← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040824.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040824.2 Rolnummer: P.04.1211.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 602 - laatst gezien 2026-07-04 16:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De afstand van het cassatieberoep die op een verkeerde premisse van de vroegtijdigheid van het cassatieberoep berust kan niet worden ingewilligd

(1).
(1)Cass., 8 dec. 1992, AR 6639, nr 776. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Afstand - Strafvordering Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Afstand - Strafvordering Verkeerde premisse van de vroegtijdigheid van het cassatieberoep Fiche 2 De betekening waarvan sprake in art. 18, ,§ 1, Wet 19 dec. 2003 heeft geen ander doel dan de termijn van het cassatieberoep te doen ingaan
(1); de betrokken persoon kan cassatieberoep aantekenen vanaf de dag van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling tot de dag na de betekening van het arrest
(2). (Impliciete oplossing).
(1)Zie Cass., 29 juli 1997, AR P.97.1045.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970729.5, nr 320.
(2)Zie R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Maklu 1999, nr 938. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: UITLEVERING Europees aanhoudingsbevel Tenuitvoerlegging in België Beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling Betekening Doel Cassatieberoep Fiches 3 - 4 Door de omzetting in hun nationale wetgeving van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 hebben België en Luxemburg zich deels teruggetrokken uit het Benelux-verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken; de eenparige goedkeuring van het Kaderbesluit door de lidstaten houdt een raadpleging in in de zin van art. 54, b, van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969
(1).
(1)Hetzelfde geldt in de verhouding met Nederland. Luidens art. 74 van de Nederlandse wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, in werking getreden op 12 mei 2004, komt deze wet in de plaats van onder meer "afdeling I, en voor zover van toepassing, afdeling III van het op 27 juni 1962 te Brussel tot stand gekomen Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden". Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN Verdragenrecht Beëindiging van een verdrag Overeenstemming na raadpleging Toepassing Thesaurus CAS: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Vrije woorden: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Benelux-Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken Beëindiging Grondslag Fiches 5 - 6 Art. 5.1, Benelux-verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, luidens hetwelk de verdragsluitende partijen hun onderdanen niet uitleveren, is niet toepasselijk op een door het Groothertogdom Luxemburg uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel dat onder de bepalingen valt van de wet van 19 dec. 2003
(1).
(1)B. Dejemeppe, "La loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen", J.T. 2004,
(112), 113. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: UITLEVERING Europees aanhoudingsbevel Tenuitvoerlegging in België Betrokken persoon van Belgische nationaliteit Artikel 5.1, Benelux-verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken Toepasselijkheid Thesaurus CAS: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Vrije woorden: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Benelux-Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken Artikel 5.1 Europees aanhoudingsbevel Tenuitvoerlegging in België Betrokken persoon van Belgische nationaliteit Toepasselijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.04.1211.N I. R. D., eiser, beklaagde, II. R. D., reeds vermeld, eiser, beklaagde, telkens vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 9 augustus 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Dit middel is gesteld als volgt: Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 167, ,§2, van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet; - artikelen 1, 5.1 en 49.3 tot 49.6 van het Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, goedgekeurd bij wet van 1 juni 1964; - artikel 44, ,§1, en voor zoveel als nodig ,§3 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel; - artikelen 54, 59, 60 en 64 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht, goedgekeurd bij wet van 10 juni 1992, houdende goedkeuring van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, en van de Bijlage, opgemaakt te Wenen op 23 mei 1969; - artikelen 29, eerste lid, 31.1.b en 34.2.b van de geconsolideerde versie van het Verdrag van 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie (PB. C 325 van 24 december 2002); - artikel 31.1 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de Lid-Staten (PB. L 190 van 18 juli 2002). Bestreden beslissing De kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel (vakantiekamer - sectie II) beveelt in het arrest van 9 augustus 2004 de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel van 8 juni 2004 jegens eiser, zegt dat hij niet mag worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander voor de overlevering begaan strafbaar feit dan dat welk de reden voor de overlevering is geweest