← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040624.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040624.12 Rolnummer: C.02.0279.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-07-03 15:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De verplichting van de gemeentelijke overheden om te zorgen voor de verkeersveiligheid op de op hun grondgebied gelegen openbare wegen blijft bestaan, ondanks de onttrekking van de politie van het wegverkeer met betrekking tot blijvende of periodieke toestanden aan de autonome gemeentelijke reglementeringsbevoegdheid (Impliciet)

(1).
(1)Zie de verwijzingen in de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE Vrije woorden: GEMEENTE Wegen Veiligheid van de gebruikers Verplichting van de gemeente Veiligheidsplicht Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Art.135,§2 Fiche 2 Concl. adv.-gen. m.o. THIJS, Cass., 24 juni 2004, AR C.02.0279.N, A.C. 2004, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENTE Vrije woorden: GEMEENTE Wegen Veiligheid van de gebruikers Verplichting van de gemeente Veiligheidsplicht Nota: Nr. C.02.0279.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE 2. Ten gronde. Eiser beroept zich in zijn enig middel op de stelling dat de uitsluiting van autonome bevoegdheid van de gemeentelijke overheid ten aanzien van de politie van het wegverkeer voor zover deze politie betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden
(1), - gegeven dat door het beroepsgerecht is ingeroepen om verweersters aansprakelijkheid af te wijzen voor de schade opgelopen door de in bindend verklaring opgeroepen partij - , een gegeven is dat zonder enige invloed moet blijven op de verplichting van die overheid om, binnen haar grondgebied en voor zover een haar niet aan te rekenen vreemde oorzaak zulks niet verhindert, in te staan voor de verkeersveiligheid op alle over dit grondgebied lopende openbare wegen. Deze stelling beantwoordt aan de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de verhouding tussen art. 10 Wegverkeerswet
(2)en een aantal bepalingen van ten tijde van de Franse revolutie uitgevaardigde decreten in verband met de algemene gemeentelijke politiebevoegdheid
(3). Volgens eiser blijft deze rechtspraak na de inwerkingtreding (op 1.6.1989) van art. 135, ,§ 2, lid 2, 1°, Nieuwe Gemeentewet
(4)en de gelijktijdige opheffing
(5)van de decretale bepalingen waarvoor deze nieuwe wetsbepaling in de plaats is gekomen
(6), nog immer actueel. Verweerster betwist dit
(7). Volgens haar maakt de vermelding van niet-toepasselijkheid op het gebied van politie van het wegverkeer voor zover deze politie blijvende of periodieke toestanden betreft, als voorzien binnen de wettelijke regel van art. 135, ,§ 2, lid 2, 1°, Nieuwe Gemeentewet (meer bepaald in fine daarvan) zelf, in vergelijking met de enkele, thans nog steeds bestaande, vermelding van de genoemde niet-toepasselijkheid binnen art. 10 Wegverkeerswet en dus buiten de betrokken bepalingen van de `revolutionaire' decreten, een wereld van verschil uit. De desbetreffend door verweerster verdedigde stelling
(8)berust geheel op de premisse dat art. 10 Wegverkeerswet enerzijds, en de bedoelde bepalingen van de `revolutionaire' decreten en, in navolging van deze laatste, het nieuwe art. 135, ,§ 2, Nieuwe Gemeentewet, anderzijds, een gedeeltelijk andere rechtsverhouding regelen. De eerstgenoemde wetsbepaling regelt enkel een bevoegdheidsverdeling tussen overheden en heeft volgens de genoemde stelling dus uitsluitend een weerslag op de rechtsverhouding tussen die overheden. Aan de laatstgenoemde, voorheen decretale, thans wettelijke bepaling(en) komt daarentegen niet enkel een bevoegdheidsaanwijzende en (dus) -afbakenende werking toe die evenzeer de rechtsverhouding tussen onderscheiden overheden aangaat; het gaat tevens om de juridische grondslag voor een verplichting die aan burgers een subjectief recht op, onder meer, verkeersveiligheid verleent, zodat daardoor ook de rechtsverhouding wordt bepaald tussen de gemeentelijke overheid aan wie deze verplichting wordt opgelegd en de burgers in kwestie
