id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.2 Rolnummer: F.02.0050.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 460 - laatst gezien 2026-07-04 14:10 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien de belastingplichtige nalaat roerende inkomsten, waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden, op te nemen in de aangifte in de personenbelasting, worden deze inkomsten afzonderlijk belast, tenzij globalisatie voordeliger is, hetgeen voor gevolg heeft dat deze inkomsten ook onderworpen zijn aan de bijzondere heffing op de hoge roerende inkomsten
(1).
(1)Zie Cass., 1 juni 1995, AR nr F.94.0138.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950601.9, A.C., 1995, nr 275; Cass., 3 sept. 2004, AR nr F.03.0047.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.3, www.cass.be. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Inkomsten waarop de roerende voorheffing niet werd ingehouden Verplichting tot aangifte Verzuim Wettelijke bepalingen: Wet - 28-12-1983 - Art.42 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Niet ingehouden voorheffing Verplichting tot aangifte Verzuim Wettelijke bepalingen: Wet - 28-12-1983 - Art.42 Tekst van de beslissing Nr. F.02.0050.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen te Gent, wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Savaanstraat 11, bus 1, eiser, tegen
- D. M.,
- B. A., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Marc De Sutter, advocaat bij de balie te Gent, kantoor houdende te 9850 Nevele, Stationsstraat
- I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 april 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 220bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (afgekort W.I.B.) ; &§9472; artikel 42 van de wet van 28 december 1993 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (B.S. 30 december 1983) zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1987). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt dat de grondslag voor de bijzondere heffing voor aanslagjaar 1987 de som van 29.893,08 euro (= 1.205.884 BEF) bedroeg hetzij meer dan 27.516,18 euro (= 1.110.000 BEF) en oordeelt dat alleen reeds op grond van de uitspraak van het Arbitragehof van 7 december 1999 dit de nietigheid van de aanslag voor gevolg heeft. Het hof stelt dat bovendien moet worden onderzocht of artikel 42 van de wet van 28 december 1983 van toepassing is op de roerende inkomsten Parisis. Het hof stelt dat : - artikel 42, ,§1, van de wet van 28 december 1983 bepaalt dat de bijzondere heffing slechts verschuldigd was in geval van toepassing van artikel 93, ,§1, 1°bis en 5°, W.I.B. ; - daaruit volgt dat de bijzondere heffing enkel en alleen kan worden geheven in geval van toepassing van artikel 93, ,§1, 1°bis en 5°, W.I.B., d.w.z. wanneer de roerende inkomsten afzonderlijk werden belast en dus werden aangegeven in de personenbelasting ; - de gegenereerde roerende inkomsten onder artikel 11, 3°, c W.I.B. vallen welke inkomsten onder artikel 220bis W.I.B. werden opgenomen ; - de roerende inkomsten uit Parisis onder het regime van de facultatieve aangifte vallen (artikel 220bis W.I.B.) en derhalve niet onderworpen zijn aan de personenbelasting doch enkel aan de roerende voorheffing zoals bepaald in artikel 174 W.I.B. en zij evenmin het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke aanslag in de personenbelasting als bedoeld in artikel 93, ,§1, 1°bis en 5°, W.I.B. ; - de wetgever deze lacune heeft opgevangen door artikel 42, ,§1, te wijzigen bij artikel 38 van de wet van 7 december 1988 waarbij artikel 42, ,§1, aangepast werd als volgt : "In geval van toepassing van artikel 93, ,§ 1, 1°bis en 5°, of artikel 220bis, eerste en tweede lid" ; - het Hof van Cassatie in zijn arrest van 17 februari 2000 uitdrukkelijk heeft gesteld dat artikel 38 van de wet van 7 december 1998 geen interpretatieve wet is zodat artikel 42, ,§1, in zijn nieuwe versie slechts van toepassing is vanaf het aanslagjaar 1990, en beslist dat : - uit wat voorafgaat volgt dat het alsdan toepasselijke artikel 42, ,§1, van de wet van 28 december 1983 niet toepasselijk was nu de roerende inkomsten uit Parisis in toepassing van het toenmalige artikel 220bis W.I.B. niet dienden te worden aangegeven ; - de betwiste aanslag niet alleen strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel doch bovendien op onwettige basis werd gevestigd zodat deze aanslag in zijn geheel moet worden vernietigd. Grieven Artikel 220bis zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1985, 1986 en 1987 stelt in zijn eerste lid het volgende : "De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen zijn niet gehouden in hun jaarlijkse aangifte in die belasting te vermelden : a) de in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, bedoelde inkomsten met uitsluiting van die bedoeld in artikel 93, ,§1, 1°bis, a tot c ; b) de in de artikelen 11, 4°, en 67, 5°, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong die langs een in België gevestigd tussenpersoon zijn geïnd of verkregen". Artikel 220bis, tweede lid, W.I.B. voegt daar het volgende aan toe : "Voor degenen die van die mogelijkheid gebruik maken is de roerende voorheffing definitief door de Schatkist verworven". Nu overeenkomstig artikel 164, eerste lid, 3°, W.I.B. roerende voorheffing verschuldigd is op de inkomsten beoogd in artikel 11, 3°, en krachtens artikel 165 W.I.B. die voorheffing moet worden ingehouden op de belastbare inkomsten, niettegenstaande elk hiermee strijdig beding, kan artikel 220bis, 2e lid, W.I.B. enkel betekenen dat de niet-aangifte van de roerende inkomsten in de personenbelasting slechts mogelijk is wanneer er effectief roerende voorheffing werd ingehouden op de roerende inkomsten. Het bestreden arrest beroept zich voor de niet toepasselijkheid van artikel 42, ,§1, van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen ten onrechte op de bevrijdende werking van de roerende voorheffing zoals bedoeld in artikel 220bis W.I.B. daar het arrest niet tegenspreekt dat de roerende voorheffing nooit door de Schatkist werd verworven. Toekomstige verweerders waren verplicht de roerende inkomsten aan te geven in hun aangifte in de personenbelasting wanneer geen roerende voorheffing werd ingehouden op de door hen ontvangen roerende inkomsten. Door de niet aangifte van deze roerende inkomsten heeft de belastingplichtige ten onrechte de toepassing van artikel 93, ,§1, 1°bis en 5°, W.I.B. buiten werking gesteld. Hieruit volgt dat het bestreden arrest door te beslissen dat artikel 42, ,§1, van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen niet toepasselijk was aangezien de roerende inkomsten uit Parisis onder het stelsel van de facultatieve aangifte vallen en derhalve niet onderworpen zijn aan de personenbelasting en dus niet het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke aanslag in de personenbelasting als bedoeld in artikel 93, ,§1, 1°bis en 5°, W.I.B., artikel 220bis W.I.B. en artikel 42, ,§1, van de wet van 28 december 1983 schendt. IV. Beslissing van het Hof
