id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040624.14 Rolnummer: C.01.0588.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 543 - laatst gezien 2026-07-05 01:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het cassatieberoep gericht tegen een verstekarrest is laattijdig, mitsdien niet ontvankelijk, als het meer dan drie maanden na de betekening van dat arrest is ingesteld
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: VERZET Burgerlijke zaken Arrest op verzet Cassatieberoep Vernietiging Verstekarrest Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Voorbarig cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Voorbarig cassatieberoep Arrest op verzet Vernietiging Verstekarrest Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 24 juni 2004, AR C.01.0588.N, A.C., 2004, nr ... . Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde Verstekarrest Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: VERZET Burgerlijke zaken Arrest op verzet Cassatieberoep Vernietiging Verstekarrest Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Voorbarig cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Voorbarig cassatieberoep Arrest op verzet Vernietiging Verstekarrest Nota: C.01.0588.N. CONCLUSIE van het OPENBAAR MINISTERIE 1. Het eerste aangevochten arrest van 3 februari 2000 verklaart eiseres' verzoek tot heropening van het debat ten einde bepaalde stukken te kunnen overleggen niet ontvankelijk omdat ze niet verschenen was op de overeenkomstig de artikelen 803 en 804 Ger.W. vastgestelde terechtzitting van het hof van beroep en dus geen verschijnende partij was in de zin van art. 772 Ger.W. dat een zodanig verzoek slechts toestaat aan een verschijnende partij. Het eerste cassatiemiddel tot staving van voorziening is tegen dit arrest gericht. 2. Tegen datzelfde arrest heeft eiseres evenwel - behoudens dit cassatieberoep - eerder "verzet" aangetekend, hetwelk verzet beoordeeld werd door het eindarrest van 17 mei 2001, dat door het tweede middel tot staving van dezelfde voorziening bestreden wordt. Er is dus samenloop van twee rechtsmiddelen tegen dezelfde beslissing van 3 februari 2000: een nog niet definitief beoordeeld "verzet" (aangezien er cassatieberoep is tegen deze beoordeling) en een rechtstreeks cassatieberoep. 3. Ik ben van oordeel dat het onderzoek van dit rechtstreeks cassatieberoep niet aan de orde kan komen zolang het cassatieberoep tegen het arrest dat het "verzet" beoordeelt door het Hof niet getoetst is. Ik heb dan ook gemeend, overeenkomstig art. 1097 Ger.W., een aldus beperkte grond van niet-ontvankelijkheid van de voorziening in zoverre ze gericht is tegen het arrest van 3 februari 2000 aan de raadsman van eiseres te moeten aanzeggen, doch slechts voor het geval en in zoverre het door dezelfde voorziening bestreden arrest van 17 mei 2001 dat het rechtsmiddel tegen het arrest van 3 februari 2000 beoordeelt door het Hof zou vernietigd worden. Ik verwijs hiervoor naar oude rechtspraak van het Hof (arresten van 8 maart 1877 en 26 mei 1892) Pas., 1893, I, 37 volgens welk cassatieberoep tegen bij verstek gewezen beslissingen slechts ontvankelijk zijn wanneer zij definitief geworden zijn bij gebrek aan ontvankelijk verzet. Hier is de ontvankelijkheid van dat verzet precies het voorwerp van het tweede cassatiemiddel. Nu meen ik deze grond van niet-ontvankelijkheid te moeten handhaven omdat het arrest van 17 mei 2001, m.i., inderdaad op grond van dit tweede cassatiemiddel, waarvan minstens het tweede onderdeel moet gegrond verklaard worden, dient vernietigd te worden. 4. De voorziening tegen het arrest van 17 mei 2001. Dit tweede onderdeel heeft alleen betrekking op de beslissing dat het "verzet" (alleen wegens laattijdigheid) "hoe dan ook onontvankelijk" is, d.i. de, in de "doordat" van het middel, geciteerde grond sub 2. van het arrest. Deze beslissing stelt dat het - in de inleidende akte (de dagvaarding van 11 augustus 2000) formeel als VERZET betiteld rechtsmiddel buiten de termijn (van art. 1048 Ger.W.) is ingesteld. Slechts dan komt, m.i. de (sub. 1 door het arrest beantwoorde) vraag aan bod of deze akte inderdaad inhoudelijk een verzet kon zijn, gelet op procespositie (al dan niet "op tegenspraak") van de "opposant" in het geding dat tot de door die akte bestreden beslissing heeft geleid. Als de termijn al verstreken is wordt de inhoud zonder belang. Het arrest keert de zaken om. Het Hof kan de logica herstellen. Door eerst te antwoorden wat de termijn betreft zou het Hof toch niet meteen ook aannemen het arrest van 3 februari 2000 bij verstek tegenover eiseres werd gewezen, nu daarmee toch nog niets gezegd is over de ware aard van dat arrest, dat op zijn inhoud (nog) niet onderzocht is. De loutere omstandigheid dat een rechtsmiddel "verzet" genoemd wordt, betekent niet ipso factor dat de bestreden beslissing alleszins bij verstek gewezen is. Overigens, de omstandigheid dat de rechter zijn beslissing vonnis of arrest (geacht) op tegenspraak of bij verstek noemt, wijzigt de ware aard ervan niet (Cass., 15 dec. 1995, A.R. C.95.0108.