id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040906.7 Rolnummer: S.04.0080.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-07-04 07:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Inzake arbeidsongevallen van de leden van de overheidssector kan de uitvoering van de gewone en normale dagtaak een plotselinge gebeurtenis zijn, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt, zonder dat er wordt vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak
(1).
(1)Zie Cass., 13 okt. 2003, AR S.02.0048.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031013.4, nr ... Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Getroffene Dagtaak Normale uitoefening Letsel Plotselinge gebeurtenis Oorzaak Aanwijsbaar element Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Art.2,eerste, Fiche 2 Wanneer het Hof, na aanneming van het cassatieberoep van de getroffene van een arbeidsongeval, een beslissing vernietigt waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering op grond van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, veroordeelt het in de regel de openbare instelling in de procedurekosten. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociaal procesrecht (bijzondere regels) Vrije woorden: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociaal procesrecht (bijzondere regels) Arbeidsongevallen Overheidssector Cassatieberoep van de getroffene Aanneming van cassatieberoep Beslissing van het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Artt.1en16 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0080.N.- G. M., eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen OPENBAAR PSYCHIATRISCH ZIEKENHUIS DAELWEZETH, met zetel te 3221 Lanaken, Daalbroekstraat 106, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 september 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, luidens hetwelk de rechter niet ambtshalve de oorzaak van de vordering mag wijzigen, zoals bevestigd in artikel 807 van het Gerechtelijk wetboek ; - artikel 2, inzonderheid eerste, tweede en vierde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (waarvan de titel later, bij wet van 19 oktober 1998 met ingang van 25 november 1998, werd gewijzigd in : wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector) (zoals gewijzigd bij wet van 13 juli 1973). - de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing De derde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, verklaart in het bestreden arrest van 22 september 2003 het hoger beroep van verweerder gegrond, vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 17 oktober 2000 (behalve waar het oordeelde over de gerechtskosten) en, opnieuw recht doende, zegt voor recht dat (eiseres) op 11 oktober 1997 niet het slachtoffer was van een arbeidsongeval in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 en verwerpt eiseres' oorspronkelijke eis, die ertoe strekte het bestaan van een arbeidsongeval en het recht op vergoeding te horen erkennen. Het arbeidshof overweegt daartoe als volgt : "Voorwerp van het geschil : Mevrouw M.G., beroepene houdt voor op 11 oktober 1997 het slachtoffer te zijn geweest van een arbeidsongeval, toen zij samen met een collega een demente bejaarde-patiënte uit een rolstoel wilde heffen om haar te verplaatsen naar een relax-zetel en bij die draaibeweging, welke daartoe werd ondernomen, liep zij een rugletsel op, te weten een acute lumbago. Zij is de mening toegedaan dat het uitoefenen van kracht bij deze draaibeweging tijdens het optillen van de patiënte, het plotselinge feit uitmaakt in de zin van artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg van en naar het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. Op 21 januari besliste de Leidend Ambtenaar van O.P.Z. Daelwezeth, de feiten niet te erkennen als arbeidsongeval omdat er geen plotselinge gebeurtenis zou zijn aangetoond. (...)" "
- (...)
- Artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 bepaalt : "onder arbeidsongeval wordt verstaan het ongeval dat zich tijdens en door de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt. Het ongeval overkomen tijdens de uitoefening van het ambt wordt, behoudens tegenbewijs, geacht door de uitoefening van het ambt te zijn overkomen.". Voor de toepassing van de wet van 3 juli 1967 moet een arbeidsongeval vooreerst een plotse gebeurtenis zijn dewelke een lichamelijk letsel teweegbrengt en waarvan de oorzaak of één van de oorzaken buiten het organisme van de getroffene ligt (...), bovendien moet het ongeval overkomen zijn tijdens en door de uitoefening van het ambt. Artikel 2 van de wet van 3 juli 1987 bepaalt dat het ongeval, overkomen tijdens de uitoefening van het ambt, behoudens tegenbewijs, geacht wordt te zijn overkomen door het feit van de uitoefening van het ambt en bovendien dat, wanneer de getroffene naast het bewijs van een letsel ook een plotselinge gebeurtenis aanwijst, het letsel, behoudens tegenbewijs, wordt vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt. Deze regels zijn gelijklopend met deze zoals voorzien bij de artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- Aan de hand van de bovenstaande principes kan derhalve worden vastgesteld dat het slachtoffer het bewijs moet leveren van een plotselinge gebeurtenis (...), die zich voordoet tijdens de uitoefening van het ambt, zowel van een letsel, en dat, eenmaal dit bewijs geleverd, hij behoudens het tegenbewijs, gezien het slechts over een vermoeden iuris tantum gaat, geniet van het wettelijk vermoeden van voornoemd artikel
- Zonder de plotselinge gebeurtenis blijft de zelfs directe professionele oorsprong van een letsel zonder betekenis voor het recht inzake arbeidsongevallen (...). De getroffene dient derhalve vooreerst een plotselinge gebeurtenis te bewijzen. De plotselinge gebeurtenis is een duidelijk in de tijd lokaliseerbaar feit, een tijdsinname welke slechts een korte tijdspanne duurt en hetwelk zich onderscheidt van een ander voorafgaand en nakomend tijdsverloop doordat er een speciaal element aanwijsbaar is in de uitvoering van de arbeidstaak, hetwelk derhalve een bijzondere omstandigheid daarstelt, onderscheiden van de gewone werkomstandigheden of tot een bijzondere lichaamsinspanning noopt of psychische verwerking van een bijzonder, abnormaal arbeidsgegeven (...). De gewone en normale uitoefening van de dagtaak kan de plotselinge gebeurtenis zijn, op voorwaarde dat in de uitvoering ervan een element kan worden aangetoond, hetwelk het letsel heeft kunnen veroorzaken (...). Niet het abnormale karakter van het aangetoond element, maar wel de potentiële causale factor welke daarin besloten ligt, is bepalend voor het in aanmerking nemen ervan als een plotselinge gebeurtenis (...), zodat, ofschoon het causaal verband een wettelijk vermoeden schept, de getroffene nog altijd aannemelijk moet maken dat de plotselinge gebeurtenis het letsel heeft kunnen veroorzaken. 3.( . .) (Eiseres) vindt het bijzonder feit buiten het organisme in de draaibeweging welke zij moest uitvoeren om de patiënt van de rolstoel naar de relax-zetel te verplaatsen, en dit zou dan de plotse gebeurtenis zijn, zoals overigens door de eerste rechter aanvaard. Het (arbeids)hof kan die zienswijze niet delen. Dit draaimanoeuvre is niet bijzonder in de normale uitoefening van de arbeidstaak door (eiseres). (Eiseres) was immers tewerkgesteld in de afdeling geriatrie, naar zeggen van (eiseres) zelf een vrij zware afdeling ; Er is dus zeker niets uitzonderlijks te vinden in de uitvoering van de arbeidstaak wanneer een patiënte moet verplaatst worden naar een zetel. Bij dit manoeuvre werkt de patiënt, de bejaarde, altijd tegen of verleent geen medewerking. Het optillen van bewuste bejaarde, de 103-jarige (M.S.), en de wijze waarop zulks moest gebeuren, behoorde derhalve tot de normale dagtaak, hetgeen (eiseres) overigens zelf bevestigd heeft. De acute lumbago welke (eiseres) heeft opgelopen was niet het gevolg van een plotse gebeurtenis. Bij gebreke aan bewijs van enige plotse gebeurtenis kunnen de feiten van 10 oktober 1997 niet als een arbeidsongeval worden aangemerkt. De vordering van (eiseres) tot vergoeding ervan op basis van de bepalingen van de wet van 3 juli 1967, is zodoende ongegrond". Grieven Luidens artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (waarvan de titel bij wet van 19 oktober 1998 met ingang van 25 november 1998, werd gewijzigd in: wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector), zoals gewijzigd bij wet van 13 juli 1973, wordt onder arbeidsongeval in de zin van deze wet verstaan het ongeval dat zich tijdens en door de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt (eerste lid). Luidens het tweede lid van