id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:
Art.457
Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Raad van de Orde Kennisgeving van tuchtzaak Stafhouder Hoedanigheid Wettelijke bepalingen:
Art.457
Fiches 3 - 4 De raad van de Orde van Advocaten heeft opdracht om de eer van de orde op te houden, de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep ten grondslag liggen, te handhaven, de inbreuken daarop en de tekortkomingen tuchtrechterlijk te beteugelen of te straffen, onverminderd het optreden van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat; de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid zijn niet beperkt uitsluitend tot de concrete kwaliteit van de dienstverlening door een advocaat. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - TUCHTZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - TUCHTZAKEN Raad van de Orde der Advocaten Bevoegdheid Beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid Wettelijke bepalingen:
Art.456
Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Raad van de Orde Bevoegdheid Beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid Wettelijke bepalingen:
Art.456
Fiches 5 - 6 Het behoort niet tot de bevoegdheid van de raad van de Orde gematigd uitstel te verlenen voor de betaling van een schuld van een advocaat aan een andere schuldeiser. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - TUCHTZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - TUCHTZAKEN Raad van de Orde der Advocaten Bevoegdheid Aanvraag tot het verkrijgen van uitstel bedoeld in artikel 1244, B.W. Wettelijke bepalingen:
Art.1244
Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Raad van de Orde Bevoegdheid Aanvraag tot het verkrijgen van uitstel bedoeld in artikel 1244, B.W. Wettelijke bepalingen:
Art.1244
Fiches 7 - 8 De tuchtraad van beroep die vaststelt dat moet worden nagegaan of eventuele concurrentiebeperkende maatregelen kunnen aanvaard worden omdat die noodzakelijk zijn voor de goede uitoefening van het beroep van advocaat en een zelfde resultaat niet kan worden bereikt door een minder beperkende maatregel is niet gehouden om de uitspraak uit te stellen en het hof van beroep te Brussel te raadplegen. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - TUCHTZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - TUCHTZAKEN Advocaat Tuchtraad van beroep Beperking van de mededinging Verwijzing hof van beroep te Brussel Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1999 - Art.42bis Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Tuchtraad van beroep Beperking van de mededinging Verwijzing hof van beroep te Brussel Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1999 - Art.42bis Fiches 9 - 10 De tuchtraad van beroep die met inachtneming van de eisen van de Mededingingswet en van de regels van de deontologie het verplicht aansluiten op de collectieve polissen betreffende beroepsaansprakelijkheid en de ziekte- en ongevallenverzekering beoordeelt, kan de handhaving van een zekere solidariteit tussen advocaten en de verplichte aansluiting bij groepspolissen beschouwen als behorende tot de opdrachten die de wetgever limitatief aan de Orde heeft toevertrouwd. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - TUCHTZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - TUCHTZAKEN Raad van de Orde der Advocaten Bevoegdheid Wettelijke opdrachten Wettelijke bepalingen:
Artt.443en456 Vrije woorden: ADVOCAAT Raad van de Orde Bevoegdheid Wettelijke opdrachten Tekst van de beslissing Nr. D.02.0022.N.- M.J. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, Parket-Generaal te 9000 Gent, Koophandelsplein 23, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing, op 23 oktober 2002 gewezen door de tuchtraad van beroep van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift vijf middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ; - het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn ; - de artikelen 447 en 457 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing De bestreden beslissing verklaart de eerste tot de derde en de vijfde tenlasteleggingen gegrond en veroordeelt eiser tot de tuchtstraf van 1 maand schorsing. De bestreden beslissing verwerpt het verweer van eiser dat de rechtsingang nietig was nu de Stafhouder, die de Raad van de Orde adieerde, niet voldeed aan het vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, op grond van de motieven dat : "De Raad van de Orde kan slechts door toedoen van de Stafhouder kennis nemen van de tuchtzaken. De Stafhouder die aldus in toepassing van artikel 4 van het Gerechtelijk Wetboek de Raad van de Orde adieert, treedt op als orgaan van de Orde doch enkel als vervolgend orgaan en geenszins als jurisdictioneel orgaan. Dit onderscheid is wezenlijk nu artikel 6, lid 1, E.V.R.M. enkel van toepassing is bij het bepalen van de gegrondheid van de strafvordering cq. de tuchtvordering. Door zijn beslissing om de zaak aanhangig te maken bij de Raad van de Orde beslist de Stafhouder uiteraard niet over de gegrondheid van de tuchtvordering. Het gegeven dat de Stafhouder in het verleden ooit is opgetreden als persoonlijk raadsman van (eiser) bij de afhandeling van een schadegeval voor de Politierechtbank, kan in het licht van artikel 6, lid 1, E.V.R.M. dus geen gevolg sorteren". Grieven 1.
- Eerste onderdeel De regel volgens dewelke de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn is neergelegd in artikel 6, 1, E.V.R.M. Deze regel is tevens een algemeen rechtsbeginsel dat op alle rechtscolleges van toepassing is. Dit vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid is eveneens van toepassing op de Stafhouder die overeenkomstig artikel 457 van het Gerechtelijk Wetboek de Raad van de Orde adieert. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 457 van het Gerechtelijk Wetboek oefent de Stafhouder immers een jurisdictionele functie uit (Liber Amicorum J. Van Den Heuvel 18, ,§ 5). Het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn en artikel 6, 1, E.V.R.M worden miskend wanneer van de Stafhouder, die de zaak aanhangig maakt bij de Raad van de Orde overeenkomstig artikel 457 van het Gerechtelijk Wetboek, terecht kan worden gevreesd dat hij niet de nodige waarborgen biedt van onpartijdigheid waarop de rechtzoekende recht heeft. Eiser voerde in conclusie aan dat de Stafhouder, die beslist heeft tot de vervolging van eiser, destijds raadsman was van eiser en dat hij in die hoedanigheid veel meer gegevens te weten kwam dan hetgeen noodzakelijk was voor de verdediging van zijn zaak. Eiser voerde aan dat nu de Stafhouder aldus over talrijke gegevens over eiser beschikte, hij niet meer voldeed aan het vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zodat de rechtsingang nietig was. Minstens bestond er in hoofde van eiser een gewettigde twijfel dat de kennis die de Stafhouder had verworven ter gelegenheid van de verdediging van eiser meespeelde bij de beoordeling van het al dan niet adiëren van de Raad van de Orde. De appèlrechters verwerpen dit verweer van eiser op grond van de overweging dat de Stafhouder enkel als vervolgend orgaan, doch geenszins als jurisdictioneel orgaan optreedt, zodat artikel 6 E.V.R.M. niet van toepassing is. Aldus schenden de appelrechters artikel 457 van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn en artikel 6, 1, E.V.R.M. Bij het adiëren van de Raad van de Orde treedt de Stafhouder immers wel degelijk als jurisdictioneel orgaan op. De Stafhouder dient bij de toepassing van artikel 457 van het Gerechtelijk Wetboek derhalve te voldoen aan het vereiste van onpartijdigheid. 1.2 Tweede onderdeel Krachtens artikel 13 E.V.R.M. dient - in eerste instantie - binnen de nationale rechtsorde geremedieerd te worden aan de schendingen van het E.V.R.M. Dit dient in een dubbel opzicht te gebeuren : zo mogelijk dient de schending te worden afgewend voor en/of door de nationale rechtsinstanties en zo zulks onmogelijk is dient voor de nationale rechtscolleges een passend rechtsherstel te kunnen bekomen worden (vgl. E.H.R.M., Kudla tegen Polen, d.d. 26 oktober 2000, J. T. Dr. Eur., 2001, 67). In casu biedt de nationale rechtsorde de mogelijkheid om de schending van het E.V.R.M. - die erin bestaat dat de stafhouder D.S. die de Raad van de Orde geadieerd heeft niet over de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikte als gewezen raadsman van eiser - af te wenden. Artikel 447, ,§ 2, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in de mogelijkheid van vervanging van de Stafhouder onder meer indien deze verhinderd is. Het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid voortspruitende uit het feit dat de Stafhouder D.S. de vroegere raadsman van eiser is geweest is een manifest geval van verhindering waaraan artikel 447, ,§ 2, van het Gerechtelijk Wetboek in de nationale rechtsorde toelaat tegemoet te komen overeenkomstig artikel 13 E.V.R.M. De aangevochten beslissing aanvaardt dat Stafhouder D.S. de vroegere raadsman van eiser is geweest en stelt niet vast dat hij in die hoedanigheid niet over de delicate kennis zou hebben beschikt door eiser opgegeven, en leidt ten onrechte uit het dossier af dat het over een zaak voor de politierechtbank zou zijn gegaan, maar vindt op grond van het onjuiste uitgangspunt dit een mineure zaak die niet zou verhinderen dat de Stafhouder D.S. zou optreden. De aangevochten beslissing schendt dan ook artikel 13 E.V.R.M. en artikel 447, ,§ 2, van het Gerechtelijk Wetboek.
- Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 149 van de Grondwet ; - de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ; - het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn ; - artikel 109 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing De bestreden beslissing verklaart de eerste tot de derde en de vijfde tenlasteleggingen gegrond en veroordeelt eiser tot de tuchtstraf van 1 maand schorsing. De bestreden beslissing verwerpt het verweer van eiser dat de tuchtraad van beroep niet onafhankelijk en onpartijdig was op grond van de volgende overwegingen: "(Eiser) houdt voor dat er zich een structureel probleem voordoet bij de samenstelling van de Tuchtraad van Beroep. Artikel 473, lid 6, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat twee assessoren van de balie van de verdachte advocaat deel uitmaken van de Tuchtraad van Beroep. Die bepaling zou zich, aldus (eiser), in casu niet verstaan met artikel 6 E.V.R.M. dat hem het recht verleent op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechtsmacht. Waar deze assessoren zelf onderworpen zijn aan de beslissing van de Raad van de Orde waarvan de rechtsgeldigheid verder ter discussie staat en waar deze advocaten -door de betaling of niet-betwisting van deze bijdragenzich reeds impliciet zouden hebben uitgesproken over de inhoud van de aangevochten norm, meent (eiser) dat er zich een structureel probleem stelt van onpartijdigheid en/of onafhankelijkheid, minstens dat daartoe de schijn wordt gewekt. (Eiser) kan hierin niet worden gevolgd. De assessoren van de Tuchtraad van Beroep nemen in deze raad geen zitting als vertegenwoordigers van hun eigen orde, maar voor zich persoonlijk en de samenstelling van die raad kan geen twijfel doen ontstaan omtrent de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid ervan (Cass., 15 december 1994, nr. 560). Het Hof van Cassatie oordeelde in deze, in haar arrest van 22 juni 2001 gewezen op het verzoek van (eiser) tot onttrekking van de zaak aan de Raad van de Orde van advocaten van de balie te Dendermonde, dat 'de door verzoeker aangevoerde grief bij verzoeker of bij derden geen wettige verdenking kan doen ontstaan aangaande strikte onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Raad van de Orde der Advocaten van de balie te Dendermonde bij de beoordeling inzake de lastens verzoeker ingevorderde baliebijdrage'. Wat geldt ten aanzien van de samenstelling van de Raad van de Orde die volledig is samengesteld door leden van de balie te Dendermonde, moet a fortiori ook gelden ten aanzien van de Tuchtraad van Beroep waarvan slechts twee assessoren behoren tot die balie". Grieven 2.1 Eerste onderdeel De regel volgens dewelke de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, is neergelegd in artikel 6, 1, E.V.R.M. Deze regel is tevens een algemeen rechtsbeginsel dat op alle rechtscolleges van toepassing is. Dit algemeen rechtsbeginsel en artikel 6, 1, E.V.R.M. worden miskend wanneer de beslissing wordt gewezen door rechters van wie terecht kan worden gevreesd dat zij niet de nodige waarborgen van onpartijdigheid bieden waarop de rechtszoekende recht heeft. De oordelende rechters dienen niet enkel persoonlijk onpartijdig te zijn, doch dienen tevens onpartijdig te zijn in organieke zin. Met name kan de organisatie van een gerechtelijke procedure van die aard zijn dat ze voor de betrokken burger een vertrouwensprobleem doet rijzen en dat de rechtszoekende terecht kan vrezen dat er onvoldoende garanties aanwezig zijn voor de organieke onpartijdigheid van het rechtscollege. Te dezen werd eiser vervolgd wegens het niet-betalen van de bijdragen die door de Raad van de Orde zijn vastgesteld. In conclusie betwistte eiser de wettelijkheid van de bijdragen. Eiser voerde aan dat de tuchtraad van beroep bij de beoordeling van de wettelijkheid van de bedragen niet onpartijdig was, nu twee advocaten-leden van de tuchtraad van beroep zich reeds minstens impliciet hadden uitgesproken over de inhoud van de aangevochten norm. De appèlrechters verwerpen dit verweer door te overwegen dat de assessoren van de tuchtraad van beroep in deze raad geen zitting nemen als vertegenwoordigers van hun eigen orde, maar voor zich persoonlijk. De appelrechters beslissen dat de samenstelling van de raad geen twijfel kan doen ontstaan omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid ervan. Aldus laten de appèlrechters na het verweer van eiser dat twee leden van de raad van beroep impliciet stelling namen over de wettigheid van de door eiser aangevochten norm te beantwoorden en schenden zij artikel 149 van de Grondwet. Door te overwegen dat er geen probleem van partijdigheid rijst nu de betrokken personen geen zitting nemen als vertegenwoordigers van hun eigen orde, maar voor zich persoonlijk, verantwoorden de appèlrechters hun beslissing niet naar recht. Nu de betrokken personen immers persoonlijk stelling innamen over de wettigheid van de door eiser aangevochten norm, konden zij als leden van de raad van beroep niet meer onpartijdig oordelen over de wettigheid van deze norm (cfr. arrest Procola van 28 september 1995, Publ. Cour, série A, vol. 326, ,§ 45). Door anders te oordelen schenden de appèlrechters het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn en artikel 6, 1, E.V.R.M. 2.