en zegt dat de overlevering afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat eiser, na te zijn berecht, naar België moet worden teruggezonden teneinde hier de straf of veiligheidsmaatregel te ondergaan die tegen hem in de uitvaardigende staat zou worden uitgesproken. Het hof van beroep, kamer van inbeschuldigingstelling, grondt zijn beslissing onder meer op volgende motieven (arrest p. 2): "Wat betreft de toepassing van het Beneluxverdrag van 27 juni 1962: Overwegende dat de Kaderbesluiten van de Europese Unie zich opdringen aan de Verdragsluitende Staten, die in toepassing van artikel 34.2.c van het Verdrag houdende de Europese Unie, verplicht zijn de bepalingen van de kaderbesluiten te implementeren in hun nationale wetgeving (...); Dat deze implementatie is gebeurd bij wet van 19 december 2003 en dat overeenkomstig artikel 44, ,§3, van deze wet de wet van 15 maart 1874 (wet op de uitleveringen) en de bestaande instrumenten op het vlak van uitlevering enkel blijven gelden tussen lidstaten die het Kaderbesluit 2002/584/JBZ niet zouden hebben omgezet; Overwegende dat zowel België als Luxemburg voornoemd Kaderbesluit in hun nationale wetgeving hebben geimplementeerd, zodat tussen deze twee landen het Beneluxverdrag, voor zover het betrekking heeft op de uitlevering, niet meer van kracht is; Overwegende dat de bestreden beschikking dan ook ten onrechte de niet-uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel heeft gebaseerd op'het nog steeds van toepassing zijnde artikel 5.1 van het Beneluxuitleveringsverdrag'; Overwegende dat geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dient gesteld te worden; dat vooreerst de termijn binnen dewelke het hof uitspraak dient te doen het stellen van een prejudiciële vraag uitsluit; dat vervolgens de prejudiciële vraag niet ter zake dienend is, om reden dat de andersluidende verdragsrechtelijke bepalingen duidelijk niet meer van kracht zijn". Grieven Het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, stelde vast dat op 8 juni 2004 een Europees aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd door de onderzoeksrechter te Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg) lastens eiser die de Belgische nationaliteit bezit. Op 27 juni 1962 sloten het Koninkrijk België, het Groot-Hertogdom Luxemburg en het Koninkrijk Nederland een verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken. Dit verdrag werd goedgekeurd bij wet van 1 juni 1964 en trad in werking op 11 december 1967. Luidens artikel 5.1 van dit Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het GrootHertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, leveren de Hoge Verdragsluitende Partijen hun onderdanen niet uit. Zoals door eiser in conclusie aangevoerd (p. 2), diende de uitlevering van eiser, van Belgische nationaliteit, aan het Groot-Hertogdom Luxemburg, dan ook overeenkomstig dit artikel 5.1 van het Beneluxverdrag van 27 juni 1962 te worden geweigerd. Het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, oordeelde dat het genoemde artikel 5.1 niet (meer) van toepassing was. Eerste onderdeel Luidens artikel 1 van genoemd Beneluxverdrag van 27 juni 1962 verbinden de Hoge Verdragsluitende Partijen zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, waaronder genoemd artikel 5.1, elkander wederzijds de personen uit te leveren die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden ter zake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerleging van een straf of maatregel. Onder afdeling 3 van Deel V van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht, goedgekeurd bij wet van 10 juni 1992 houdende goedkeuring van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht en van de Bijlage, wordt onder meer de wijze van beëindiging van verdragen geregeld. Zo bepaalt artikel 54 van dit Verdrag van 23 mei 1969 dat de beëindiging van een verdrag kan plaatsvinden
  1. a)overeenkomstig de bepalingen van het verdrag of
  2. b)te allen tijde door overeenstemming tussen alle partijen na raadpleging van de andere verdragsluitende Staten. Overeenkomstig artikel 49.3 van het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962 kan elk van de Hoge Verdragsluitende Partijen te allen tijde het verdrag opzeggen. Luidens artikel 49.4 van hetzelfde verdrag, geschiedt de opzegging door daarvan mededeling te doen aan de twee andere Hoge Verdragsluitende partijen en krijgt ze rechtskracht zes maanden nadat ze is meegedeeld. Zoals door eiser in conclusie (p. 2) aangevoerd en door het hof van beroep niet ontkend, is het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962 nog niet opgezegd door partijen. Het hof van beroep stelde evenmin vast, noch kon vaststellen dat, na raadpleging van de andere verdragsluitende Staten, er overeenstemming was tussen alle partijen nopens de beëindiging van het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962. Dergelijke overeenstemming tussen alle partijen nopens de beëindiging van het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962 kon alleszins niet wettig worden afgeleid uit de implementatie, door België en Luxemburg van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genomen door de Europese Raad van Ministers op 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB. L 190, van 18 juli 2002). Het hof van beroep stelde immers niet vast dat de (betwiste) overeenstemming zou zijn bereikt na raadpleging van de andere verdragsluitende Staten, zoals vereist door artikel 54 van het genoemde Verdrag van 23 mei 1969, noch stelde het hof van beroep vast dat ook het Koninkrijk der Nederlanden zijn instemming zou hebben geuit nopens een beëindiging van het genoemde Beneluxverdrag en volstaat een akkoord tussen bepaalde, doch niet alle, partijen van het verdrag nopens de beëindiging van het verdrag niet. Verder bepaalt artikel 59 van het genoemde Verdrag van 23 mei 1969 dat een verdrag als beëindigd wordt beschouwd wanneer alle partijen bij dit verdrag een later verdrag sluiten betreffende hetzelfde onderwerp en