dezelfde wetsbepaling wordt het ongeval overkomen tijdens de uitoefening van het ambt, behoudens tegenbewijs, geacht door de uitoefening van het ambt te zijn overkomen. Het vierde lid van dezelfde wetsbepaling stelt dat wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van een letsel, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt te zijn veroorzaakt door een ongeval. Inzake arbeidsongevallen voor de leden van de overheidssector, bedoeld in artikelen 1 en 1bis van genoemde wet van 3 juli 1967 en de op grond hiervan uitgevaardigde uitvoeringsbesluiten, is het derhalve voldoende dat de getroffene of zijn rechthebbenden het bestaan van een letsel en van een plotselinge gebeurtenis, waardoor het letsel kan zijn veroorzaakt, aanwijzen, zodat het letsel, met toepassing van artikel 2, vierde lid, van de Arbeidsonge-vallenwet van 3 juli 1967, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt. De uitvoering van de gewone en normale arbeidstaak kan een plotselinge gebeurtenis opleveren, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt ; er wordt niet vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de (normale) uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het arbeidshof stelde vast dat eiseres een letsel, namelijk een acute lumbago, had opgelopen en dat de discussie gevoerd werd over het feit of er sprake kon zijn van een plotselinge gebeurtenis in oorzakelijk verband met het letsel. Eerste onderdeel Uit genoemd artikel 2 van de wet van 3 juli 1967, inzonderheid eerste, tweede en vierde lid, volgt weliswaar dat het letsel niet uitsluitend mag te wijten zijn aan de inwendige gesteldheid van de getroffene, maar deze wetsbepaling vereist niet dat de oorzaak of één van de oorzaken van de plotselinge gebeurtenis buiten het organisme van de getroffene ligt. Ten onrechte oordeelde het arbeidshof derhalve dat "voor de toepassing van de wet van 3 juli 1967 een arbeidsongeval vooreerst een plotse gebeurtenis (moet) zijn dewelke een lichamelijk letsel teweegbrengt en waarvan de oorzaak of een van de oorzaken buiten het organisme van de getroffene ligt (...)". Het arbeidshof kon dienvolgens niet wettig oordelen dat de voor het bestaan van een arbeidsongeval vereiste plotselinge gebeurtenis niet aanwezig was omdat de oorzaak of één der oorzaken van de plotselinge gebeurtenis niet buiten het organisme van de getroffene ligt. Het arbeidshof schendt derhalve artikel 2 van de Arbeidsongevallenwet van 3 juli
- Tweede onderdeel De rechter is gehouden de bewijskracht van de akten, bepaald bij artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk wetboek, te eerbiedigen, wat inhoudt dat hij aan de akte geen draagwijdte of betekenis mag toekennen die totaal onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Hij mag aan de akte niets toeschrijven dat deze niet bevat noch er iets aan onthouden dat er in voorkomt. Gelet op het beschikkingsbeginsel, zoals dat onder meer bevestigd wordt in artikel 807 van het Gerechtelijk wetboek, mag de rechter niet ambtshalve de oorzaak van de vordering wijzigen. Eiseres voerde in haar syntheseconclusie aan dat "in casu het aanwijsbaar element, dat het letsel heeft kunnen veroorzaken, het maken van een draaibeweging (is) bij het optillen van een patiënte (en dat) deze beweging en de ermee gepaard gaande krachtinspanning van die aard (was) dat zij een acute lumbago heeft kunnen veroorzaken". Eiseres wees er aldus op dat de plotselinge gebeurtenis die zij inriep bestond uit, vooreerst, het optillen van een patiënt en, vervolgens het maken, met deze aldus opgetilde patiënt, van een draaibeweging om deze patiënt van een rolstoel naar een zetel over te brengen. In de mate dat het arbeidshof oordeelt dat eiseres als plotselinge gebeurtenis slechts het feit aanvoerde van een draaibeweging te hebben gemaakt om een patiënt van een rolstoel naar een relax-zetel te verplaatsen, miskent het arbeidshof de bewijskracht van eiseres' syntheseconclusie en eerste conclusie in hoger beroep door aan deze conclusie een met de bewoordingen ervan onverenigbare uitlegging te geven (schending van artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk wetboek). In de mate dat het arbeidshof aldus ook alleen maar de draaibeweging om een patiënt van een rolstoel naar een relaxstoel over te brengen in aanmerking zou nemen als plotselinge gebeurtenis, wijzigt het de oorzaak van eiseres' vordering, nu deze ter staving van haar vordering om het bestaan van een arbeidsongeval te horen erkennen gewag maakte van het optillen van een patiënt gevolgd door het maken van een draaibeweging met deze aldus opgetilde patiënt, om deze laatste te verplaatsen van een rolstoel naar een relaxstoel. Het arbeidshof miskent aldus het beschikkingsbeginsel, dat de rechter verbiedt de oorzaak van de vordering te wijzigen (schending van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingbeginsel genaamd, dat de rechter verbiedt de oorzaak van de vordering te wijzigen, zoals onder meer bevestigd in artikel 807 van het Gerechtelijk wetboek) evenals de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Derde onderdeel Luidens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet moeten hoven en rechtbanken hun beslissingen regelmatig met redenen omkleden, wat wil zeggen dat zij moeten antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, relevante grieven en middelen van verweer en dienen te statueren zonder dubbelzinnigheid noch tegenstrijdigheid. Te dezen overwoog het arbeidshof enerzijds dat