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951215.4, nr. 554). Naar analogie kan men, m.i., dan ook zeggen dat de omstandigheid dat een rechtsmiddel een bepaalde naam draagt evenmin zijn ware aard (of die van de bestreden beslissing) wijzigt. Die aard moet dus wel degelijk inhoudelijk onderzocht worden. Het arrest van 17 mei 2001 beoordeelt trouwens sub. 2. de termijn (slechts) in zoverre het standpunt van eiseres (dat het arrest van 3 februari 2000 wat haar betreft bij verstek werd gewezen) zou gevolgd worden ... en "zegt" dus niet zelf dat dit arrest van 3 februari 2000 inderdaad een verstekarrest is. Integendeel, het "zegt", sub 1, dat het op tegenspraak is gewezen. Het tweede onderdeel voert terecht aan dat het bestreden arrest van 17 mei 2001 niet kon beslissen dat het verzet niet ontvankelijk was wegens laattijdigheid tegenover derde verweerster die het arrest van 3 februari 2000 namelijk slechts op 17 september 2001 betekende d. i. dus zelfs na dat bestreden arrest - zodat de verzetakte van 11 juli 2000 van eiseres tegenover deze derde verweerster wel degelijk tijdig was. Het tweede onderdeel is in zoverre gegrond. 5. Wat eerste en tweede verweersters betreft blijkt enerzijds dat het verzet van eiseres wel laattijdig was en anderzijds dat het arrest van 17 mei 2001 wel degelijk antwoordt op het verweer van eiseres wat een beweerde overmacht betreft. Het onderdeel kan dus niet worden aangenomen wat eerste en tweede verweerster betreft. 6. Er is dus alleen aanleiding tot cassatie op dit tweede onderdeel wat de weerhouden laattijdigheid van het verzet tegenover derde verweerster betreft. De verwijzingsrechter dient dit verzet opnieuw te beoordelen. 7. Het eerste onderdeel van dit tweede middel lijkt me niet tot een ruimere cassatie te kunnen leiden. Alleszins lijkt het me niet ontvankelijk, nu het een onderzoek vergt van zowel de processtukken die hebben geleid tot het arrest van 3 februari 2000 als van de ware aard van dit arrest ... waartegen het cassatieberoep laattijdig moet verklaard worden wat eerste en tweede verweerster betreft en voorbarig wat derde verweerster betreft, zoals moet blijken uit de hierna volgende toetsing van de voorziening op dat vlak. 8. De voorziening tegen het arrest van 3 februari 2000. Door de cassatie van het arrest van 17 mei 2001 is het verzet van eiseres tegen derde verweerster dus niet laattijdig en moet het arrest van 3 februari 2000, wat haar betreft, opnieuw beoordeeld worden, niet door het Hof, maar door zijn "natuurlijke" rechter; een hof van beroep op verwijzing. Het cassatieberoep tegen dat arrest is niet ontvankelijk, wegens laattijdigheid, wat eerste en tweede verweersters betreft, door het verstrijken van de bij artikel 1076 Ger.W. bepaalde termijn van drie maanden vanaf de dag waarop het verzet tegen de bij verstek gewezen beslissing niet meer toelaatbaar was. Door de verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van 17 mei 2001 wat eerste en tweede verweersters betreft is de beslissing van dit arrest dat het "verzet" van eiseres tegen het arrest van 3 februari 2000 ten aanzien van die verweersters laattijdig was definitief. Het arrest van 3 februari 2000 kan dus vanaf 17 mei 2001 niet meer door een "verzet" bestreden worden. Daar de voorziening in cassatie tegen het arrest van 3 februari 2000 door eiseres aan eerste en tweede verweersters betekend werd op 17 december 2001, hetzij meer dan drie maanden na 17 mei 2001, is ze laattijdig. T.a.v. derde verweerster is de voorziening voorbarig daar door de cassatie van het arrest van 17 mei 2001 het "verzet" nog toelaatbaar is en door de verwijzingsrechter dient te worden beoordeeld. Als eiseres een nieuwe beoordeling van haar "verzet" door de verwijzingsrechter naar haar zin krijgt wordt haar cassatieberoep tegen het arrest van 3 februari 2000 mogelijks zonder belang. Conclusie: vernietiging van het arrest van 17 mei 2001 in zoverre dit het verzet van eiseres tegen derde verweerster wegens laattijdigheid niet ontvankelijk verklaart en verwerping van de voorziening voor het overige. Tekst van de beslissing Nr. C.01.0588.N TRANSLINI, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 8600 Diksmuide, Woumenweg 166, ingeschreven in het handelsregister te Veurne, nummer 36.023, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. STATIONS HEITE, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 8900 Ieper, Diksmuidseweg 13, 2. HEITE PETROLEUM, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 8900 Ieper, Rozendaalstraat 50, 3. W.M., verweersters. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 3 februari 2000 en 17 mei 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 772, 804 - zoals vervangen bij artikel 33 van de wet van 3 augustus 1992 - en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaart in zijn arrest van 3 februari 2000, gewezen "zoals op tegenspraak" ten aanzien van eiseres (p. 5, bovenaan), haar verzoek tot heropening der debatten niet ontvankelijk en haar hoger beroep ongegrond, o.m. op volgende gronden : "1. Tijdens het beraad heeft (eiseres) een verzoekschrift neergelegd tot heropening der debatten. (Eiseres) verliest daarbij uit het oog dat zij geen verschijnende partij is in de zin van artikel 772 Ger. W., zodat haar verzoek niet ontvankelijk is. Wat meer is, zij legt geen enkel stuk, verre van een nieuw stuk voor om haar verzoek te staven. Uiteindelijk kan uit de enkele afwijzing van het niet ontvankelijk verzoekschrift geen schending afgeleid worden van het E.V.R.M. Het Hof heeft kennis genomen van de bestreden beschikking d.d. 19 juni 1998 van de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper waartegen (eiseres), tijdig en op regelmatige wijze, hoger beroep heeft ingesteld. (Eiseres), alhoewel daartoe regelmatig opgeroepen overeenkomstig de artikelen 803-804 Ger. W. is op de daarbij vastgestelde terechtzitting niet verschenen, noch iemand voor haar zodat (de verweersters) jegens haar terecht verstek hebben gevorderd". Grieven 1.1. Eerste onderdeel Volgens artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de "verschijnende" partij, die tijdens het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, de heropening van de debatten vragen zolang het vonnis niet is uitgesproken. Onder "verschijnende partij" wordt verstaan de partij ten aanzien van wie de rechtspleging op tegenspraak is. Luidens artikel 804, eerste lid, van hetzelfde wetboek, kan tegen de partij die niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, vonnis bij verstek worden gevorderd, maar luidens het tweede lid van dit artikel, is de rechtspleging op tegenspraak ten aanzien van de partij die is verschenen overeenkomstig artikel 728 of 729 en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd. De partij die aan deze vereisten voldoet, is bijgevolg een "verschijnende" partij die de toepassing van artikel 772 kan vragen. Het hof van beroep verklaart zelf recht te doen "zoals op tegenspraak" ten aanzien van eiseres (p. 5, bovenaan) en bevestigt in zijn arrest van 17 mei 2001 dat "het bestreden arrest (van 3 februari 2000) ook tegenover haar op tegenspraak (werd) gewezen, overeenkomstig artikel 804, alinea 2, van het Gerechtelijk Wetboek" (p. 3, bovenaan). Hieruit volgt dat het hof van beroep, door te oordelen dat eiseres "geen verschijnende partij is in de zin van artikel 772 Ger. W., zodat haar verzoek niet ontvankelijk is", zijn beslissing in het arrest van 3 februari 2000 dat eiseres' verzoek niet ontvankelijk is, niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 772, 804 - zoals vervangen bij artikel 33 van de wet van 3 augustus 1992 - en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, en van het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het recht van verdediging). 1.2. Tweede onderdeel Volgens artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de verschijnende partij, die tijdens het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, de heropening van de debatten vragen zolang het vonnis niet is uitgesproken. Eiseres verwees in haar verzoekschrift van 31 januari 2000 tot heropening der debatten naar volgende in bijlage bij dit verzoekschrift gevoegde stukken : 1. fixatiebericht dd. 23.12.1998 ; 2. brief dd. 28 mei 1997 van Mr. D.R. ; 3. brief dd. 3 februari 1998 van gerechtsdeurwaarder C.V.C. ; 4. P.V. nr. 100.126/98 dd. 26.01.1998, en riep in verband met deze stukken niet enkel het tijdens het beraad - op de zitting van 27 januari 2000 - ontdekte nieuw feit in, nl. dat de zaak reeds op 13 januari 2000 in haar afwezigheid werd gepleit en in beraad genomen, zonder voorafgaande verwittiging van haar raadsman door de raadslieden van de verweersters conform een loyale procesvoering, maar zij voerde tevens het eveneens nieuw feit aan dat de verweersters in rechte gebruik hadden gemaakt van twee stukken die aangetast waren door intellectuele valsheid, op grond : (
- a)dat zij niet in het bezit was van de brief van 28 mei 1997 waarvan de verweersters gewag maakten, (