- Tweede onderdeel De bestreden beslissing schendt niet alleen artikel 6 E.V.R.M. maar ook artikel 13 E.V.R.M. Krachtens artikel 13 E.V.R.M. dient - in eerste instantie - binnen de nationale rechtsorde geremedieerd te worden aan de schendingen van het E.V.R.M. Dit dient in een dubbel opzicht te gebeuren : zo mogelijk dient de schending te worden afgewend voor en/of door de nationale rechtsinstanties en zo zulks onmogelijk is dient voor de nationale rechtscolleges passend rechtsherstel te kunnen bekomen worden (vgl. E.H.R.M., Kudla tegen Polen, d.d. 26 oktober 2000, J. T. Dr. Eur., 2001, 67). In casu biedt de nationale rechtsorde de mogelijkheid om de schending van het E.V.R.M. - die er in casu in bestaat dat de samenstelling van de Tuchtraad in Beroep niet voldoet aan de vereisten van objectieve/structurele onafhankelijkheid en onpartijdigheid zoals gewaarborgd door artikel 6 E.V.R.M. - af te wenden. Krachtens artikel 109 van het Gerechtelijk Wetboek. kon de zaak immers na vaststelling van de schending van artikel 6 E.V.R.M. door de structurele samenstelling van de Tuchtraad in Beroep, door de Tuchtraad in Beroep verwezen worden naar de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep met het oog op toebedeling aan een anders en een structureel conform artikel 6 E.V.R.M. samengestelde Tuchtraad in Beroep. In de mate dat de structurele samenstelling van de Tuchtraad in Beroep artikel 6 E.V.R.M. schendt, heeft de bestreden beslissing ook artikel 13 E.V.R.M. geschonden door geen gebruik te maken van de door artikel 109 van het Gerechtelijk Wetboek geboden mogelijkheid om een schending van het E.V.R.M. binnen de nationale rechtsorde en voor de nationale rechtsinstanties af te wenden.
- Derde middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 456 Gerechtelijk Wetboek ; - artikel 1244 Burgerlijk Wetboek ; - artikel 149 Grondwet. Aangevochten beslissing De bestreden beslissing verklaart de eerste en de tweede tenlasteleggingen gegrond en veroordeelt eiser tot een tuchtstraf van één maand schorsing. De bestreden beslissing verwerpt het verweer van eiser dat het enkel bestaan van een schuld niet voldoende is om de eer en de waardigheid van het beroep te schenden maar dat hiervoor begeleidende omstandigheden moeten bestaan en de advocaat ook het recht moet hebben om desgevallend termijnen van respijt aan een rechter te vragen, op grond van de motieven dat : "
- Het niet of laattijdig betalen van de vervallen termijnen van het door (eiser) aangegane beroepskrediet, daar waar aan deze wanbetaling geen enkele betwisting ten grondslag ligt, brengt ongetwijfeld de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid in het gedrang, waaraan nochtans elke advocaat zou moeten beantwoorden. Deze vaststelling wordt nog versterkt door het feit dat een advocaat uit hoofde van zijn beroep permanent de beschikking heeft over derdengelden en elk risico op vermenging principieel dient te worden vermeden.
- Een zelfde motivering moet ongetwijfeld gelden met betrekking tot de niet-betaling van de sociale bijdragen in het kader van het sociaal statuut als zelfstandige". Grieven De waardigheid betekent de eigenschap eerbied te verdienen. De rechtschapenheid houdt de eigenschap in integer en onkreukbaar te zijn. De kiesheid houdt de gevoeligheid in voor hetgeen betaamt. Artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek verleent aan de rechter de mogelijkheid om aan een schuldenaar gematigd uitstel te verlenen voor de betaling van een schuld. Een schuldenaar kan immers ongelukkig en ter goede trouw zijn. Het gedrag dat erin bestaat uitstel van betaling te vragen, zelfs minnelijk, hetgeen impliciet in artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek besloten ligt nu de rechter rekening houdt met de reeds genoten termijnen, is niet strijdig met de eigenschap eerbied te verdienen noch wijst een dergelijk gedrag op een eigenschap die niet integer of onkreukbaar zou zijn noch getuigt een dergelijk gedrag van een ongevoeligheid voor hetgeen betaamt. Eiser voerde aan dat het hebben van een schuld op zich niet strijdig kon zijn met de waardigheid nu éénieder aan de rechter zelfs nog kan verzoeken om termijnen van respijt te bekomen. Eiser voerde meer bepaald aan dat: "De tuchtrechtelijke sanctionering van (eiser) voor de niet stipte aanzuivering van de door (eiser) aangegane lening bij Fortis Bank is aangetast door machtsoverschrijding. In eerste instantie dient vastgesteld dat de sententie van 12 oktober 2001 geen enkel concreet feit aanduidt waaruit blijkt dat de niet stipte aanzuivering negatieve gevolgen heeft, gehad heeft of minstens dreigt te hebben op de kwaliteit van de door (eiser) verstrekte dienstverlening. Ook stelt de aangevochten beslissing niet vast dat er nog een schuld zou zijn, of dat er in rechte zou zijn gehandeld door de schuldeiser. De raad van de Orde heeft derhalve zijn tuchtrechtelijke bevoegdheid aangewend, niet om de kwaliteit van de door (eiser) te verstrekken dienstverlening te waarborgen, maar wel om tegemoet te komen aan de door de schuldeiser beoogde uitoefening van druk op (eiser) door de tuchtinstantie van (eiser). Zulks is evenwel niet het wettelijke doel van de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de raad van de Orde. Het behoort een derde, in casu de Fortisbank, niet de mogelijkheid te bieden om een klacht bij de Stafhouder oneigenlijk aan te wenden als drukkingmiddel om betaling te bekomen voor een zuiver civielrechtelijke schuld en aldus het tuchtrecht te misbruiken voor een ander doel dan waarvoor het bestemd is. Het tuchtrechtelijke toezicht en de tuchtrechtelijke maatregelen zijn daartoe niet ingesteld en kunnen zich niet (laten) lenen tot een dergelijke oneigenlijke toepassing. Hoe dan ook kunnen aan een dergelijke oneigenlijke aanwending door een derde van de mogelijkheid tot klacht bij de Stafhouder géén tuchtrechtelijke gevolgen worden gegeven op straffe van machtsoverschrijding. Zo de Stafhouder ten onrechte aan een dergelijke druk toegeeft kan de tuchtrechter hieraan onder geen voorwendsel toegeven. Uiteraard zal geen lid van de raad van de Orde, noch van de tuchtraad van beroep raadsman zijn van een persoon - zoals de Fortisbank - wanneer de tuchtzaak van (eiser) wordt beoordeeld. In tweede instantie dient vastgesteld dat de raad van de Orde (eiser) tuchtrechtelijk heeft gesanctioneerd voor niet stipte aanzuivering van een schuld terwijl de schuldeiser zelf ten aanzien van (eiser), en ook blijkbaar ten aanzien van de Orde van Advocaten, niet meer aandringt. Er is geen burgerlijke procedure opgestart De lening blijkt daarenboven op naam van twee personen te staan, zonder dat duidelijk is over wie van beiden het gaat en zonder dat duidelijk is of en waarom de Fortisbank het geheel van (eiser) zou kunnen vorderen. De klacht van de Fortisbank betreft rekeningnummers. Fortisbank stelt in de klacht zelf (brief van 3 mei 2000) dat (eiser) nog afbetalingen deed per 14 april