(9). Als dan niet enkel het bevoegdheidsbepalende aspect van de specifiek gemeenterechtelijke rechtsnormen door een externe louter bevoegdheidsverdelende rechtsnorm wordt buiten werking gesteld, zoals dat het geval was ten tijde van de coëxistentie van art. 10 Wegverkeerswet met het geheel van de relevante bepalingen van de `revolutionaire' decreten, maar de gemeenterechtelijke rechtsnorm zelf de voorwaarde voor zijn niet-toepassing in zich draagt, zoals dat zich thans voordoet met art. 135, ,§ 2, lid 2, 1°, in fine, Nieuwe Gemeentewet, dan geldt de aldus tot stand gebrachte beperking van het toepassingsgebied van deze laatste rechtsnorm, steeds volgens de voormelde stelling, voor die norm in al zijn aspecten en dus ook naar de rechtsverhouding ten aanzien van de burgers toe. Dit standpunt lijkt mij niet te kunnen worden bijgetreden. Immers, het Hof besliste, in de context van een betwisting over de gemeentelijke verplichting te zorgen voor verkeersveiligheid, reeds dat "alle bevoegdheden van de openbare besturen met wederkerige verplichtingen gepaard gaan
(10)". Het in het leven roepen van een, in casu gemeentelijke, bevoegdheid leidt dus noodzakelijkerwijze tot het bestaan van een correlatieve verplichting
(11). Logischerwijze gaat het aanbrengen van een beperking aan die bevoegdheid dan ook telkenmale gepaard met een overeenkomstige beperking van de overeenstemmende verplichting. Het lijkt mij daarom geenszins zo dat art. 10 Wegverkeerswet een louter bevoegdheidsbeperkende uitwerking zou hebben gehad, zonder enige weerslag op de gemeentelijke verplichtingen voortvloeiend uit de `revolutionaire' decreten. Alleen heeft het Hof in het verleden geoordeeld dat die weerslag niet zodanig was dat daardoor de macht en dus de verplichting werd ongedaan gemaakt van de gemeenten, om te zorgen voor de veiligheid van het verkeer op de zich op hun g rondgebied bevindende openbare wegen
(12), met alle gevolgen van dien op het vlak van aansprakelijkheid van de gemeenten in geval deze laatsten in gebreke blijven om de betrokken macht aan te wenden en de betrokken verplichting na te leven
(13). Gelet op de gevestigde rechtspraak van het Hof, kan er m.i. geen aanleiding toe bestaan om thans aan te nemen dat onder de gelding van art. 135, ,§ 2, lid 2, 1°, Nieuwe Gemeentewet het bestaan van de gemeentelijke verkeersveiligheidverplichting onverenigbaar is geworden met de wettelijke regeling inzake de politie van het wegverkeer betreffende blijvende of periodieke toestanden. Het vermelde in fine van deze laatste wetsbepaling, niet meer dan een geactualiseerde versie van art. 10 Wegverkeerswet, lijkt mij dan ook geen andere dan de door dit laatste wetsartikel voorziene beperking van gemeentelijke bevoegdheid èn plicht in te stellen, te weten het aan het door gemeentelijke autonomie gekenmerkte systeem van algemene bestuurlijke politie onttrekken van de politie van het wegverkeer die betrekking heeft op blijvende en periodieke toestanden, een onttrekking die volgens de klassieke rechtspraak van het Hof dus zonder invloed blijft op de verplichting van de gemeentelijke overheid om te waken over de verkeersveiligheid op de openbare wegen op haar grondgebied. Met andere woorden, of de gemeentelijke zelfstandigheid op het vlak van algemene bestuurlijke politie nu, middels een inhoudelijk identieke wetsbepaling, `extern' (via art. 10 Wegverkeerswet) dan wel 'intern' (via het vermelde in fine van art. 135, ,§ 2, lid 2, l', Nieuwe Gemeentewet) wordt ingeperkt ten aanzien van de politie van het wegverkeer met betrekking tot blijvende of periodieke toestanden, kan volgens mij het oordeel over de aldus tot stand gebrachte beperking niet doen verschillen, ongeacht of men zich dit oordeel vormt vanuit het oogpunt van bevoegdheidsverdeling dan wel vanuit dat van materieelrechtelijke verplichtingen. Als men dus, zoals het Hof dit steeds heeft gedaan, onder het `ancien régime' (sic) van de `revolutionaire' decreten