat die de douane-expediteur op de instructies van zijn klant verricht; Overwegende dat deze strafuitsluitingsgrond evenwel niet geldt voor de douane-expediteur die mededader of medeplichtig is aan de sluikerij van zijn klant, onder meer wanneer hij mededader is in de zin van artikel 66, eerste lid, Strafwetboek, omdat hij namens zijn klant een onjuiste aangifte of enige andere douaneverrichting doet, wetende dat deze onjuist is, en hierbij het opzet heeft zijn bewuste medewerking te verlenen aan het douanemisdrijf van zijn klant; Overwegende dat het bestreden arrest overweegt: "Dat, ten overvloede, inzonderheid wat (de eerste eiser sub VI.1) be-treft, dient vastgesteld: - dat door de (eiseres sub VI.4) het document EX1 nummer S 007 1645 werd uitgesteld op 7 juni 1993, zijnde na de verscheping de dato 3 juni 1993 (van de 742 balen tapijt naar Mauretanië cfr. supra); - dat (eiseres sub VI.4) het document EX3 T1 nummer S 0013767 de dato 27 mei 1993 liet geldig maken op 4 juni 1993, nadat het schip reeds op 3 juni 1993 was uitgevaren (cfr. vaststelling sub 2); - dat bovendien dit document, met kennis van zaken, los van de goederen werd aangereikt bij de plaatselijke douane-ambtenaar (cfr. supra); Dat het voor zich spreekt dat het aanbieden van douanedocumenten, los van de goederen, elke behoorlijke verificatie alsdan onmogelijk maakt en dat achteraf steeds kan blijken dat de regeling niet of valselijk werd aangezui-verd"; Overwegende dat deze overweging de schuldigverklaring van de eiser sub VI.1 naar recht verantwoordt; Dat het middel niet kan worden aangenomen;
- Derde middel Overwegende dat krachtens artikel 257, ,§ 1, AWDA, de titularis of de cessionaris van het document in de door dat artikel bedoelde gevallen een geldboete oploopt, onverminderd de betaling van de rechten op de in het document vermelde goederen en onverminderd daarenboven, indien het gaat om buitenlandse goederen welke bij invoer aan verbodbepalingen, beperkingen of controlemaatregelen zijn onderworpen, de betaling van de waarde van de goederen; Dat de veroordeling tot betaling van de waarde van de goederen welis-waar een civielrechtelijke veroordeling is, maar niettemin het gevolg is van een strafrechtelijke veroordeling; Overwegende dat de mededader van een misdrijf, behoudens bij de wet bepaalde uitzondering, persoonlijk aansprakelijk is voor de civielrechtelijke gevolgen van dat misdrijf; Dat artikel 257, ,§ 1, AWDA op die regel geen uitzondering bepaalt; Dat het middel faalt naar recht; E. Onderzoek van de middelen van de eisers sub VI.2, VI.3 en VI.5
- Eerste middel Overwegende dat het middel in beide onderdelen gelijkluidend is met het eerste middel van de eisers sub VI.1 en VI.4; Dat om de redenen vermeld in antwoord op dat middel, het eerste on-derdeel feitelijke grondslag mist en het tweede onderdeel faalt naar recht;
- Tweede middel Overwegende dat de appèlrechters onder meer overwegen: "dat de be-klaagden (waaronder eisers) hadden moeten toezien op de correcte en volle-dige toepassing van de geldende reglementering, hetgeen zij verzuimden; dat zij, als professionele actoren, ongetwijfeld wisten of dienden te weten dat, in het douanerecht, de aangever van een document een bijzondere en verre-gaande verantwoordelijkheid draagt en op de hoogte waren of dienden te zijn van de gebeurlijke gevolgen van de ondertekening (weze het door onderges-chikten) van de aangifte en de desbetreffend gestelde handelingen"; Dat de appèlrechters aldus preciseren waarin de door de eisers sub VI.2 en VI.3 begane fout bestaat; Dat het middel feitelijke grondslag mist; Dat er bijgevolg geen aanleiding toe bestaat een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen;
- Derde middel Overwegende dat het middel gelijkluidend is met het tweede middel van de eisers sub VI.1 en sub VI.4; Overwegende dat de overwegingen in rechte in antwoord op dat middel ook hier gelden; Overwegende dat het bestreden arrest hier echter niet vaststelt dat de ei-sers sub VI.2 en VI.3 mededader of medeplichtige zijn aan de sluikerij van de klant van de eiseres sub VI.5; Dat het middel gegrond is;
- Vierde middel Overwegende dat het middel gelijkluidend is met het derde middel van de eisers sub VI.1 en sub VI.4; Dat het middel om de redenen vermeld in antwoord op dat middel faalt naar recht; F. Onderzoek van de middelen van de eisers sub VII.1 en VII.2
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters eiser schuldig verklaren en veroorde-len wegens "het hem in zaak II ten laste gelegde feit sub 2, document sub 1, zo-als thans aangehouden" en eiseres civielrechtelijk aansprakelijk verklaren voor onder meer de waarde van de goederen; Dat het ten laste gelegde feit, zoals vermeld in het arrest, betrekking heeft op een T1-document met betrekking tot 330 kartons T-shirts van oors-prong uit China waarvoor een invoervergunning vereist is; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel in zoverre het gericht is tegen de veroordeling van eiser, om de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel van de eisers sub VI.1 en VI.4, faalt naar recht; Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het is gericht tegen de ve-roordeling van eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij, tot betaling van de waarde van de goederen, ervan uitgaat dat eiser onwettig is veroordeeld tot be-taling van de waarde van de goederen, mitsdien faalt naar recht; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 1.