- In haar brief van 22 november 2000 stelt Fortisbank bovendien dat (eiser) de aanzuivering voor zijn persoonlijke lening 011-1691237-05 stipt naleeft. Fortisbank heeft ten aanzien van (eiser) niet meer aangedrongen noch in rechte gevorderd wat betreft de zichtrekening 001-1557093-28, en waaromtrent niet bekend is op grond waarvan (eiser) voor het geheel zou kunnen gehouden zijn. Op die gronden kan thans niet meer worden besloten dat (eiser) zijn verplichtingen jegens Fortisbank niet zou nageleefd hebben, en dient de betichting niet bewezen te worden verklaard. Een advocaat heeft, zoals iedere andere burger, het recht om eventuele geschillen met een medecontractant of derde aan het oordeel van de rechter te onderwerpen, desgevallend met het doel om, net zoals iedere andere burger, een verzoek te formuleren om termijnen van respijt te bekomen. Bij gebreke aan enig verder initiatief van de Fortisbank - de enige belanghebbende partij aangaande de stipte betaling - kan niet vastgesteld worden dat (eiser) zich schuldig zou gemaakt hebben aan een niet-betaling die de waardigheid van het beroep in gedrang zou kunnen brengen. De bestreden beslissing verwijst naar een vaststaand gebruik van het parket-generaal om dagvaardingen, vonnissen of arresten lastens advocaten stelselmatig over te maken aan de Stafhouder voor 'eventueel' nuttig gevolg. Het betreft in eerste instantie het overmaken van hetzij de gedinginleidende akte van een gerechtelijke procedure hetzij de er op volgende rechterlijke beslissing. Het betreft derhalve steeds gevallen waar de rechterlijke macht gevat is van een geschil tussen een advocaat en een derde. In casu heeft de Stafhouder tuchtrechtelijk vervolgd voor feiten waarvoor géén gerechtelijke procedure is aanhangig gemaakt door de Fortisbank, meeste gerede partij om betaling te bekomen en dienvolgens om zulks te benaarstigen middels een burgerlijke procedure. Het doorsturen van deze akten aan de Stafhouder gebeurt overigens voor eventueel nuttig gevolg. Er kan derhalve aan het bestaan van een burgerlijke procedure tegen een advocaat en in voorkomend geval een burgerrechtelijke veroordeling niet ipso facto tuchtrechtelijk gevolg gegeven worden. Er dient steeds te worden vastgesteld of in concreto de kwaliteit van de dienstverlening in gedrang komt.
- De betichting in verband met de niet-betaling van de sociale bijdragen Inzake niet-betaling van de sociale bijdragen verwijst (eiser) naar hetgeen terzake de betichting in verband (met) de lening van Fortisbank is gesteld. Een advocaat heeft evenals iedere andere burger het recht dit geschil aan de rechterlijke macht te onderwerpen, desgevallend om in voorkomend geval termijnen van respijt te vragen. Uit de stukken van het dossier blijkt overigens dat het voornemen van de sociale kas om tot dagvaarding in betaling over te gaan niet is uitgevoerd. Een confrater heeft toelating gevraagd aan de Stafhouder van de balie van Dendermonde om te dagvaarden in betaling van sociale bijdragen. (Eiser) heeft gereageerd zowel naar de Stafhouder toe als naar die confrater toe. Er is nooit aangedrongen om de gevraagde toelating te bekomen. Nu de schuldeiser zelf - enige belanghebbende, of meest gerede partij - niet aandringt, dient mede op grond van de mededeling van (eiser) aan de Stafhouder dat hij zijn achterstand heeft ingehaald, besloten te worden dat de schuld is aangezuiverd. Er kan dan ook bezwaarlijk vastgesteld worden dat de niet-betaling van de sociale bijdragen zou gepaard gaan met omstandigheden die de waardigheid van het beroep van advocaat in gedrang zouden brengen. Het zijn inderdaad louter en alleen de eventuele omstandigheden waarmee een niet-betaling zou gepaard gaan die aanleiding zouden kunnen geven tot een tuchtrechtelijk optreden en niet het loutere feit van de niet-betaling als zodanig nu een advocaat net als iedere andere burger de mogelijkheid moet hebben zijn schulden te betwisten. Overigens kan niet op grond van de elementen van het dossier besloten worden dat (eiser) zijn verplichtingen jegens de sociale kas niet zou zijn nagekomen. Ingevolge de brief van 31 oktober 2001 door de advocaat van de sociale kas aan de Stafhouder gericht en waarvan door deze laatste op 6 november 2001 kennis is gegeven aan (eiser), heeft op 8 november een bespreking plaatsgevonden tussen de Stafhouder en (eiser) waar (eiser) heeft meegedeeld dat alles betaald is. Nu de sociale kas niet meer heeft aangedrongen kan niet worden besloten op grond van het voorliggende dossier dat (eiser) zijn verplichtingen jegens de sociale kas niet zou nageleefd hebben. De betichting is dan ook niet bewezen. Een tuchtrechtelijke sanctie zou in casu impliceren dat (eiser) zou gesanctioneerd worden voor niet-betaling van schulden terwijl de schuldeiser zelf geen betaling noch sanctionering wegens niet-betaling in rechte benaarstigt en bovendien op een ogenblik dat de betalingsachterstand is ingehaald". De appèlrechters verwerpen dit verweer met de overweging dat het hebben van een schuld op zich de waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid schendt en verduidelijken niet waarin de schending van de waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid besloten ligt. Aldus beantwoorden de appèlrechters het verweer van eiser niet en schenden zij artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek en 1244 van het Burgerlijk Wetboek. De appèlrechters beantwoorden niet het verweer dat de waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid waarover de Raad van de Orde krachtens artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek dient te waken, slechts geschonden zijn voor zover de handelingen die de advocaat stelt en die ingaan tegen de waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, zich op negatieve wijze veruitwendigen in de kwaliteit van de dienstverlening. In die mate schendt de bestreden beslissing artikel 149 van de Grondwet. De appèlrechters schenden artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek in de mate dat de begrippen waardigheid, kiesheid en rechtschapenheid ontdaan worden van ieder verband met de concrete kwaliteit van de door de advocaat geleverde dienstverlening. Aldus schenden de appèlrechters artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 149 van de Grondwet.