in combinatie met art. 10 Wegverkeerswet het voortbestaan aanneemt van de verplichting van de gemeentelijke overheden om te zorgen voor de verkeersveiligheid op de op hun grondgebied gelegen openbare wegen, ondanks de onttrekking van de politie van het wegverkeer met betrekking tot blijvende of periodieke toestanden aan de autonome gemeentelijke reglementeringbevoegdheid, dan lijkt men mij dit ook te moeten doen onder de gelding van art. 135, ,§ 2, Nieuwe Gemeentewet. Deze `theorie van het status quo' lijkt mij trouwens steun te vinden in de parlementaire voorbereiding van de laatstvermelde wetsbepaling
(14). Uit deze voorbereiding lijkt mij namelijk te kunnen worden afgeleid dat de wetgever van 1989 met de invoering van art. 135, ,§ 2, Nieuwe Gemeentewet allerminst de toch wel zeer ingrijpende wijziging op het gebied van de verantwoordelijkheid van de gemeentelijke overheden voor de verkeersveiligheid op de op hun grondgebied gelegen openbare wegen heeft nagestreefd, wel integendeel. De weergave van de betrokken parlementaire voorbereidende werkzaamheden lijkt mij er inderdaad veeleer op te wijzen dat de wetgever, met een duwtje in de rug van de afdeling wetgeving van de Raad van State
(15), in het veranderingsproces rond de totstandbrenging van de Nieuwe Gemeentewet de gelegenheid heeft gezien om een aantal veel minder verregaande, want zuiver legistiek-technische doelstellingen te verwezenlijken. x x x In tegenstelling tot wat de rechtbank beslist, stelt de omstandigheid dat volgens artikel 135, ,§2, tweede lid, l°, in fine, van de Nieuwe Gemeentewet, de politie over het wegverkeer niet onder toepassing van dit artikel valt voor zover die politie betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, de gemeenteoverheid niet vrij van haar verplichting te zorgen voor de verkeersveiligheid op de gedeelten van de wegen die over het grondgebied van de gemeente lopen. Door in het aangevochten vonnis te beslissen dat de Stad Harelbeke niet aansprakelijk is voor de door mevrouw D.C. geleden schade en eiser niet dient te vrijwaren voor de ten aanzien van laatstgenoemde opgelopen veroordeling, om reden dat de slechte staat van het fietspad een blijvende of periodieke toestand betrof en artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet de aansprakelijkheid van de gemeenten voor de uit dergelijke toestanden voortvloeiende schade uitsluit, hebben de appelrechters artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet en artikel 10 van de Wegverkeerswet miskend. Het middel komt dan ook in zoverre gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden vonnis in zoverre het de tussenvordering in vrijwaring van eiser lastens verweerster ongegrond verklaart en verweerster buiten zake stelt ten aanzien van eiser. Brussel, Dirk THIJS. Advocaat-generaal met opdracht. ___________________________
(1)De gemeenten beschikken principieel wel over de mogelijkheid om met ministeriële goedkeuring en eventueel na advies van bepaalde raadgevende commissies, aanvullende reglementen inzake politie van het wegverkeer uit te vaardigen met betrekking tot blijvende of periodieke toestanden (zie: PEETERS, B., "Aansprakelijkheid bij wegeniswerken. De verhouding tussen de aansprakelijkheid van de overheid en de aannemer met betrekking tot signalisatieverplichting", T. Aann. 1983, 48-49, nrs. 12-15; POTE, R., Handboek Verkeerswetgeving, Acco, Leuven, losbl., hoofdstuk XXXIX, 6b-6c, nr. 5).
(2)Oorspronkelijk art. 8, ,§ 2, van de wet d.d 1.8.1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer, als vervangen door art. 10 van de wet d.d 15.4.1964 tot wijziging van deze laatste wet.
(3)Zie de arresten vermeld in de toelichting van de voorziening in cassatie (p. 7). Zie ook: Cass., 10.10.1991, A.C. 1991-92, nr. 79; voor een overzicht van de geviseerde decretale bepalingen, zie voetnoot 10.
(4)In die wet ingevoegd bij art. 2, ,§ 4, van de wet d.d 27.5.1989 houdende de wijziging ervan.
(5)Bij art. 11 van de in de vorige voetnoot vermelde wijzigingswet.