  3. a)uit het latere verdrag blijkt of anderszins vaststaat dat het de bedoeling van de partijen is de materie door dit verdrag te regelen, of
  4. b)de bepalingen van het later verdrag dermate onverenigbaar zijn met die van het eerdere verdrag, dat het onmogelijk is de beide verdragen tegelijkertijd toe te passen. Het hof van beroep stelde niet vast, noch kon vaststellen, dat de Verdragsluitende Partijen (bij het genoemd verdrag van 27 juni 1962) later een nieuw verdrag sloten waarbij het hun bedoeling was dezelfde materie door dit verdrag te regelen of waarvan de bepalingen onverenigbaar zouden zijn met het Beneluxverdrag van 27 juni 1962. Verder maakt artikel 60 van het Verdrag van 23 mei 1969 het in bepaalde gevallen mogelijk de beëindiging van een verdrag te bekomen ten gevolge van de schending van het verdrag door één van de partijen. Het hof van beroep stelde niet vast, noch kon het vaststellen, dat het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962 zou zijn beëindigd ten gevolge van een schending van het verdrag door één der partijen, zoals onder strikte voorwaarden voorzien in artikel 60 van het genoemde Verdrag van 23 mei 1969. Tenslotte bepaalt artikel 64 van het Verdrag van 23 mei 1969 dat ingeval van een nieuwe dwingende norm van algemeen volkenrecht (het zogenaamd jus cogens), elk bestaand verdrag dat in strijd is met deze norm nietig wordt en eindigt. Het hof van beroep stelde niet vast, noch kon het vaststellen dat het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962 strijdig was met een nieuwe dwingende norm van algemeen volkenrecht. Hieraan doet geen afbreuk de omstandigheid dat luidens artikel 44, ,§1, van de Wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel deze wet van toepassing is op de aanhouding en de overlevering van een gezochte persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel tussen België en de andere lidstaten van de Europese Unie vanaf 1 januari 2004 en dat luidens de derde paragraaf van dezelfde bepaling slechts in het kader van betrekkingen met de lid-Staten die het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lid-Staten niet hebben omgezet, de wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen of de bestaande instrumenten op het stuk van de uitlevering van toepassing blijven. Zelfs wanneer de bij artikel 167, ,§2, van de gecoördineerde Grondwet vereiste instemming met een verdrag gegeven wordt in de vorm van een wet, vervult de wetgevende macht bij het verrichten van deze handeling geen rechtscheppende taak; het conflict tussen een rechtsnorm vastgesteld bij een internationaal verdrag en een norm vastgesteld bij een latere wet is dus geen conflict tussen twee wetten; de regel volgens welke een wet de vroegere wet opheft in zover zij haar tegenspreekt, vindt geen toepassing wanneer er een conflict is tussen een verdrag en een wet; wanneer het conflict bestaat tussen een internrechtelijke norm en een internationaalrechtelijke norm die, zoals te dezen, rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde, moet de door het verdrag bepaalde regel voorgaan; deze voorrang volgt uit de aard zelf van het bij verdrag bepaald internationaal recht. De kamer van inbeschuldigingstelling bij het Hof van Beroep te Brussel kon dan ook niet wettig oordelen dat "de bestreden beschikking (..) ten onrechte de niet-uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel heeft gebaseerd op 'het nog steeds van toepassing zijnde artikel 5.1 van het Beneluxuitleveringsverdrag' ". Het hof van beroep miskent derhalve alle in het onderdeel aangehaalde wetsbepalingen. Tweede onderdeel In zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel zich in de bestreden beslissing beroept op het Kaderbesluit (2002/584/JBZ) van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB. L 190 van 18 juli 2002), en de hieraan gegeven implementaties door het Koninkrijk België en het Groot-Hertogdom Luxemburg, afgezien van het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962, is de beslissing niet wettig gerechtvaardigd. Overeenkomstig artikel 34.2 van de geconsolideerde versie van het Verdrag van 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie (PB. C 325 van 24 december 2002), neemt de Raad, zoals omschreven in artikel 4 van dit Verdrag, maatregelen en bevordert de samenwerking, in een passende vorm en volgens passende procedures zoals bepaald in deze titel, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie en kan daartoe met eenparigheid van stemmen op initiatief van elke Lid-Staat of van de Commisie ...