- Enig middel Overwegende dat uit het arrest blijkt dat geen roerende voorheffing werd ingehouden ; Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 212, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), belastingplichtigen die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, zomede belastingplichtigen die ingevolge de artikelen 48, eerste lid, 149 en 149bis, eerste lid, aan de belasting der niet-verblijfhouders zijn onderworpen, gehouden zijn ieder jaar aan de Administratie der directe belastingen een aangifte over te leggen in de vormen en de termijnen omschreven in de artikelen 214 tot 218 ; Dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 164, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), roerende voorheffing verschuldigd is door de vennootschappen, instellingen, bankiers, notarissen, wisselagenten, rentmeesters, zaakvoerders en andere personen die de in artikel 11, 3°, en 4°, bedoelde inkomsten betalen of verschuldigd zijn ; Dat, krachtens artikel 165 van hetzelfde wetboek, de in artikel 164, eerste lid, vermelde belastingschuldigen op de belastbare inkomsten de voorheffing moeten inhouden, niettegenstaande elk hiermee strijdig beding ; Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 220bis, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen niet gehouden zijn in hun jaarlijkse aangifte in die belasting te vermelden :
- a)de in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, bedoelde inkomsten met uitsluiting van die bedoeld in artikel 93, ,§1, 1°bis, a tot c ;
- b)de in de artikelen 11, 4°, en 67, 5°, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong die langs een in België gevestigde tussenpersoon zijn geïnd of verkregen ; Dat, krachtens het tweede lid van die bepaling, voor diegenen die van die mogelijkheid gebruik maken, de roerende voorheffing definitief door de Schatkist verworven is ; Dat, krachtens het derde lid van die bepaling, voor diegenen die van de mogelijkheid geen gebruik maken, de belasting met betrekking tot de vrij aangegeven inkomsten, vastgesteld wordt zoals is bepaald in artikel 93, ,§1, 5°, tenzij de aldus vastgestelde belasting vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten hoger is dan die welke volgt uit de toepassing van de artikelen 77 tot 91 op het geheel van de belastbare inkomsten ; Overwegende dat uit de samenhang van die wetsbepalingen volgt dat de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen derhalve niet meer verplicht zijn hun roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard in hun jaarlijkse aangifte in die belasting te vermelden op voorwaarde dat het gaat om inkomsten waarop de roerende voorheffing werd ingehouden aan de bron ; Dat indien de roerende voorheffing niet werd ingehouden, de aangifte verplicht is voor de belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de personenbelasting ; Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 42, ,§1, eerste lid, van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, ingeval van toepassing van artikel 93, ,§1, 1°bis en 5°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), er uitsluitend in het voordeel van de Staat, een met de personenbelasting gelijkgestelde bijzondere heffing gevestigd wordt ten name van de aan die belasting onderworpen belastingplichtigen van wie het nettobedrag van de inkomsten uit roerende goederen en kapitalen als bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), vermeerderd met het nettobedrag van de inkomsten als bedoeld in artikel 67, 4° tot 6°, van hetzelfde wetboek, hoger is dan 27.516,18 euro (1.110.000 BEF) ; Overwegende dat indien de belastingplichtige nalaat roerende inkomsten, waarop geen roerende voorheffing werd ingehouden, op te nemen in de aangifte, de Administratie de aanslag ambtshalve kan vestigen op grond van artikel 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964); Dat de roerende inkomsten alsdan belast worden zoals bepaald in artikel 93, ,§1, 1°bis of 5°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), tenzij globalisatie voordeliger is ; dat de toepassing van deze wetsbepaling ertoe leidt dat in dat geval de bijzondere heffing bedoeld in artikel 42, ,§1, van de voornoemde wet verschuldigd is ; Overwegende dat de appèlrechters, door te beslissen dat artikel 42, ,§1 van de wet van 28 december 1983 niet toepasselijk is om reden "dat de roerende inkomsten uit Parisis derhalve onder het regime van de facultatieve aangifte vallen (artikel 220bis Wetboek van de Inkomstenbelastingen) en derhalve niet onderworpen zijn aan de personenbelasting", artikel 220bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)en artikel 42, ,§1 van de voornoemde wet van 28 december 1983 schenden ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de aanslag voor aanslagjaar 1987 teniet doet met betrekking tot de roerende inkomsten waarvan het bedrag de grens van 27.516,18 euro (1.110.000 BEF) overschrijdt ; Beveelt dat van dit arrest melding zal gemaakt worden op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Luc Huybrechts, Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van drie september tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950601.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div