(6)Het betreft meer bepaald art. 50 van het decreet dd. 14.12.1789 betreffende de inrichting van de gemeentebesturen en art. 3, 1°, van titel XI van het decreet dd. 16 en 24.8.1790 op de rechterlijke organisatie. Art. 2, 6°, 7°, en 9°, van het decreet dd. 22.12.1789 betreffende de oprichting van de primaire en van de administratieve colleges, eveneens beschouwd als grondslag voor de gemeenterechtelijke verkeersveiligheidverplichting van de gemeenten (zie wat art. 2, 6° en 7° van laatstvermeld decreet betreft: CORNELIS, L., o.c. voetnoot 2, 316, nr. 324, tekst en bijbehorende voetnoot 213) waarin respectievelijk een bewaringsplicht m.b.t. de wegen, een bestuursplicht op het vlak van wegeniswerken, en een op de meest algemene wijze bepaalde verplichting tot handhaving van de openbare veiligheid door de `departementale' administraties zijn ingeschreven, zijn door de voormelde wijzigingswet daarentegen niet opgeheven. Art. 2, 2°, van de bekrachtigingwet dd. 26.5.1989 waarmee de Nieuwe Gemeentewet is ingevoerd, heeft enkel art. 2, 1°, van het laatstvermelde decreet opgeheven. Gesteld dat de andere, voormelde, onderdelen van art. 2 van dit decreet niet bij een andere gelegenheid zouden zijn opgeheven, zou men kunnen geneigd zijn om daarin een (supplementair) teken te zien van het behoud van de gemeentelijke verkeersveiligheidverplichting onder het `nieuwe regime'. Nog afgezien van het feit dat uit de parlementaire voorbereiding naar aanleiding van de invoering van art. 135, ,§ 2, Nieuwe Gemeentewet geenszins de bedoeling blijkt van de wetgever om een dergelijk effect na te streven, lijkt deze gevolgtrekking echter nogal gewaagd, nu het blijkbaar toch vooral de in limine van deze voetnoot vermelde decretale bepalingen en vooral art. 3, 1°, van titel XI van het decreet dd. 16 en 24.8.1790 zijn, waarmee de 1aatstgenoemde verplichting wordt geassocieerd (zie Cass., 20.12.1951, A.C. 1952, 188, noot 1 en Cass., 1.2.1973, A.C. 1973, 551, ad 553, alsook het advies van de R.v.St., afdeling wetgeving, verleend naar aanleiding van de reeds vermelde wet d.d 15.4.1964, Gedr. St. Kamer, zitting 1962-63, nr. 630/1, 17-18). Dit laatste lijkt overigens terecht, want de geografische dekking en dus het bevoegdheidsdomein ratione loci van de "administrations de département" lijkt veel ruimer te zijn geweest dan dat van de gemeenten ("municipalités").
(7)Zie de voor haar neergelegde memorie van antwoord, p. 2-6, sub I., inzonderheid ad p. 5, nr. 2.
(8)Zoals vermeld in de memorie van antwoord, p. 5, nr. 2, is deze stelling geïnspireerd door het vermelde in CORNELIS, L., Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. De onrechtmatige daad, Maklu, Antwerpen, Ced Samson, Brussel, 1989, 234-235, nr.
  1. Zie tevens: ibid., o.c. voetnoot 2, 324-325, nr.
  2. In dit laatste werk (ad 316-323, nrs. 324-328) toont dezelfde auteur zich, anders dan in zijn eerstvermelde, latere werk, evenwel ook kritisch over de "beleidsoptie" die het Hof zou hebben genomen door in de `revolutionaire' decreten de basis te zien voor een autonome verkeersveiligheidverplichting van de gemeenten.
(9)Volgens de tekst van art. 50 van het decreet van 14.12.1789 en van art. 135, ,§ 2, lid 1, Nieuwe Gemeentewet oefent de gemeente haar taak te voorzien "in een goede politie" uit "ten behoeve van de inwoners". Er lijkt nochtans te moeten worden aangenomen dat de gemeentelijke verkeersveiligheidverplichting geldt voor elke weggebruiker die zich bedient van een (deel van een) openbare weg op het grondgebied van een bepaalde gemeente, zelfs als heeft deze weggebruiker daar zijn woonplaats.
(10)Zie: Cass., 20.12.1951, A.C. 1952, 188. Het lijkt inderdaad mogelijk te stellen dat elke toebedeling van bevoegdheid aan een bestuur in hoofde van dit laatste de verplichting doet ontstaan om die bevoegdheid ook uit te oefenen in die gevallen waarvoor de bevoegdheidstoebedelende rechtsnorm ze in het leven heeft geroepen.
(11)Tegenover die bestuurlijke verplichting zal uiteraard wel niet telkens een subjectief recht van de bestuurden staan, zoals in het geval van de door het Hof in genoemd arrest aangenomen verkeersveiligheidverplichting. Mogelijk zal de bevoegdheidsverlenende norm, eventueel met andere daarmee verbonden normen waardoor de modaliteiten van de bevoegdheidsuitoefening nader worden omschreven, het bestuur immers een bepaalde beoordelingsruimte laten.
