← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.3 Rolnummer: F.03.0047.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 456 - laatst gezien 2026-07-04 11:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 220bis W.I.B.

(1964)volgt dat de belastingplichtigen die aan de personenbelasting zijn onderworpen, niet meer verplicht zijn hun roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard in hun jaarlijkse aangifte in die belasting te vermelden, op voorwaarde dat het gaat om inkomsten waarop de roerende voorheffing is ingehouden; zulks impliceert dat de belastingplichtigen zich niet op de bevrijdende werking van de roerende voorheffing als bedoeld in die bepaling kunnen beroepen wanneer op de door hen genoten inkomsten geen roerende voorheffing is ingehouden, zodat zij verder de verplichting hebben die inkomsten op te geven in hun aangifte in de personenbelasting
(1).
(1)Zie Cass., 1 juni 1995, AR nr F.94.0138.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950601.9, A.C., 1995, nr 275; Cass., 3 sept. 2004, AR nr F.02.0050.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.2, www.cass.be. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Inkomsten waarop de roerende voorheffing niet werd ingehouden Verplichting tot aangifte Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 26-02-1964 - Art.220bis Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Bevrijdende werking Niet ingehouden voorheffing Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 26-02-1964 - Art.220bis Tekst van de beslissing Nr. F.03.0047.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Gent, wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Savaanstraat 11, bus 1, eiser, tegen 1. M. R., 2. D. W. D., verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 220bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (afgekort W.I.B.) zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1986. Aangevochten beslissingen Na te hebben vastgesteld dat de kwestieuze roerende inkomsten door de administratie gerangschikt werden onder de inkomsten beoogd in artikel 11, 3°, c, W.I.B., stelt het bestreden arrest dat uit de redactie van artikel 220bis W.I.B. niet kan worden afgeleid dat de belastingplichtige enkel kan opteren voor niet aangeven van de roerende inkomsten in het geval waarin deze inkomsten werden onderworpen aan roerende voorheffing en dat voormeld artikel 220bis W.I.B. enkel bepaalt dat in het geval dat de belastingplichtige opteert voor niet-aangifte de roerende voorheffing definitief door de Schatkist is verworven. Het hof stelt dat artikel 220bis W.I.B. inhoudt dat wanneer de belastingplichtige opteert voor niet-aangifte en er roerende voorheffing is ingehouden, deze voorheffing aan de Schatkist verworven blijft, terwijl geen specifieke gevolgen worden gekoppeld aan het geval waarin geopteerd wordt voor niet-aangifte en er geen roerende voorheffing is ingehouden. Het hof oordeelt dat te dezen dient te worden vastgesteld dat de door de administratie belaste roerende inkomsten krachtens artikel 220bis W.I.B. niet dienden te worden aangegeven en beslist dat de voorziening met betrekking tot de afzonderlijke heffing op de roerende inkomsten voor aanslagjaar 1986 derhalve gegrond is. Het bestreden arrest vernietigt om deze reden de aanslag met betrekking tot aanslagjaar 1986 onder kohierartikel 8728833, supplement aan kohierartikel 6711250. Grieven Artikel 220bis zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1986 stelt in zijn eerste lid het volgende : "De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen zijn niet gehouden in hun jaarlijkse aangifte in die belasting, te vermelden :
  1. a)de in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, bedoelde inkomsten met uitsluiting van die bedoeld in artikel 93, par. 1, 1° bis, a tot c ;
  2. b)de in artikelen 11, 4° en 67, 5°, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong die langs een in België gevestigde tussenpersoon zijn geïnd of verkregen. Artikel 220bis, tweede lid W.I.B. voegt daar het volgende aan toe : "Voor degenen die van die mogelijkheid gebruik maken is de roerende voorheffing definitief door de Schatkist verworven". Nu overeenkomstig artikel 164, eerste lid, 3°, W.I.B. roerende voorheffing verschuldigd is op de inkomsten beoogd in artikel 11, 3°, en krachtens artikel 165 W.I.B. die voorheffing moet worden ingehouden op de belastbare inkomsten, niettegenstaande elk hiermee strijdig beding, kan artikel 220bis, tweede lid, W.I.B. enkel betekenen dat de niet-aangifte