id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.21 Rolnummer: P.04.0360.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2004-12-07 Raadplegingen: 553 - laatst gezien 2026-07-05 03:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche Zo de veroordeling voor een bepaald feit omschreven onder een bepaalde telastlegging en de vrijspraak voor dat feit onder een andere telastlegging zonder motivering tegenstrijdig is, is dit niet het geval wanneer de rechter oordeelt dat het feit slechts onder de telastlegging valt waaraan hij de beklaagde schuldig verklaart
(1)Zie Cass., 3 dec. 1991, AR 4814, nr 177; 17 nov. 1992, AR 6444, nr 735; 25 nov. 1997, AR P.95.1350.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.5, nr 500; 15 feb. 2000, AR P.98.0270.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000215.11, nr 120, waar het Hof telkens beslist dat de strafrechter eenzelfde feit dat onder verschillende misdrijfomschrijvingen ten laste van een beklaagde is gelegd, niet tegelijk bewezen mag verklaren onder één strafrechtelijke kwalificatie en niet bewezen onder een andere kwalificatie: een dergelijke dubbele beslissing omtrent een zelfde feit is immers door tegenstrijdigheid aangetast en schendt artikel 149 van de Grondwet. Het geannoteerde arrest bevestigt deze rechtspraak, maar nuanceert ze tegelijkertijd door te preciseren dat er niet langer sprake is van tegenstrijdigheid, wanneer de redengeving niet toelaat te twijfelen dat de beklaagde, ondanks de overbodige vrijspraak voor het feit zoals omschreven onder één kwalificatie, schuldig geacht wordt aan de feiten zoals omschreven onder de andere kwalificatie. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Veroordeling voor een feit onder een bepaalde telastlegging Vrijspraak voor hetzelfde feit onder een andere telastlegging Tegenstrijdigheid Motiveringsgebrek Uitzondering Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Art.149 Tekst van de beslissing Nr. P.04.0360.N I. V. E., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Jef Scheepers, advocaat bij de balie te Tongeren, tegen
- P. M., en zijn echtgenote
- S. G., verweerders, burgerlijke partijen, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. II.
- S. D.,
- U. I., eisers, beklaagden, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Stefaan Sonck, advocaat bij de balie te Brussel, tegen
- P. M., reeds vermeld,
- S. G., reeds vermeld,
- M. L.,
- L. L.,
- S. J.,
- Q. D.,
- DANE bvba, met zetel te Nieuwerkerken, Dennebosstraat 56,
- K. R.,
- V. J., verweerders, burgerlijke partijen. III. F. J., eiser, beklaagde, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassa-tie, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Stefaan Sonck, advocaat bij de balie te Brussel, tegen
- P. M., reeds vermeld,
- S. G., reeds vermeld, verweerders, burgerlijke partijen, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 29 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser sub I stelt in een memorie zeven middelen voor. De eisers sub II en III stellen in een memorie een middel voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Afstand van het cassatieberoep Overwegende dat de eiser sub II.1 zonder berusting afstand doet van zijn cassatieberoep: "in zoverre het werd ingesteld tegen de hiernavermelde beslissingen op burger-lijk vlak van het bestreden arrest, behalve in zoverre werd gestatueerd over het beginsel van aansprakelijkheid: - de beslissingen m.b.t. de vorderingen van de burgerlijke partijen (sub 6 en 7) tegen eiser, enerzijds, omdat deze beslissingen bij verstek werden gewezen t.a.v. de genoemde burgerlijke partijen en het cassatieberoep werd ingesteld vóór het verstrijken van de termijn van verzet en dienvolgens voorbarig is overeenkomstig artikel 413 in fine van het Wetboek van Strafvordering, en anderzijds, omdat nopens de burgerlijke vorderingen van deze burgerlijke partijen geen eindbeslissing voorligt in de zin van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering en het cassatieberoep op dit vlak voorbarig is, aangezien de appèlrechters in het bestreden arrest m.b.t. deze burgerlijke vorderingen eiser solidair met meerdere andere beklaagden veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding van 12.394,68 euro 'provisioneel', meer de intresten en de kosten; - de beslissing m.b.t. de vordering van de burgerlijke partij (sub 9) tegen ei-ser, omdat deze beslissing bij verstek werd gewezen t.a.v. de genoemde burger-lijke partij en het cassatieberoep werd ingesteld vóór het verstrijken van de termijn van verzet en dienvolgens voorbarig is overeenkomstig artikel 413 in fine van het Wetboek van Strafvordering". B. Onderzoek van de middelen van de eiser sub I
- Eerste middel Overwegende dat het arrest onaantastbaar in feite oordeelt dat "de laatste gemene feiten gepleegd werden tussen 27 december 1993 en 13 januari 1994"; Dat het middel dat aanvoert dat eiser vanaf 1 juli 1993 de feiten van de telastleggingen niet meer heeft kunnen plegen zodat de verjaring op 28 decem-ber 1998, datum van de beschikking tot mededeling van de onderzoeksrechter, reeds was ingetreden, opkomt tegen dit oordeel, mitsdien niet ontvankelijk is;