(1)de gewone en normale uitoefening van de dagtaak de plotselinge gebeurtenis (kan) zijn, op voorwaarde dat in de uitvoering ervan een element kan worden aangetoond, hetwelk het letsel heeft kunnen veroorzaken ;
(2)niet het abnormale karakter van het aangetoond element, maar wel de potentiële causale factor welke daarin besloten ligt, bepalend is voor het in aanmerking nemen ervan als een plotselinge gebeurtenis (...) zodat, ofschoon het causaal verband een wettelijk vermoeden schept, de getroffene nog altijd aannemelijk moet maken dat de plotselinge gebeurtenis het letsel heeft kunnen veroorzaken. Anderzijds echter, oordeelt het arbeidshof dat:
(3)de plotselinge gebeurtenis een duidelijk in de tijd lokaliseerbaar feit (is), een tijdsinname welke slechts een korte tijdspanne duurt en hetwelk zich onderscheidt van een ander voorafgaand en nakomend tijdsverloop doordat er een speciaal element aanwijsbaar is in de uitvoering van de arbeidstaak, hetwelk derhalve een bijzondere omstandigheid daarstelt, onderscheiden van de gewone werkomstandigheden of tot een bijzondere lichaamsinspanning noopt of psychische verwerking van een bijzonder, abnormaal arbeidsgegeven (...) ;
(4)het draaimanoeuvre niet bijzonder is in de normale uitoefening van de arbeidstaak van eiseres die immers tewerkgesteld was in de afdeling geriatrie en waarvan zijzelf verklaarde dat het een vrij zware afdeling is ;
(5)er niets uitzonderlijks te vinden is in de uitvoering van de arbeidstaak wanneer een patiënte moet verplaatst worden naar een zetel (ibidem) (wat klaarblijkelijk moet begrepen worden in de zin dat dit niet bijzonder is in het licht van de arbeidstaak) ;
(6)het optillen van de bejaarde en de wijze waarop dit moest gebeuren, tot de normale dagtaak van eiseres behoorde (ibidem). Aldus aanvaardt het arbeidshof in de onder nummers 1 en 2 vermelde consideransen weliswaar dat de uitvoering van de gewone en normale dagtaak een plotselinge gebeurtenis, in de zin van artikel 2 van de Arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967, kan opleveren, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt zonder dat er wordt vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de (normale) uitvoering van de arbeidsovereenkomst, doch sluit het arbeidshof in de onder nummers 3 tot 6 vermelde consideransen, bij de concrete beoordeling van de zaak, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis, en meer in het bijzonder het bestaan van een bijzonder aanwijsbaar element dat het letsel heeft kunnen veroorzaken, uit omdat er geen sprake was van
(1)een bijzondere omstandigheid, onderscheiden van de gewone werkomstandigheden, of van
(2)een bijzondere lichaamsinspanning of psychische verwerking van een bijzonder, abnormaal arbeidsgegeven, of van
(3)een draaimanoeuvre dat bijzonder zou zijn omdat het niet behoorde tot de normale uitoefening van de arbeidstaak, noch van
(4)een handeling die niet behoorde tot de normale arbeidstaak van eiseres. Aldus sluit het arbeidshof enerzijds de "normaliteitsvereiste" bij de beoordeling van de plotselinge gebeurtenis principieel uit, doch voert het deze anderzijds bij de concrete toepassing op de zaak, opnieuw in. Dit levert een tegenstrijdigheid in de motieven op (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Minstens zijn deze motieven dubbelzinnig nu niet duidelijk is of het arbeidshof voor het bestaan van een plotselinge gebeurtenis nu al dan niet de vereiste stelt dat het aangehaalde feit of element zich onderscheidt van de normale dagtaak. Nu deze beslissing, zoals uit de aanvoeringen in het vierde onderdeel van het middel moge blijken, onwettig is indien ervan zou moeten uitgegaan worden dat het arbeidshof voor het bestaan van een plotselinge gebeurtenis een feit vereist dat onderscheiden is van de normale arbeidstaak, levert de bedoelde tegenstrijdigheid een miskenning op van de motiveringsverplichting (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Aldus is het arrest met tegenstrijdige, minstens dubbelzinnige motieven omkleed en schendt het arbeidshof artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Vierde onderdeel Eiseres wees er, zoals verduidelijkt in het tweede onderdeel van het middel, in conclusie op dat de plotselinge gebeurtenis die zij inriep bestond uit, vooreerst, het optillen van een patiënt en, vervolgens het maken, met deze aldus opgetilde patiënt, van een draaibeweging om deze patiënt van een rolstoel naar een zetel over te brengen. In de mate dat het arbeidshof vereist dat de voor het bestaan van een arbeidsongeval, in de zin van artikel 2 van de Arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967, vereiste plotselinge gebeurtenis zich onderscheidt van de normale dagtaak, is het voorliggend arrest tevens onwettig. Aldus weze opgemerkt dat, waar het arbeidshof oordeelt dat