  5. b)kaderbesluiten aannemen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten. Deze kaderbesluiten zijn verbindend voor de Lid-Staten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen rechtstreekse werking. Zoals door eiser in conclusie voor het Hof van Beroep te Brussel aangevoerd (p. 3) genieten kaderbesluiten derhalve geen rechtstreekse werking. Men kan zich derhalve niet op een kaderbesluit beroepen om de werking van een rechtsgeldig gesloten en van kracht zijnde verdrag uit te sluiten. Bovendien weze vastgesteld dat luidens artikel 31.1 van genoemd Kaderbesluit 2002/584/JBZ de bepalingen van dit kaderbesluit per 1 januari 2004 in de plaats komen van de overeenkomstige bepalingen van de terzake van uitlevering toepasselijke verdragen in de betrekkingen tussen de Lid-Staten, nader genoemd sub literae a tot e, waartoe het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962 niet behoort. Het genoemde kaderbesluit sluit derhalve zelf de verdere werking van het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962 niet uit. Tenslotte weze vastgesteld dat, zoals door eiser in conclusie voor het Hof van Beroep te Brussel aangevoerd, het betreffende Kaderbesluit 2002/584/JBZ genomen werd in uitvoering van artikel 31.1 van de genoemde geconsolideerde versie van het Verdrag van 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie, luidens hetwelk het gezamenlijk optreden inzake justitiële samenwerking in strafzaken, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid van dit verdrag, omvat ...
  6. b)het vergemakkelijken van uitlevering tussen Lid-Staten. Het "vergemakkelijken van uitlevering tussen Lid-Staten" biedt niet de mogelijkheid bestaande verbodsbepalingen inzake uitlevering, die gelden tussen lidstaten onderling, op te heffen. Het vergemakkelijken van uitleveringen veronderstelt dat er al een uitlevering mogelijk is tussen de lidstaten en dat de toepassing ervan eenvoudiger of minder moeilijk wordt gemaakt. De kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel kon dienvolgens niet wettig oordelen dat ingevolge het genoemde kaderbesluit 2002/584/JBZ en de hieraan gegeven implementaties door het Koninkrijk België en het Groot-Hertogdom Luxemburg, het genoemde Beneluxverdrag van 27 juni 1962 niet van toepassing zou zijn en schendt dienvolgens alle in dit onderdeel vermelde wetsbepalingen: IV. Beslissing van het Hof A. Afstanden van het cassatieberoep Overwegende dat Mr. Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, na-mens eiser afstand zonder berusting doet van het op 9 augustus 2004 ingestelde cassatieberoep in zoverre dit voorbarig zou zijn omdat het werd ingesteld voo-raleer de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling hem reeds was betekend; dat Mr. Geinger namens eiser eveneens afstand doet van het op 11 augustus 2004 ingestelde cassatieberoep omdat dit berustte op de onjuiste ve-ronderstelling dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling hem werd betekend op 10 augustus 2004; Overwegende dat artikel 17, ,§ 5, van de Wet van 19 december 2003 be-treffende het Europees aanhoudingsbevel onder meer bepaalt: "De beslissing omtrent het beroep wordt onverwijld medegedeeld aan de pro-cureur-generaal en binnen vierentwintig uur betekend aan de betrokken per-soon"; Dat artikel 18, ,§ 1, van de vermelde wet bepaalt: "Het openbaar ministerie en de betrokken persoon kunnen tegen de beslissing omtrent het beroep cassatieberoep instellen binnen een termijn van vierentwin-tig uur, die ten aanzien van het openbaar ministerie begint te lopen op de dag waarop de beslissing is genomen en ten aanzien van de betrokken persoon op de dag waarop zij hem wordt betekend"; Overwegende dat het vermelde artikel 18, ,§ 1, niet in enige nietigheid of sanctie voorziet; dat dit vormvereiste geen ander doel heeft dan de termijn van het cassatieberoep te doen ingaan; Overwegende dat er geen grond is om de afstand van het eerste cassatieberoep in te willigen; dat de afstand van het tweede cassatieberoep moet worden ingewilligd; B. Onderzoek van het middel in zijn geheel Overwegende dat artikel 54 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het Verdragenrecht, goedgekeurd bij wet van 10 juni 1992, bepaalt: "Beëindiging van een verdrag of het zich terugtrekken kan plaatsvinden:
  7. a)(...)