- Derde onderdeel Overwegende dat, aangezien de veroordeling tot betaling van de waarde van de goederen een civielrechtelijke veroordeling is, het onderdeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, mitsdien faalt naar recht;
- Tweede middel Overwegende dat de veroordeling van eiseres als civielrechtelijk aans-prakelijke partij tot de "geldboeten, sommen, rechten, kosten en nalatigheidsin-tresten ten laste van beklaagde (eiser sub VII.1) (zaak II) gelegd" betrekking heeft op: - de kosten van de strafvordering in beide instanties van zaak II begroot op 40,92 euro voor de vervolgende partij en 24,72 euro voor de openbare partij; - de som van 27.341,02 euro, zijnde de waarde van de goederen, tot betaling waarvan de eiser sub VII.1 wordt veroordeeld; - de som van 3.554,37 euro, zijnde de ontdoken invoerrechten, vermeerderd met de nalatigheidsintrest, tot betaling waarvan de (eiser sub VII.1), solidair met de andere beklaagden, wordt veroordeeld; Dat deze veroordeling aldus geen betrekking heeft op de bijdrage van 10 euro, vermeerderd met 40 opdeciemen en aldus gebracht op 50 euro, bedoeld in artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, noch op de vergoeding van 25 euro, bepaald in artikel 91 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken; Dat het middel feitelijke grondslag mist; G. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering Overwegende dat, behoudens wat wordt vernietigd, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent akte van de afstand van de eisers sub V; Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de te-gen de eiser sub VI.2 en VI.3 ingestelde strafvordering en over de tegen de ei-seres sub VI.5 als civielrechtelijk aansprakelijke partij ingestelde vordering tot betaling van de boete en de kosten ten laste van haar aangestelden; Verwerpt voor het overige de cassatieberoepen; Laat twee vijfden van de kosten van het gezamenlijk cassatieberoep van de eisers sub VI.1, VI.2, VI.3, VI.4 en VI.5 ten laste van de Staat en veroor-deelt hen in drie vijfden van de kosten; Veroordeelt de overige eisers in de kosten van hun respectieve cassatie-beroepen; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van duizend zeshonderd negenentachtig euro drieënnegentig cent, waarvan
- op het cassatieberoep van P. E.: honderd eenenvijftig euro eenenveertig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van F. S.: honderd eenenvijftig euro eenenveertig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van C. B.: honderd eenenvijftig euro eenenveertig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van R. B.: honderd eenenvijftig euro eenenveertig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van J. O. en C. M.: honderd eenenvijftig euro eenenveertig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van Unimar Zeetransport: honderd vierentwintig euro achtenzestig cent verschuldigd en dertig euro door eiseres betaald,
- op het cassatieberoep van H. V. L. en andere: honderd vierenvijftig euro vijfenvijftig cent verschuldigd en honderd vierentwintig euro zevenentachtig cent door de eisers betaald,
- op het cassatieberoep van Furness Shipping en andere: honderd vierenvijftig euro vijfenvijftig cent verschuldigd en honderd eenennegentig euro tweeëntachtig cent door de eisers betaald en
- op het cassatieberoep van C. L.: honderd eenenvijftig euro eenenveertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend en vier, door afdeling-svoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Du-inslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080219.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.24 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260203.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021126.15 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.46 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060314.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div