(12)Ter verklaring daarvoor lijkt niet zozeer te kunnen worden verwezen naar de relatieve `macht' van de gemeenten om verder met ministeriële goedkeuring aanvullend te reglementeren in het kader van de politie van het wegverkeer betreffende blijvende of periodieke toestanden, aangezien de grondslag daarvoor niet werd geleverd door de bepalingen van de `revolutionaire' decreten, maar door art. 2 Wegverkeerswet. B. PEETERS (Lc., 51, nr. 18) ziet daarentegen een mogelijkheid voor de gemeenten om, ter vervulling van hun veiligheidsplicht, met betrekking tot blijvende en periodieke toestanden "alle maatregelen (te) treffen waarvoor geen aanvullende reglementen nodig zijn", blijkens een ministeriële omzendbrief (ibid., 48, nr. 12, de hoofdtekst met de bijbehorende voetnoot 44). Cf. nochtans de memorie van toelichting van de reeds vermelde wet d.d 15.4.1964, Gedr.St. Kamer, zitting 1962-63, nr. 630/1, 10: de bedoeling van het huidige art. 10 Wegverkeerswet is de onderwerping van "alle permanente verkeerstoestanden aan het enig systeem van de wet". De voornoemde auteur ziet bovendien problemen voor die permanent of periodiek gevaarlijke toestanden die slechts passend kunnen worden geneutraliseerd door maatregelen die overeenkomstig de voormelde omzendbrief wel de uitvaardiging van aan voorafgaande ministeriële goedkeuring onderworpen aanvullende reglementen noodzaken. Een alternatieve mogelijkheid om tot de verdere afdoende macht van de gemeentelijke overheden op basis van hun algemene politiebevoegdheid te besluiten, lijkt er mij mogelijk in te bestaan aan te nemen dat blijvende of periodieke toestanden kunnen worden `vertijdelijkt' door behalve, op basis van art. 2 Wegverkeerswet, een door de bevoegde Minister goed te keuren aanvullend reglement voor permanent of periodiek gebruik, ook, op basis van de autonome gemeentelijk bevoegdheid inzake algemene politie, ook een gewoon politiereglement uit te vaardigen waarvan de geldingsduur uitdrukkelijk wordt beperkt tot aan het tijdstip van de uitvoerbaarheid van het aanvullend reglement. Op die manier kan dan misschien (zie immers ook de volgende voetnoot) de rechtspraak van h et Hof worden verantwoord volgens de welke a rt. 1 0 Wegverkeerswet de vroegere decretale gemeentelijke verkeersveiligheidverplichting onverlet liet, terwijl dit niet het geval is met de afwijking ingesteld door art. 3 van de wet d.d 12.7.1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen (zie: Cass., 18.5.1989, AR 8294, A.C. 1988-89, nr. 535), volgens hetwelk "de Koning de verordeningen vast(stelt) om in de veiligheid en het gemak van het verkeer op de autosnelwegen en de instandhouding van deze wegen te voorzien" en "de gemeenteraden geen aanvullende verordeningen (mogen) vaststellen" en waardoor volgens het Hof elke plaatselijke regelingsmacht wordt uitgesloten ter zake van de verkeersveiligheid op de autosnelwegen.