- b)dat deze brief in strijd is met het schrijven van 28 mei 1997 waarin besluiten werden meegedeeld en waarin de verweersters zich stellig verzetten tegen gemak van betaling, (
- c)dat de brief van 3.02.1998 van gerechtsdeurwaarder C.V.C. flagrant in strijd is met de verklaring van de heer L.V.H. in P.V. nr. 100.126/98 van 26.01.1998 en (
- d)dat een en ander van overwegend belang is en de rechten van partijen kunnen wijzigen. Eiseres riep aldus wel degelijk, tot staving van haar verzoek tot heropening der debatten, nieuwe stukken én feiten van overwegend belang in die (stukken 2 en 4 en voormelde feiten) totnogtoe niet aan het hof waren overgelegd of voorgelegd. Hieruit volgt dat het hof van beroep, door te oordelen dat eiseres "geen enkel stuk, verre van een nieuw stuk" voorlegde, de bewijskracht schendt van voormeld verzoekschrift van 31 januari 2000 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en door eiseres' verzoek af te wijzen louter op voormelde grond zonder acht te slaan op de door eiseres ingeroepen nieuwe feiten niet wettig, met miskenning van eiseres' recht van verdediging (schending van het ingeroepen algemeen rechtsbeginsel), voormeld verzoek tot heropening der debatten niet ontvankelijk verklaart (schending van de artikelen 772 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; de artikelen 804, 1042, 1047 en 1048 zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 12 januari 1993 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het hof van beroep verklaart in zijn arrest van 17 mei 2001, eiseres' verzet tegen het arrest van 3 februari 2000 niet ontvankelijk op volgende gronden : "1. Nu (eiseres) in de appèlprocedure een gemotiveerde beroepsakte heeft neergelegd op 17 december 1998 én is verschenen ter zitting van 21 januari 1999, werd, nadat zij niet meer was verschenen ter terechtzitting van 13 januari 2000, het thans bestreden arrest ook tegenover haar op tegenspraak gewezen, overeenkomstig artikel 804, alinea 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzet tegen een op tegenspraak gewezen beslissing is niet ontvankelijk. 2. Het arrest van 3 februari 2000 werd betekend aan (eiseres) op 28 april 2000. De verzetsakte werd aan de diverse partijen betekend op 11 juli 2000. Zulks betekent dat, in zoverre het standpunt van (eiseres) zou worden gevolgd, met name dat het bestreden arrest, wat haar betreft, bij verstek, werd gewezen en niet op tegenspraak, dient te worden vastgesteld dat de akte-verzet werd betekend buiten de termijn, voorgeschreven door artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat in deze optiek het verzet evenzeer onontvankelijk is. Van overmacht is geen sprake. Het gegeven dat (eiseres) een cassatieadvies zou hebben afgewacht, betekent hoegenaamd niet dat (eiseres) zich in een toestand van overmacht bevond, welke haar belette tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Het verzet is derhalve hoe dan ook onontvankelijk". Grieven 2.1. Eerste onderdeel Luidens artikel 804, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan tegen de partij die niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, vonnis bij verstek worden gevorderd, maar luidens het tweede lid van dit artikel, is de rechtspleging op tegenspraak ten aanzien van de partij is verschenen overeenkomstig artikel 728 of 729 en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd. Uit de stukken van de voor het hof gevoerde rechtspleging blijkt geenszins dat eiseres ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd. Het arrest van 3 februari 2000 is derhalve ten aanzien van eiseres bij verstek gewezen, ongeacht het feit dat de appèlrechters verklaarden te haren aanzien "zoals op tegenspraak" uitspraak te doen, en eiseres kon hiertegen, conform artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek, verzet instellen. Hieruit volgt dat het hof van beroep, door eiseres' verzet tegen het arrest van 3 februari 2000 niet ontvankelijk te verklaren omdat dit arrest tegenover haar "op tegenspraak" werd gewezen, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 804, 1042 en 1047 van het Gerechtelijk Wetboek). 