- Vierde middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 443 Gerechtelijk Wetboek ; - artikel 456 Gerechtelijk Wetboek ; - artikel 42bis van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging. Aangevochten beslissing De aangevochten beslissing verklaart de vijfde tenlastelegging bewezen nu het wettelijk karakter van de beroepsbijdragen werd aangenomen op grond van volgende overwegingen : "(Eiser) betwist kennelijk niet de door de Raad van de Orde van de balie Dendermonde vastgestelde bijdragen niet te hebben betaald, doch betwist wel de wettelijkheid van deze bijdrage. Voorafgaandelijke vraag hierbij is of de Tuchtraad uitspraak kan doen over de wettigheid van de door de Raad van de Orde bepaalde bijdrage. Inzonderheid werpt (eiser) op dat de litigieuze bijdrage in strijd is met de Wet op de economische mededinging. Allereerst moet worden opgemerkt dat deontologische regels van advocaten principieel onderworpen zijn aan het mededingingsrecht. In haar arrest van 19 februari 2002 besliste het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de Orde van Advocaten optreedt als een 'regulerend orgaan van het beroep waarvan de uitoefening overigens een economische activiteit is' (H.v.J. 19 februari 2002, J.L.M.B. , 2002, 444). Het Hof van Cassatie heeft reeds in 1999 ten aanzien van een andere categorie van beoefenaars van een vrij beroep - met name voor wat betreft de apothekers - aanvaard dat de Orde van Apothekers dient te worden aanzien als een ondernemingsvereniging (Cass., 7 mei 1999, T.B.H.. 1999, 490 e.v.). Het Hof overweegt daarbij dat het gegeven dat de overheid aan de Orde bepaalde taken heeft opgedragen, inzonderheid toe te zien op het eerbiedigen van de deontologie en de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van zijn leden en de Orde daarbij geen economisch doel nastreeft maar een wettelijke taak vervult waarvoor zij overigens een regulerende bevoegdheid heeft gekregen van de overheid, niet onverenigbaar is met de vaststelling dat het terzake om een ondernemingsvereniging gaat in de zin van de Mededingingswet. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat ook de Orde van Advocaten niet evenzeer als een ondernemingsvereniging dient te worden aanzien. In de mate dat de besluiten van een dergelijke vereniging ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt aangetast, moeten ze - aldus Cassatie - door de tuchtorganen van de Orde getoetst worden aan de eisen van de mededingingswet. Een besluit van een orgaan van de Orde dat aan één of meer van zijn leden beperkingen oplegt in de mededinging die niet vereist zijn om de fundamentele regels van het beroep te handhaven, maar dat in werkelijkheid ertoe strekt bepaalde materiële belangen van haar leden te begunstigen of een economisch stelsel te installeren of in stand te houden, kan een besluit zijn van een ondernemingsvereniging waarvan de nietigheid van rechtswege kan worden vastgesteld door de Raad van Beroep. Een tuchtorgaan van die Orde kan wettelijk dan ook geen concurrentiebeperkende maatregelen (met een tuchtsanctie) opleggen die niet strikt aan deze redenen van deontologie ontleend zijn. In dezelfde zin besliste het Arbitragehof dat de beroepsactiviteit van de advocaten niet mag ontsnappen aan die concurrentieregels die verenigbaar zijn met de essentiële regels van de balie. Met andere woorden, de overheden van de balie mogen geen restrictieve mededingingspraktijken organiseren of bevorderen zonder dat die beperkingen worden verantwoord op grond van de noodzaak de onafhankelijkheid van de advocaten te waarborgen, de kwaliteit van hun dienstverlening te verzekeren of hun deontologie in acht te doen nemen (Arbitragehof, 30 april 1997, arrest nr. 23/97 in de zaak Tambue). Dat ingevolge die wettelijke opdracht van de Orde beperkingen aan de vrije mededinging kunnen worden opgelegd, aanvaardt ook het Hof van Justitie in zijn reeds eerder vermeld arrest. Nagegaan moet worden of eventuele concurrentiebeperkende maatregelen kunnen aanvaard worden omdat die noodzakelijk zijn voor de goede uitoefening van het beroep van advocaat en een zelfde resultaat niet kan worden bereikt door een minder beperkende maatregel. In concreto meent (eiser) dat de litigieuze bijdragen strijdig zijn met de wet op de mededinging in de mate dat zij dienen tot financiering van andere zaken dan de eigen werkingskosten. Ook het feit dat de hoegrootheid van de bijdragen wordt vastgesteld in functie van het aantal jaren praktijk, wordt strijdig geacht met de wet op de mededinging. Uit het rondschrijven van de Raad van de Orde van 16 januari 2001 dat zich in het dossier bevindt blijkt dat in deze bijdragen de premies zijn vervat van diverse collectieve verzekeringen afgesloten door de balie. Inzonderheid gaat het om een verzekering beroepsaansprakelijkheid met een basisdekking tot 50 miljoen Belgische franken. In de tweede plaats gaat het om een verzekering tegen ziekte en ongeval en ten slotte zit hierin begrepen de premie voor het solidariteitsfonds van de Voorzorgskas. Hierboven komt de bijdrage aan de Vereniging voor Vlaamse Balies, zodat een globaal bedrag van 20.000 Belgische franken per tableau-advocaat reeds verantwoord is. Aangenomen kan worden dat het saldo dient ter financiering van de eigen werkingskosten van de Orde van Advocaten van de Balie van Dendermonde, waarbij inderdaad uit hetzelfde rondschrijven blijkt dat een bepaald solidariteitsgegeven tussen advocaten met meer of minder jaren anciënniteit wordt gehanteerd. Allereerst valt op dat ook een zelfde differentiatie naar het aantal jaren praktijk wordt gehanteerd door de verzekeraars zelf. Een dergelijk onderscheid lijkt verantwoord nu de bepaling van de premie inderdaad gebeurt in het licht van het te verzekeren risico en mag aangenomen worden dat dit risico onder meer functie is van het aantal te behandelen dossiers en de moeilijkheidsgraad ervan en de financiële belangen die met deze dossiers gepaard gaan. In de mate dat de Raad van de Orde, bij het bepalen van de respectievelijke premies van de leden van de balie, deze verschillende premies doorrekent aan de leden, kan haar besluit alleszins al niet strijdig zijn met de mededingingswet. Maar men mag aannemen dat de Raad verder gaat en inderdaad zelf een bepaalde solidariteit onder de leden van de beroepsvereniging oplegt. Zij hanteert daarbij een objectief criterium dat niet kennelijk onredelijk is. Vraag is daarbij of dit onderscheid redelijk te verantwoorden is in het kader van het uitoefenen van haar doelgebonden bevoegdheid, zoals vastgelegd in artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek. Ook de verplichting die de Raad van de Orde aan haar leden oplegt om zich aan te sluiten bij de door haar collectief afgesloten polissen moet aan ditzelfde criterium worden getoetst. Het komt de Tuchtraad van Beroep daarbij voor dat zowel de solidariteitsgedachte tussen jongere en oudere advocaten als de verplichting tot aansluiting bij groepspolissen, kunnen worden ingeschreven in de bevoegdheid door de Wetgever aan de Raad van de Orde toegekend in artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek. In