(13)14 Ter verantwoording van dit standpunt wordt in noot 2 bij het precedentarrest dd. 1.2.1973 van het Hof (A. C. 1973, 551) verwezen naar hetgeen in de memorie van toelichting bij de wet d.d 15.4.1964 is gesteld omtrent de betekenis en de draagwijdte van het huidige art. 10 Wegverkeerswet. Nochtans kan bij nazicht van deze tekst worden vastgesteld dat de regering met het, behoudens hernummering, goedgekeurd ontwerp van art. 10 en van andere artikelen van de wet d.d 15.4.1964 beoogde "de verplichtingen (...) en bijgevolg de verantwoordelijkheden in de meest gunstige zin voor de gemeenten" te beperken. Men leest er (Gedr. St. Kamer, zitting 1962-63, nr. 630/1, 7) inderdaad: "In de veronderstelling dat de weg is beheerd door de Staat, zal aldus de beheerder van de openbare weg voor het plaatsen van het aanwijzingsteken zorgen voor alle voortdurende of op regelmatige tijdstippen terugkerende toestanden. Alleen zijn verantwoordelijkheid zal in dat geval op het spel staan."; "(D)e verplichting der gemeentelijke overheden (blijft) bestaan om uitvoeringsmaatregelen te nemen en namelijk om gevaartekens te plaatsen wanneer dit ontstaat uit een plotse, kortstondige en gelegenheidstoestand."; en "(V)oor zover zij op permanente toestanden betrekking heeft, ( zal) de politie van het wegverkeer niet meer onder de toepassing van de decreten van 1789 en van 1790 vallen. Men ziet dus niet in op welke basis de verantwoordelijkheid der gemeenten nog in deze omstandigheden zou kunnen betrokken zijn" (vetschrift toegevoegd). Wel is het zo dat de afdeling wetgeving van de R.v.St. er een heel andere visie op nahield betreffende de gevolgen van de gedeeltelijke buitentoepassing verklaring van de `revolutionaire' decreten ("Er blijft immers, dat het wegverkeer maar één van de aangelegenheden is welke het decreet van 1790 aan de gemeenten heeft opgedragen en dat de gemeenten, al kunnen zij (...) dezelfde bevoegdheid tot het regelen van het verkeer niet meer aan het decreet ontlenen, niettemin belast blijven in het algemeen te waken voor de veiligheid van het verkeer op de openbare wegen die op hun grondgebied zijn gelegen") en de regering aanspoorde om de memorie van toelichting in die zin te verbeteren (zie Gedr. St. Kamer, zitting 1962/63, nr. 630/1, 17-18). Het lijkt vooral deze 1aatste visie te zijn die ondersteuning zou moeten bieden voor de `extensieve' beoordeling door het Hof van de gemeenterechtelijke verplichting en potentiële aansprakelijkheid van de gemeenten inzake verkeersveiligheid, ook al is de regering geenszins ingegaan op d e ` verbeteringssuggestie' van de R.v.St. en is zij zich integendeel tegen de daaraan ten grondslag liggende visie blijven afzetten (zie andermaal het voormelde parlementair document, ad 7). Zie ook de kritiek op het in limine van deze voetnoot vermelde precedentarrest van het Hof, onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding, geuit door het Brusselse Hof van Beroep in een arrest d.d 13.3.1986, die het Hof in zijn arrest d.d 19.11.1987 evenwel naast zich neer heeft gelegd (zie Cass., 19.11.1987, AR 7770-7805-7905, A. C. 1987-88, nr. 167).
(14)Zie de beknopte weergave van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de basis ligt van de invoering van art. 135, ,§ 2, Nieuwe Gemeentewet bij de wet d.d 27.5.1989, en van het naar aanleiding van de bespreking van dit wetsontwerp opgestelde verslag van de Kamercommissie binnenlandse zaken, algemene zaken en openbaar ambt, in Pasin. 1989, ad 1029, 1034 en 1037.
(15)Zie immers de beknopte weergave van het verslag van de Kamercommissie binnenlandse zaken, algemene zaken en openbaar ambt, in Pasin. 1989,
  1. Tekst van de beslissing Nr. C.02.0279.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van haar minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Graaf de Ferraris-gebouw, Koning Albert II-laan 20, bus 1 eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen STAD HARELBEKE, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, gevestigd in het stadhuis te Harelbeke, Marktstraat 29, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van D.R., in bindendverklaring opgeroepen partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 15 februari 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
  2. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet ; &§9472; artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer. Aangevochten beslissingen De rechtbank van eerste aanleg beslist in het bestreden vonnis tot de gegrondheid van de door mevrouw R. D.C. ingestelde vordering in zoverre zij tegen het Vlaamse Gewest (eiser) is gericht onder meer op grond dat eiser als wegbeheerder overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de schade die mevrouw D.C. opliep toen zij ten val kwam op het voet- of fietspad langs de Kortrijksesteenweg te Harelbeke, terwijl de door dame D.C. lastens de Stad Harelbeke (verweerster) ingestelde vordering als ongegrond wordt afgewezen evenals de tussenvordering in vrijwaring van eiser tegen verweerster, die buiten zake wordt gesteld. De rechtbank overweegt daartoe op volgende gronden : "Overeenkomstig artikel 135, ,§2, (van de Nieuwe Gemeentewet) hebben de gemeenten tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen in de openbare gebouwen. Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, wordt (onder meer) aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd : alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwonding of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken. Voor zover de politie op het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij evenwel niet onder de toepassing van dit artikel. De Stad Harelbeke werpt terecht op dat haar eigen aansprakelijkheid krachtens artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet niet in het gedrang komt, aangezien het om een chronische deteriorerende slijtage van het fietspad, en niet om een acute hindernis of belemmering ging. Zulks wordt voor zoveel als nodig op overtuigende wijze aangetoond door middel van de door de Stad Harelbeke neergelegde foto's, waaruit een reeds langdurige staat van verwaarlozing van het voetpad/fietspad blijkt. Derhalve zijn zowel de hoofdvordering van R. D.C. als in (de graad van beroep hernomen) tussenvordering van het Vlaamse Gewest lastens de Stad Harelbeke ongegrond" (vonnis, p. 4, nr. 3). Grieven
  3. Naar luid van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, verplicht elke daad, nalatigheid of onvoorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. Uit artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat men niet alleen aansprakelijk is voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door zaken die men onder zijn bewaring neemt.