2.2. Tweede onderdeel Het arrest van 3 februari 2000 werd enkel door de twee eerste verweersters aan eiseres betekend op 28 april 2000 en eiseres had in haar op 15 maart 2001 ter griffie van het hof van beroep neergelegde conclusie overmacht ingeroepen omdat het hof ten onrechte zijn arrest van 3 februari 2000 "op tegenspraak" had gekwalificeerd en zij aldus "door het hof in dwaling (werd) gebracht door de verkeerde kwalificatie van het hof" (p. 2). Luidens artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, is de termijn om verzet aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis. Hieruit volgt dat het hof van beroep, in zoverre het eiseres' verzet niet ontvankelijk verklaart ten aanzien van de derde verweerster die het arrest van 3 februari 2000 eerst op 17 september 2001 liet betekenen aan eiseres wegens niet-naleving van de bij artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 1047 en 1048 van het Gerechtelijk Wetboek), en het hof, in zoverre het eiseres' verzet niet ontvankelijk verklaart ten aanzien van de overige verweersters, omdat er van overmacht geen sprake is nu het gegeven dat (eiseres) een cassatieadvies zou hebben afgewacht, (...) hoegenaamd niet (betekent) dat (eiseres) zich in een toestand van overmacht bevond, welke haar belette tijdig een rechtsmiddel aan te wenden, niet antwoordt op eiseres' conclusie en derhalve zijn beslissing niet regelmatig motiveert (schending van artikel 149 van de Grondwet). IV. Beslissing van het Hof A. Cassatieberoep gericht tegen het arrest van 17 mei 2001 : tweede middel 1. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest van 17 mei 2001 oordeelt dat de aanvoering van eiseres dat zij een cassatieadvies zou hebben afgewacht, niet betekent dat zij zich in een toestand van overmacht bevond ; dat het op grond daarvan beslist dat er geen overmacht is ; Dat het arrest met die redenen het verweer van eiseres verwerpt en beantwoordt ; Dat het onderdeel in zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert, feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat, krachtens artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, de termijn om verzet aan tekenen een maand is te rekenen van de betekening van het vonnis ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat het arrest van 3 februari 2000 op 28 april 2000 werd betekend aan eiseres ; Dat het arrest niet vaststelt op wiens verzoek de betekening van 28 april 2000 is gedaan ; Dat eiseres de "betekening-bevel" van 28 april 2000 overlegt waaruit blijkt dat die betekening niet is gedaan ten verzoeke van de derde verweerster ; Dat het arrest aldus zijn beslissing dat het verzet niet ontvankelijk is op grond van de betekening van 28 april 2000, niet naar recht verantwoordt in zoverre het verzet is gericht tegen de derde verweerster ; Dat het onderdeel in zoverre gegrond is ; 2. Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest zijn beslissing dat het verzet niet-ontvankelijk is, verantwoordt in zoverre het verzet is gericht tegen de eerste twee verweersters op grond van de zelfstandige in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde reden dat het laattijdig is ; Dat het onderdeel in zoverre het gericht is tegen de beslissing over het verzet gericht tegen de eerste twee verweersters, aldus geen belang vertoont ; Overwegende verder dat uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat het onderdeel, in zoverre het opkomt tegen de beslissing over het verzet gericht tegen de derde verweerster, geen belang vertoont ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; B. Cassatieberoep gericht tegen het arrest van 3 februari 2000 : eerste middel 1. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de eerste twee verweerders : Overwegende dat het arrest van 3 februari 2000 ten verzoeke van de eerste twee verweersters aan eiseres werd betekend op 28 april 2000 ; Dat het cassatieberoep werd ingesteld bij verzoekschrift dat ter griffie werd neergelegd op 17 december 2001, hetzij buiten de in artikel 1076 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn ; Dat het cassatieberoep in zoverre het is gericht tegen de eerste twee verweersters niet ontvankelijk is zoals door het openbaar ministerie wordt opgeworpen ; 2. Het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de derde verweerster Overwegende dat ingevolge de vernietiging van het arrest van 17 mei 2001 in zoverre het beslist over het verzet tegen het arrest van 3 februari 2000, het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk is zoals door het openbaar ministerie wordt opgeworpen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest van 17 mei 2001 in zoverre dit het tegen de derde verweerster gericht verzet van eiseres niet ontvankelijk verklaart ; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige ; Veroordeelt eiseres in drie vierde van de kosten ; Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten begroot op de som van vierhonderd zevenennegentig euro negenenzeventig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040624.14 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.6 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090130.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951215.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div