het kader van de professionele dienstverlening heeft de rechtszoekende niet alleen recht op een goed gevormd en professioneel jurist, zij dient er ook op te kunnen vertrouwen dat deze rechtsbeoefenaar, indien hij een professionele fout zou begaan die zijn aansprakelijkheid in het gedrang brengt, zich kan verlaten op een gedegen en solide dekking. Dat de Raad uit dien hoofde de verplichting oplegt aan de leden van haar balie om zich te verzekeren tegen beroepsaansprakelijkheid is dan ook in het licht van die bepaling een te verantwoorden maatregel. Verdere vraag is daarbij of zij haar leden kan verplichten tot het aansluiten bij een collectieve polis. De voordelen daarvan zijn toch duidelijk. Aangenomen mag worden dat de Raad aldus veel betere voorwaarden kan negotiëren en tegelijk kan waken over de conceptie van de polis en de dekking. Tegelijk heeft zij via een collectieve aansluiting, ook zekerheid dat al haar leden zijn aangesloten en dient zij enkel te waken over de premiebetaling via de door haar vastgestelde baliebijdrage. Indien zij daarentegen haar leden zou vrijlaten in die keuze van een polis, dan loopt zij het risico dat bepaalde van haar leden niet zouden aansluiten of bij niet betaling van de jaarlijkse premie worden geschorst van dekking. Dit laatste werkt dan ook weer concurrentie-verstorend en strijdt met het beoogde doel om aan de rechtszoekende de zekerheid te verlenen dat de professioneel op wie hij of zij beroep doet, ook tegen zijn beroepsaansprakelijkheid is verzekerd. Hetzelfde kan mutatis mutandis gezegd worden over de ziekte- en ongevallenverzekering. Precies om de (financiële) onafhankelijkheid van de advocaat te waarborgen, is het belangrijk dat deze ook bij tijdelijke ongeschiktheid tot het presteren van arbeid toch nog over een redelijk inkomen kan beschikken. Dergelijke premies wegen ongetwijfeld zwaar voor een aantal advocaten, waarbij men in het algemeen inderdaad kan uitgaan van de premisse dat de financiële draagkracht van de advocaten met minder dienstjaren minder groot is dan hun confraters met meer jaren anciënniteit die een eigen cliënteel hebben kunnen opbouwen. De onafhankelijkheid van dergelijke advocaten zou in het gedrang komen door het betalen van premies die voor hen onevenredig hoog zijn. Dat in een beroepsvereniging de bijdrage niet per afzonderlijk lid kan worden bepaald is daarbij evident. De vaststelling van de bijdrage, in functie van het aantal jaren balie, kan dan ook worden verantwoord door de noodzaak de onafhankelijkheid van de advocaten te waarborgen. Er kan dan ook geen inbreuk op de Wet Economische Mededinging worden weerhouden.
- Waar hierboven het wettelijk karakter van de beroepsbijdragen werd aangenomen, is de tenlastelegging die eruit bestaat deze bijdragen niet te betalen ondanks rappel ook bewezen". Grieven De bestreden beslissing aanvaardt dat de wet op de economische mededinging toepasselijk is op de bijdrage die door de Raad van de Orde wordt vastgelegd en die de werkingskosten van de Orde van Advocaten overschrijdt. De bestreden beslissing aanvaardt eveneens dat de wet op de economische mededinging geschonden is door het vastleggen van een bijdrage die niet voor alle advocaten dezelfde is. De bestreden beslissing gaat na of deze schending van de wet op de economische mededinging evenwel niet te verantwoorden is vanuit de doelgebonden bevoegdheid van de Orde van Advocaten, zoals vastgelegd door artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit is niet het onderzoek waartoe de Tuchtraad van Beroep behoorde over te gaan. Het ingaan tegen de wet op de mededinging kan enkel worden verantwoord ingevolge de essentiële beginselen die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen. Deze beginselen zijn neergelegd in artikel 456 Gerechtelijk Wetboek, met name de waardigheid, de rechtschapenheid en de kiesheid. De Tuchtraad van Beroep is van oordeel dat de solidariteitsgedachte kan worden ingeschreven in de bevoegdheid door de Wetgever aan de Raad van de Orde toegekend in artikel 456 Gerechtelijk Wetboek. Door vast te stellen dat de solidariteitsgedachte ingeschreven is in artikel 456 Gerechtelijk Wetboek wordt door de Tuchtraad van Beroep een bevoegdheid aan de wettekst toegevoegd, nu voormelde 'gedachte' niet in artikel 456 Gerechtelijk Wetboek kan besloten liggen. Eenzelfde redenering geldt eveneens voor de verplichte aansluiting bij bepaalde groepspolissen. De Tuchtraad van Beroep stelt op blz. 7 van de aangevochten beslissing dat moet worden nagegaan of eventuele concurrentiebeperkende maatregelen kunnen aanvaard worden omdat die noodzakelijk zijn voor de goede uitoefening van het beroep van advocaat en een zelfde resultaat niet kan worden bereikt door een minder beperkende maatregel. Nochtans wordt door de Tuchtraad van Beroep niet nagegaan of deze concurrentiebeperkende maatregel noodzakelijk is voor de goede werking van het beroep en wordt evenmin nagegaan of hetzelfde resultaat niet met minder beperkende maatregelen kon worden bereikt. De Tuchtraad van Beroep die van oordeel was dat er een mededingingspraktijk aan de orde was en van oordeel was dat de oplossing van het geschil afhing van het geoorloofd karakter van deze praktijk behoorde ingevolge artikel 42bis van de wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging de prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Beroep te Brussel en kan zelf niet tot een dergelijk onderzoek overgaan. De appèlrechters schenden aldus artikel 42bis van de wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging. Artikel 443 van het Gerechtelijk Wetboek wordt geschonden in de mate dat er een bijdrage wordt bepaald die bestemd is om andere doeleinden te financieren dan de vervulling van de opdracht aan de Orde van Advocaten toevertrouwd door de Wetgever. De Wetgever heeft aan de Orde van Advocaten geen opdracht gegeven de solidariteitsgedachte te ontwikkelen. De artikelen 443 en 456 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 42bis van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging zijn geschonden.
- Vijfde middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ; - de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet ; - artikel 42 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een orde van architecten ; - artikel 5, ,§ 6 van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten. Aangevochten beslissing De bestreden beslissing verklaart de eerste tot de vijfde tenlasteleggingen gegrond en veroordeelt eiser tot de tuchtstraf van 1 maand schorsing, op grond van de volgende overwegingen : "(Eiser) kan niet meer steunen op het ontbreken van tuchtrechtelijke sancties in zijne hoofde. Gelet op de ernst van de weerhouden inbreuk, de periode waarover deze inbreuken zich hebben uitgestrekt en gelet ten slotte op het feit dat (eiser) ondanks herhaalde kansen tot regularisatie is blijven volharden, komt de hierna bepaalde sanctie als passend voor. Verklaart de overige tenlasteleggingen zoals bepaald in de dagvaarding bewezen en veroordeelt (eiser) tot de tuchtsanctie van één maand schorsing". Grieven 5.