  4. Artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat de gemeenten tot taak hebben, ten behoeve van de inwoners, te voorzien in een goede politie, met name over de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en, meer bepaald, alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen onder meer het opruimen van hindernissen omvat, aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten wordt toevertrouwd. De verplichting van de gemeenteoverheid om, krachtens artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet, te zorgen voor een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen is van toepassing op alle wegen, ook gewestwegen, die door de gemeente lopen, met inbegrip van voet- en fietspaden.
  5. Artikel 135, ,§2, tweede lid, 1°, in fine, van de Nieuwe Gemeentewet voorziet dat, voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, zij niet onder toepassing van dit artikel valt. Deze regel volgt tevens uit artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, dat bepaalt dat de politie over het wegverkeer, voor zover deze betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, niet valt onder de bepalingen van de decreten van 14 december 1789 betreffende de inrichting van de gemeentebesturen, van 22 december 1789, betreffende de oprichting van de primaire en van de administratieve colleges en van 16 en 24 augustus 1790 op de rechterlijke organisatie. Het feit dat, volgens artikel 135, ,§2, tweede lid, 1°, in fine, van de Nieuwe Gemeentewet, de politie over het wegverkeer niet onder toepassing van dit artikel valt voor zover die politie betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, ontslaat de gemeenteoverheid echter niet van haar verplichting te zorgen voor de verkeersveiligheid op de gedeelten van de wegen die over het grondgebied van de gemeente lopen, en persoonlijk in plaats van de wettelijke beheerder van de wegen, die in gebreke is gebleven, de nodige maatregelen te nemen tot herstel van het veilig verkeer op haar grondgebied. Deze verplichting van de gemeenteoverheid gaat boven de verdeling van de beheersbevoegdheden in zake de politie over het wegverkeer. De gemeente kan zich dus niet, zoals overigens terecht werd aangevoerd door mevrouw D.C. (beroepsbesluiten II, p. 3, nr.5), aan de door artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalde aansprakelijkheid onttrekken door aan te tonen dat het abnormale gevaar op het wegennet binnen haar grondgebied met blijvende of periodieke toestanden verband houdt.
  6. Wanneer schade wordt veroorzaakt door de fouten van twee personen, of de ene persoon aansprakelijk is voor de schade wegens de door hem begane fout en de andere als bewaarder van een gebrekkige zaak, zijn beiden gehouden ten aanzien van het slachtoffer tot vergoeding van deze schade. In hun onderlinge verhouding zijn de aansprakelijken gehouden elkaar, ten belope van hun aansprakelijkheidsaandeel, te vrijwaren voor de ten voordele van het slachtoffer opgelopen veroordeling. Wanneer derhalve zowel het gewest, op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, als de gemeente, op grond van de artikelen 135 van de Nieuwe Gemeentewet, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk zijn voor de schade geleden door een voetganger die in de gemeente ten val kwam op het voet- of fietspad van een gewestweg, zullen gewest en gemeente gehouden zijn tot volledige vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade en zal de gemeente, ten belope van haar aansprakelijkheidsaandeel, het gewest dienen te vrijwaren voor de veroordeling ten aanzien van het slachtoffer.
  7. De rechtbank van eerste aanleg beslist in het bestreden vonnis dat de Stad Harelbeke niet aansprakelijk is voor de door mevrouw D.C. geleden schade en derhalve ook niet tot vrijwaring van eiser kan zijn gehouden. De valpartij van mevrouw D.C. was volgens de rechtbank immers het gevolg van een chronische deteriorerende slijtage van het fietspad en niet van een acute hindernis of belemmering, zodat de aansprakelijkheid van de Stad Harelbeke krachtens artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet niet in het gedrang kwam aangezien de politie op het wegverkeer voor zover deze betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, niet onder toepassing van dit artikel valt. In tegenstelling tot wat de rechtbank beslist, stelt de omstandigheid dat volgens artikel 135, ,§2, tweede lid, 1°, in fine, van de Nieuwe Gemeentewet, de politie over het wegverkeer niet onder toepassing van dit artikel valt voor zover die politie betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, de gemeenteoverheid niet vrij van haar verplichting te zorgen voor de verkeersveiligheid op de gedeelten van de wegen die over het grondgebied van de gemeente lopen.