van de roerende inkomsten in de personenbelasting slechts mogelijk is wanneer er effectief roerende voorheffing werd ingehouden op de roerende inkomsten. Het bestreden arrest beroept zich ten onrechte op de bevrijdende werking van de roerende voorheffing zoals bedoeld in artikel 220bis W.I.B. daar het arrest niet tegenspreekt dat de kwestieuze roerende inkomsten, inkomsten zijn zoals beoogd in artikel 11, 3°, c W.I.B. en dat geen roerende voorheffing werd ingehouden op die roerende inkomsten. Doordat geen roerende voorheffing werd ingehouden kan de roerende voorheffing nooit door de Schatkist verworven zijn. Toekomstige verweerders waren bijgevolg verplicht de roerende inkomsten aan te geven in hun aangifte in de personenbelasting wanneer geen roerende voorheffing werd ingehouden op de door hen ontvangen roerende inkomsten. Hieruit volgt dat het bestreden arrest door te stellen dat aan het geval dat geopteerd wordt voor niet-aangifte en er geen roerende voorheffing werd ingehouden geen specifieke gevolgen worden gekoppeld en door te beslissen dat de roerende inkomsten krachtens artikel 220bis W.I.B. niet dienden te worden aangegeven, schendt. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat het arrest bestreden wordt in zoverre het de aanslag met kohierartikel 8728833 voor het aanslagjaar 1986 teniet doet ; Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 220bis, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen niet gehouden zijn in hun jaarlijkse aangifte in die belasting te vermelden :
  1. a)de in artikel 11, 1° tot 3° en 7° bedoelde inkomsten met uitsluiting van die bedoeld in artikel 93, ,§1, 1°bis, a tot c ;
  2. b)de in de artikelen 11, 4°, en 67, 5°, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong die langs een in België gevestigde tussenpersoon zijn geïnd of verkregen ; Dat krachtens het tweede lid van die bepaling, voor diegenen die van die mogelijkheid gebruik maken, de roerende voorheffing definitief door de Schatkist is verworven ; Dat, krachtens het derde lid van die bepaling, voor degenen die van de mogelijkheid geen gebruik maken, de belasting met betrekking tot de vrij aangegeven inkomsten vastgesteld wordt zoals is bepaald in artikel 93, ,§1, 5°, tenzij de aldus vastgestelde belasting vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten hoger is dan die welke volgt uit de toepassing van de artikelen 77 tot 91 op het geheel van de belastbare inkomsten ; Overwegende dat uit die wetsbepalingen volgt dat de belastingplichtigen die aan de personenbelasting zijn onderworpen, niet meer verplicht zijn hun roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard in hun jaarlijkse aangifte in die belasting te vermelden, op voorwaarde dat het gaat om inkomsten waarop de roerende voorheffing is ingehouden ; Dat zulks impliceert dat de belastingplichtigen zich niet op de bevrijdende werking van de roerende voorheffing als bedoeld in artikel 220bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)kunnen beroepen wanneer op de door hen genoten roerende inkomsten geen roerende voorheffing is ingehouden, en dat zij verder de verplichting hebben die inkomsten op te geven in hun aangifte in de personenbelasting ; Overwegende dat het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat verweerders in het betwiste aanslagjaar roerende inkomsten hebben genoten, waarop geen inhouding is gedaan, oordeelt dat uit de redactie van artikel 220bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)niet kan afgeleid worden dat de belastingplichtige enkel kan opteren voor niet aangeven van de desbetreffende inkomsten in het geval waarin deze inkomsten werden onderworpen aan roerende voorheffing en hieruit afleidt dat aan het geval waarin geopteerd wordt voor niet-aangifte en er geen roerende voorheffing is ingehouden geen specifieke gevolgen worden gekoppeld ; dat het bestreden arrest de afzonderlijke heffing op de roerende inkomsten voor het aanslagjaar 1986 vernietigt ; Dat het arrest door zijn beslissing artikel 220bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de voorziening tegen de beslissing van de gewestelijke directeur voor wat betreft het aanslagjaar 1986 gegrond verklaart en de aanslag onder kohierartikel 8728833 tenietdoet ; Beveelt dat van dit arrest melding zal gemaakt worden op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie september tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950601.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040903.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.