- Eerste onderdeel Eiser voerde in conclusie aan dat bij het bepalen van de tuchtsanctie geen rekening kan worden gehouden met vroeger opgelopen tuchtsancties. Eiser voerde meer bepaald aan dat : "De bestreden beslissing betrekt bij de beoordeling van de op te leggen sanctie reeds vroeger door (eiser) opgelopen tuchtsancties, waarvan geen beslissingen in het dossier zijn aan te treffen zodat men zich op nota's in het dossier niet kan steunen. De vroeger opgelopen tuchtsancties noch de feiten waarvoor deze opgelegd zijn kunnen wettelijk de basis uitmaken van de sanctionering van de thans voorliggende feiten. Primo omdat men niet andermaal gesanctioneerd mag worden voor een feit of vroegere feiten waarvoor men reeds gesanctioneerd is. Secundo omdat feiten die reeds gesanctioneerd zijn, niet een tweede maal kunnen gesanctioneerd worden door het opleggen van een hogere tuchtsanctie omdát er vroeger reeds gesanctioneerd is. Vanuit dit oogpunt is de opgelegde sanctie dan ook niet wettig gemotiveerd". De bestreden beslissing steunt de strafmaat mede op het niet ontbreken van een tuchtrechtelijk verleden van eiser, zonder te antwoorden op het gevoerde verweer dat niet een tweede keer mag gesanctioneerd worden voor feiten waarvoor reeds gesanctioneerd is en dat feiten niet zwaarder mogen gesanctioneerd worden omdat vroegere andere feiten reeds gesanctioneerd zijn geworden. In die mate schendt de bestreden beslissing artikel 149 Grondwet. 5.
- Tweede onderdeel De bestreden beslissing steunt de strafmaat mede op het feit dat eiser "ondanks herhaalde kansen tot regularisatie, is blijven volharden". De strafmaat wordt met andere woorden mede gemotiveerd door het feit zelf dat eiser de tenlasteleggingen betwist heeft en verweer heeft gevoerd, in plaats van te voldoen aan de tenlasteleggingen in de zin waarin de vervolgende tuchtoverheid van oordeel was dat er aan diende voldaan te worden. In die mate wordt eiser dan ook gesanctioneerd wegens het voeren van tuchtrechtelijk verweer en wegens het laten beoordelen door een rechterlijke instantie van zijn betwistingen omtrent de ten laste gelegde feiten. Eenieder heeft nochtans recht op toegang tot een rechter en op een eerlijk proces voor het laten beslechten van zijn rechten en verplichtingen ook op tuchtrechtelijk vlak. Het uitoefenen van dit internationaal grondrecht ex artikel 6 E.V.R.M. mag geen repercussie hebben op de strafmaat op straffe van schending van artikel 6 E.V.R.M. 5.3 Derde onderdeel Eiser voerde in zijn tweede conclusie aan dat advocaten gediscrimineerd worden in vergelijking tot andere vrije beroepen, zoals architecten, accountants en belastingconsulenten in de mate advocaten geen eerherstel kunnen bekomen voor opgelopen tuchtstraffen, terwijl de andere hierboven genoemde vrije beroepen wel eerherstel kunnen bekomen. Eiser voerde meer bepaald aan dat : "Bovendien worden de advocaten in dit verband gediscrimineerd in vergelijking met andere vrije beroepen zoals architecten en accountants en belastingconsulenten. Architecten bekomen voor de 'kleine tuchtstraffen' automatisch eerherstel, terwijl zij voor de 'grote tuchtstraffen' eerherstel kunnen vragen (vgl. artikel 42 architectenwet van 26 juni 1963). Accountants en belastingconsulenten genieten van een zelfde statuut (artikel 5, ,§ 6, van de wet van 22 april 1999), terwijl deze beroepsgroepen voor een deel als rechtstreekse concurrenten van advocaten worden aanzien, minstens aanzien worden als beroepen die ook op juridisch vlak regelmatig adviezen verstrekken en aldus deels dezelfde diensten aanbieden als een advocaat (de markt van het juridisch advies is in België volledig vrij). Doordat het tuchtstatuut van een beroep, met name dat van accountants en belastingconsulenten, dat deels met het beroep van advocaat in mededinging is gunstiger is dan het tuchtstatuut van een advocaat maakt dit verschil in statuut een schending uit van het gelijkheidsbeginsel en is derhalve strijdig met de artikelen. 10 en 11 van de Grondwet nu er hiervoor geen redelijke verantwoording kan worden gevonden. Ook de nieuwe tuchtprocedure voor magistraten ingevoerd door de wet van 7 mei 1999 voorziet in de mogelijkheid van eerherstel (zie onder meer X. De Riemaecker e.a. in Statuut en deontologie van de magistraat, Die Keure 2000, p. 405) volgens diezelfde beginselen (automatisme voor kleine tuchtstraffen en vraag voor belangrijke tuchtstraffen). Overigens is niet alleen in het tuchtrecht de mogelijkheid ingeschreven om eerherstel te bekomen, dit is eveneens het geval in het strafrecht waar eerherstel, afhankelijk van de strafmaat, hetzij automatisch gebeurt hetzij op vraag van de rechtszoekende kan aangevraagd worden. Nu het Openbaar Ministerie van oordeel is dat met het tuchtverleden van (eiser) rekening mag worden gehouden verzoekt (eiser) de Raad van Beroep een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof waarvan de inhoud als volgt zou kunnen zijn : 'schendt het tuchtstatuut van de advocaat waarin geen mogelijkheid is voorzien van hetzij een automatisch eerherstel hetzij een eerherstel op aanvraag, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu er geen objectieve en redelijke verantwoording is om de advocaten op tuchtgebied van enig eerherstel uit te sluiten wanneer voor andere vrije beroepen zoals accountants en belastingconsulenten en architecten wel de mogelijkheid bestaat van een automatisch eerherstel of eerherstel op aanvraag'". De bestreden beslissing antwoordt niet op het gevoerde verweer dat met het tuchtrechterlijk verleden van eiser geen rekening kan worden gehouden om reden dat advocaten gediscrimineerd worden in vergelijking met andere vrije beroepen zoals voor architecten en accountants die automatisch eerherstel krijgen voor 'kleine tuchtstraffen' (artikel 42 Architectenwet van 26 juni 1963 en artikel 5, ,§ 6, van de wet van 22 april 1999 inzake accountants) en advocaten met deze beroepsgroepen in mededinging komen nu deze beroepen ook regelmatig op juridisch vlak adviezen verstrekken en deels dezelfde diensten aanbieden als advocaten. De appèlrechters antwoorden niet op het verweer dat in die omstandigheden de schending van artikel 10 en 11 van de Grondwet niet kan worden uitgesloten wanneer met het tuchtrechtelijk verleden van eiser rekening gehouden wordt bij de bepaling van de strafmaat. In die mate schendt de bestreden beslissing artikel 6 E.V.R.M. en artikel 149 van de Grondwet. 5.4 Vierde onderdeel De artikelen 10 en 11 van de Grondwet houden in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet beoordeeld worden met betrekking tot het doel en de gevolgen van de maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is dan ook geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Overeenkomstig artikel 42, ,§ 1, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een orde van architecten worden alle minder zware tuchtstraffen dan de schorsing na het verstrijken van een termijn van vijf jaar sedert het ondergaan van de laatste sanctie uitgewist, op voorwaarde dat het lid van de Orde in die tussentijd geen schorsing noch enigerlei nieuwe sanctie opgelopen heeft. Overeenkomstig de tweede paragraaf van deze bepaling mag ieder lid van de Orde dat een of meer tuchtstraffen heeft opgelopen, welke niet zijn uitgewist bij toepassing van ,§ 1, bij de raad van beroep een aanvraag tot eerherstel indienen. Aldus kan een architect overeenkomstig artikel 42 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een orde van architecten eerherstel bekomen. Ook accountants en belastingconsulenten kunnen eerherstel bekomen overeenkomstig artikel 5, ,§ 6, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten, dat bepaalt dat alle minder zware tuchtstraffen dan de schorsing na het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de