  8. Er dient derhalve te worden besloten dat de rechtbank, door in het aangevochten vonnis te beslissen dat de Stad Harelbeke niet aansprakelijk is voor de door mevrouw D.C. geleden schade en eiser niet dient te vrijwaren voor de ten aanzien van laatstgenoemde opgelopen veroordeling, om reden dat de slechte staat van het fietspad een blijvende of periodieke toestand betrof en artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet de aansprakelijkheid van de gemeenten voor de uit dergelijke toestanden voortvloeiende schade uitsluit, zowel artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, als de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en 10 van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, schendt. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988, als gewijzigd bij artikel 2, ,§4, van de wet van 27 mei 1989, de gemeenten ertoe verplicht te zorgen voor veilig verkeer op openbare wegen, voor zover een hen niet aan te rekenen vreemde oorzaak zulks niet verhindert ; Dat deze verplichting ook geldt voor het deel van de gewestwegen dat loopt over het grondgebied van de betrokken gemeentelijke overheid ; Overwegende dat artikel 10 van de bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer bepaalt dat de politie over het wegverkeer niet valt onder de bepalingen van de decreten van 14 december 1789 betreffende de inrichting van de gemeentebesturen, van 22 december 1789 betreffende de oprichting van de primaire en van de administratieve colleges en van 16 en 24 augustus 1790 op de rechterlijke organisatie, voor zover die politie betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden ; Dat voormeld artikel 10 voor de gemeentelijke overheid enkel een beperking heeft ingesteld inzake de bevoegdheid tot reglementering van de politie op het wegverkeer, derwijze dat daardoor, onder de gelding van de relevante bepalingen van de erin vernoemde decreten, de uit deze laatste bepalingen voortvloeiende verplichting van de gemeenteoverheid onverlet werd gelaten om op de openbare wegen gelegen op haar grondgebied te zorgen voor de verkeersveiligheid en daartoe, desnoods in de plaats van de in gebreke blijvende wettelijke wegbeheerder, de nodige herstelmaatregelen te nemen ; Overwegende dat het voornoemde decreet van 14 december 1789 en titel XI van het voornoemde decreet van 16 en 24 augustus 1790 zijn opgeheven bij artikel 11 van de wet van 27 mei 1989 ; Dat de in artikel 50 van het decreet van 14 december 1789 en in titel XI, artikel 3, 1°, van het decreet van 16 en 24 augustus 1790 vervatte bepalingen, thans opgenomen zijn in het eerste lid en het tweede lid, 1°, van artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet, zij het met de toevoeging, in de inleidende zin van het genoemde tweede lid en in fine van het 1° van dit lid, dat de betrokken wetsbepaling slechts geldt "voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden" en geen toepassing vindt "voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden" ; Dat uit de parlementaire voorbereiding betreffende artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet blijkt dat de wetgever met deze ingreep heeft nagestreefd deze wetsbepaling te vervolledigen met een bepaling met dezelfde strekking als artikel 10 van de bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer, met dien verstande dat deze toevoeging is afgestemd op de nieuwe stand van de wetgeving ; Dat de wetgever derhalve, blijkens de bewoordingen van de wettekst en de parlementaire voorbereiding, de betekenis en de draagwijdte van de gemeentelijke verplichting inzake verkeersveiligheid die vervat ligt in artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet, niet heeft willen wijzigen ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat de politie van het wegverkeer, voor zover zij betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, niet valt onder de toepassing van artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet en dat het ter zake "om een chronisch deteriorerende slijtage van het fietspad, en niet om een acute hindernis of belemmering ging" ; Dat zij zodoende niet naar recht hebben kunnen afleiden dat verweersters eigen aansprakelijkheid op grond van de laatstgenoemde wetsbepaling niet in het gedrang komt en aldus de aangewezen wetsbepalingen schenden ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de tussenvordering in vrijwaring van eiser lastens verweerster ongegrond verklaart en verweerster buiten zake stelt ten aanzien van eiser ; Verklaart het arrest bindend ten aanzien van de tot bindendverklaring opgeroepen partij ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, zitting houdende in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040624.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.