- Tweede middel Overwegende dat artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvor-dering, zoals gewijzigd door artikel 3 van de wet van 16 juli 2002, krachtens artikel 33 van de Programmawet van 5 augustus 2003 slechts in werking getre-den is op 1 september 2003 en van toepassing is op de misdrijven gepleegd na deze datum; Dat het middel, in zoverre het aanvoert dat deze wetsbepaling ook onmiddellijk van toepassing is op de hangende rechtsplegingen met betrekking tot feiten gepleegd vóór 1 september 2003, faalt naar recht; Overwegende dat, voor het overige, het bestreden arrest de versie van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zoals vervangen bij artikel 3 van de wet van 11 december 1998 toepast; Overwegende dat het middel geen rekening houdt met de schorsing-sgrond van artikel 24, 1°, vierde streepje; Dat het middel niet kan worden aangenomen;
- Derde middel Overwegende dat het middel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appèlrechters; Dat het middel niet ontvankelijk is;
- Vierde middel Overwegende dat eiser in zijn middel niet alle overwegingen van bes-treden arrest betreffende zijn schuld betrekt; Dat het middel dat berust op een onvolledige lezing van het bestreden arrest, feitelijke grondslag mist;
- Vijfde middel Overwegende dat het bestreden arrest eiser schuldig acht aan de ver-mengde feiten "zoals omschreven onder de telastlegging B zoals herleid, C en I"; Dat het arrest met zijn redengeving die eiser betreft of mede betreft (blz. 23 tot 26), de feitelijke gegevens vermeldt waarop de appèlrechters hun oordeel laten steunen dat eiser schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten, zodoende zijn op strijdige of andere feitelijke gegevens gestoelde verweer, beantwoordt; Dat het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden ar-rest, feitelijke grondslag mist;
- Zesde middel Overwegende dat daar het bestreden arrest eiser schuldig verklaart, de appèlrechters wel bevoegd waren om van de op tegen eiser bewezen verklaarde telastleggingen gestoelde burgerlijke rechtsvorderingen kennis te nemen; Dat het middel faalt naar recht;
- Zevende middel 7.
- Eerste onderdeel Overwegende dat het Hof de aangevoerde tegenstrijdigheid niet ont-waart; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 7.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest dat oordeelt dat een ten laste van een beklaagde bewezen misdrijf aan de verweerders schade heeft veroorzaakt, zijn beslissing naar recht verantwoordt; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; C. Onderzoek van het middel van de eisers sub II en III Overwegende dat zo de veroordeling voor een bepaald feit omschreven onder een bepaalde telastlegging en de vrijspraak voor dat feit onder een an-dere telastlegging zonder nadere motivering tegenstrijdig is, dit niet het geval is wanneer de rechter oordeelt dat het feit slechts onder de telastlegging valt waa-raan hij beklaagde schuldig verklaart; Overwegende dat het arrest overweegt: "Dat, conform de vordering van het openbaar ministerie ter terechtzitting, de tenlasteleggingen D en (...) (zie ook verder) dubbel gebruik uitmaken met de tenlasteleggingen B en (...) (zie verder) zodat de beklaagden (waaronder de eisers) voor de feiten voorzien onder de tenlastelegging D dienen vrijgesproken (...); dat immers de feiten voorzien onder de tenlasteleggingen B en (...) terecht omschreven zijn als oplichtingen; dat derhalve de feiten niet nog eens het voorwerp kunnen uitmaken van een vervolging wegens misbruik van vertrouwen zodat, zoals hiervoor ook reeds gezegd, de vrijspraak dient uitgesproken m.b.t. de tenlasteleggingen D en (...)"; Overwegende dat deze redengeving, ondanks de overbodige vrijspraak in verband met de afgewezen omschrijving D, geen twijfel toelaat dat het bes-treden arrest eisers schuldig acht aan de feiten omschreven onder B; Dat het middel niet kan worden aangenomen; D. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorges-chreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent akte van de afstand; Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van tweehonderd zevenenvijftig euro vierennegentig cent, waarvan
- op het cassatieberoep van E. V.: vijfentachtig euro achtennegentig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van D. S. en I. U.: vijfentachtig euro achtennegentig cent verschuldigd, en
- op het cassatieberoep van J. F.: vijfentachtig euro achtennegentig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend en vier, door afdeling-svoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Du-inslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.21 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.5 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000215.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div