definitieve beslissing waarbij een tuchtstraf werd uitgesproken, worden uitgewist, op voorwaarde dat het lid in die tussentijd geen schorsing noch enige nieuwe sanctie opgelopen heeft. Nu architecten, accountants en belastingconsulenten enerzijds onder bepaalde voorwaarden eerherstel kunnen bekomen, terwijl advocaten anderzijds nooit eerherstel kunnen bekomen, ontstaat een verschil in behandeling tussen twee categorieën van burgers, zonder dat hiervoor een redelijke en objectieve verantwoording bestaat (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet). Door impliciet doch zeker te beslissen dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel is op dit punt, schenden de appèlrechters de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De door eiser opgeworpen vraag betreft een vraag als bedoeld in artikel 26, ,§ 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Overeenkomstig artikel 26, ,§ 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof moet Uw Hof het Arbitragehof verzoeken over deze vraag uitspraak te doen. Eiser verzoekt Uw Hof derhalve het Arbitragehof te verzoeken uitspraak te doen over de volgende vraag 'Schendt het tuchtstatuut van de advocaat waarin geen mogelijkheid is voorzien van hetzij een automatisch eerherstel, hetzij een eerherstel op aanvraag de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu er geen objectieve en redelijke verantwoording is om de advocaten op tuchtgebied van enig eerherstel uit te sluiten wanneer voor andere vrije beroepen zoals accountants en belastingconsulenten en architecten wel de mogelijkheid bestaat van een automatisch eerherstel of een eerherstel op aanvraag'. IV. Beslissing van het Hof
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de raad van de Orde overeenkomstig artikel 457 van het Gerechtelijk Wetboek door toedoen van de stafhouder kennis neemt van de tuchtzaken, hetzij ambtshalve, hetzij op klacht, hetzij op schriftelijke aangifte door de procureur-generaal ; Dat de stafhouder optreedt als een orgaan van de Orde maar als dusdanig niet de hoedanigheid van rechter heeft ; Dat het onderdeel faalt naar recht ; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat artikel 447, ,§ 2, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 13 E.V.R.M. te dezen niet van toepassing zijn ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
- Tweede middel 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat eiser concludeerde dat de tuchtraad van beroep bij het beoordelen van de wettigheid van de bijdragen niet onpartijdig is, nu twee advocaten leden van die raad zich minstens impliciet hadden uitgesproken over de inhoud van de aangevochten norm ; Overwegende dat de bestreden beslissing oordeelt dat eiser hierin niet kan gevolgd worden, dat de assessoren van de tuchtraad van beroep in de tuchtraad geen zitting nemen als vertegenwoordigers van hun eigen orde, maar voor zich persoonlijk en dat de samenstelling van de tuchtraad geen twijfel kan doen ontstaan over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid ervan ; Dat de bestreden beslissing zodoende het verweer van eiser verwerpt en beantwoordt ; Overwegende verder dat de bestreden beslissing niet vaststelt dat "de betrokken personen immers persoonlijk stelling innamen over de wettigheid van de door eiser aangevochten norm" ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat artikel 109 van het Gerechtelijk Wetboek had moeten toegepast worden ; Dat dit artikel vreemd is aan de aangevoerde grief ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ;
- Derde middel Overwegende dat eiser niet heeft geconcludeerd over de inhoud van de begrippen waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid ; Dat de rechter bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie niet alle feitelijke gegevens dient te vermelden waarop hij zijn beslissing steunt ; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ; Overwegende dat de bestreden beslissing oordeelt dat het niet of laattijdig betalen van vervallen termijnen, daar waar aan deze wanbetaling geen enkele betwisting ten gronde ligt, ongetwijfeld de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid in het gedrang brengt ; dat deze vaststelling nog wordt versterkt door het feit dat een advocaat uit hoofde van zijn beroep permanent beschikt over gelden van derden en elk risico op vermenging principieel dient te worden vermeden ; Dat de bestreden beslissing zodoende het verweer van eiser verwerpt en beantwoordt ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat, krachtens artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek, de raad van de Orde opdracht heeft om de eer van de Orde van advocaten op te houden, de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep ten grondslag liggen, te handhaven, de inbreuken daarop en de tekortkomingen tuchtrechterlijk te beteugelen of te straffen, onverminderd het optreden van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat ; Overwegende dat de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid niet beperkt zijn uitsluitend tot de concrete kwaliteit van de dienstverlening door een advocaat ; Dat het middel in zoverre faalt naar recht ; Overwegende dat het niet tot de bevoegdheid van de raad van de Orde behoort gematigd uitstel te verlenen voor de betaling van een schuld van een advocaat aan een andere schuldeiser ; Dat het middel in zoverre het schending van artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek aanvoert, niet ontvankelijk is ;
- Vierde middel Overwegende dat de bestreden beslissing vaststelt dat moet worden nagegaan of eventuele concurrentiebeperkende maatregelen kunnen aanvaard worden omdat die noodzakelijk zijn voor de goede uitoefening van het beroep van advocaat en een zelfde resultaat niet kan worden bereikt door een minder beperkende maatregel ; Dat de tuchtraad van beroep aldus niet gehouden was de uitspraak uit te stellen en het Hof van Beroep te Brussel te raadplegen ; Dat in zoverre de aangevoerde schending van artikel 42bis van de wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging niet kan worden aangenomen ; Overwegende dat de bestreden beslissing met de in het middel weergegeven redenen het verplicht aansluiten op de collectieve polissen betreffende de beroepsaansprakelijkheid en de ziekte- en ongevallen-verzekering beoordeelt met inachtneming van de eisen van de Mededingingswet en van de regels van de deontologie ; Dat de handhaving van een zekere solidariteit tussen advocaten en de verplichte aansluiting bij groepspolissen die te dezen werden vastgesteld, konden worden beschouwd door de bestreden beslissing als behorende tot de opdrachten die de wetgever limitatief aan de Orde heeft toevertrouwd ; Dat de bestreden beslissing zodoende de artikelen 443 en 456 van het Gerechtelijk Wetboek niet schendt ; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
- Vijfde middel Eerste onderdeel Overwegende dat de bestreden beslissing het bedoelde verweer niet beantwoordt ; Dat het middel gegrond is ;
- Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt de bestreden beslissing in zoverre zij uitspraak doet over de strafmaat ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing ; Veroordeelt eiser tot 4/5 van de kosten ; veroordeelt de Staat in 1/5 van de kosten ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de tuchtraad van beroep van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Antwerpen. De kosten begroot op de som van vierhonderd drieënzeventig euro tweeënzeventig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer en Greta Bourgeois, en in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040624.13 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120405.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div