  8. b)te allen tijde door overeenstemming tussen alle partijen na raadpleging van de andere Verdragsluitende Staten"; Overwegende dat artikel 31 van de geconsolideerde versie van het Verdrag van 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie, goedgekeurd bij wet van 26 november 1992, die voor alle lidstaten, waaronder België, Luxemburg en Nederland verbindend is, de Europese Gemeenschap de bevoegdheid verleent om gezamenlijk op te treden inzake de justitiële samenwerking in strafzaken betreffende onder meer: "
  9. a)het vergemakkelijken en bespoedigen van de samenwerking tussen de bevoegde ministeries en de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de Lid-Staten, onder andere wanneer dat dienstig is via Eurojust, met betrekking tot procedures en tenuitvoerlegging van beslissingen;
  10. b)het vergemakkelijken van uitlevering tussen de Lid-Staten"; Dat krachtens artikel 34.2.b van het vermelde verdrag, de Raad van de Europese Gemeenschap, met éénparigheid van stemmen op initiatief van elke lidstaat of van de Commissie, kaderbesluiten aanneemt voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten; dat het artikel verder bepaalt dat die kaderbesluiten verbindend zijn voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen, en, ten slotte, dat deze kaderbesluiten geen rechtstreekse werking hebben; Overwegende dat artikel 32 van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten bepaalt: "Vóór 1 januari 2004 ontvangen uitleveringsverzoeken worden verder beheerst door de bestaande instrumenten betreffende uitlevering. Na 1 januari 2004 ontvangen verzoeken vallen onder de bepalingen die de lidstaten in overeenstemming met dit kaderbesluit aannemen. Elke lidstaat kan evenwel op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit door de Raad verklaren dat hij als uitvoerende staat verzoeken betreffende feiten die zijn gepleegd voor een door hem bepaalde datum zal behandelen overeenkomstig de vóór 1 januari 2004 geldende uitleveringsregeling. De bedoelde datum mag niet later vallen dan 7 augustus 2002. De verklaring wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken"; Overwegende dat de eenparige goedkeuring door de lidstaten van de Europese Unie van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 een raadpleging inhoudt in de zin van artikel 54, b, van het Verdrag van Wenen; Overwegende dat België en Luxemburg het Europees aanhoudingsbevel in hun nationale wetgeving hebben omgezet: België bij wet van 19 december 2003, in werking getreden op 1 januari 2004, en Luxemburg bij wet van 17 maart 2004, in werking getreden op 26 maart 2004, wat Luxemburg betreft evenwel onder voorbehoud van wat is bepaald in artikel 10.4 van de Luxemburgse wet; Overwegende dat België en Luxemburg als lidstaten van de Europese Unie, door de omzetting in hun nationale wetgeving van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002, zich overeenkomstig artikel 54, b, van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 hebben teruggetrokken uit het tussen hen gesloten Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, in zoverre dat verdrag betrekking heeft op de uitlevering, onder voorbehoud evenwel van wat is bepaald in artikel 10.4 van de Luxemburgse wet; Overwegende dat enerzijds het arrest derhalve niet moest vaststellen dat Nederland het vermelde Kaderbesluit in zijn nationale wet heeft omgezet bij wet van 29 april 2004, in werking getreden op 12 mei 2004; dat anderzijds het arrest op het Luxemburgse Europees aanhoudingsbevel van 8 juni 2004 terecht geen toepassing meer maakt van het artikel 5.1 van het vernoemde Beneluxuitleveringsverdrag dat de uitlevering van eigen onderdanen uitsluit; Dat het middel niet kan worden aangenomen; C. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep ingesteld op 11 augustus 2004; Verwerpt het cassatieberoep ingesteld op 9 augustus 2004; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van drieënnegentig euro vijfentwintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Luc Huybrechts, Chris-tian Storck, Albert Fettweis, Sylviane Velu, en uitgesproken in openbare te-rechtzitting van vierentwintig augustus tweeduizend en vier, door afdeling-svoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040824.2 Gerelateerde publicatie(
  11. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970729.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041208.16 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.23 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050406.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080527.14 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.