(3)de plotselinge gebeurtenis een duidelijk in de tijd lokaliseerbaar feit (is), een tijdsinname welke slechts een korte tijdspanne duurt en hetwelk zich onderscheidt van een ander voorafgaand en nakomend tijdsverloop doordat er een speciaal element aanwijsbaar is in de uitvoering van de arbeidstaak, hetwelk derhalve een bijzondere omstandigheid daarstelt, onderscheiden van de gewone werkomstandigheden of tot een bijzondere lichaamsinspanning noopt of psychische verwerking van een bijzonder, abnormaal arbeidsgegeven (...) ;
(4)het draaimanoeuvre niet bijzonder is in de normale uitoefening van de arbeidstaak van eiseres die immers tewerkgesteld was in de afdeling geriatrie en waarvan zijzelf verklaarde dat het een vrij zware afdeling is ;
(5)er niets uitzonderlijks te vinden is in de uitvoering van de arbeidstaak wanneer een patiënte moet verplaatst worden naar een zetel (ibidem) (wat klaarblijkelijk moet begrepen worden in de zin dat dit niet bijzonder is in het licht van de arbeidstaak) ;
(6)het optillen van de bejaarde en de wijze waarop dit moest gebeuren, tot de normale dagtaak van eiseres behoorde (ibidem), het arbeidshof het bestaan van een plotselinge gebeurtenis, in de zin van artikel 2, vierde lid, van de Arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967, uitsluit omdat geen bijzonder element werd aangewezen dat onderscheiden was van de uitvoering van de normale arbeidstaak. Aldus besluit het arbeidshof niet wettig tot de ontstentenis van een voor het bestaan van een arbeidsongeval vereiste plotselinge gebeurtenis en schendt het artikel 2, van de Arbeidsongevallenwet van 3 juli
- IV. Beslissing van het Hof
- Vierde onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 2, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, onder arbeidsongeval wordt verstaan het ongeval dat zich tijdens en door de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt ; Dat, krachtens het tweede lid van dat artikel, het ongeval overkomen tijdens de uitoefening van het ambt, behoudens tegenbewijs, geacht wordt door de uitoefening van het ambt te zijn overkomen ; Dat, krachtens het vierde lid van dat artikel, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van een letsel, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt ; Dat de uitvoering van de gewone en normale dagtaak een plotselinge gebeurtenis kan zijn, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt ; dat niet is vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat bij een draaibeweging, eiseres een rugletsel, een acute lumbago, heeft opgelopen toen zij samen met een collega een demente bejaarde patiënte uit een rolstoel wilde heffen om haar te verplaatsen naar een relax-zetel en eiseres van mening is dat het uitoefenen van kracht bij die draaibeweging tijdens het optillen van de patiënte, het plotselinge feit in de zin van artikel 2 van voornoemde wet uitmaakt ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de acute lumbago van eiseres niet het gevolg was van een plotselinge gebeurtenis op grond dat : - dit draaimanoeuvre niet bijzonder is in de normale uitoefening van haar arbeidstaak ; - er dus zeker niets uitzonderlijks is te vinden in de uitvoering van de arbeidstaak wanneer een patiënte moet verplaatst worden naar een zetel ; - het optillen van een bejaarde en de wijze waarop zulks moest gebeuren derhalve tot haar normale dagtaak behoorde ; Overwegende dat het arrest door voor de plotselinge gebeurtenis een uitzonderlijk aanwijsbaar element te vereisen dat onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak, artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 schendt ; Dat het onderdeel gegrond is,
- Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;
- Kosten Overwegende dat verweerster overeenkomstig artikel 16 van de wet van 3 juli 1967 in de procedurekosten dient te worden veroordeeld ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Veroordeelt verweerder in de kosten ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van tweehonderd en zeven euro vijfentwintig cent jegens de eisende partij en op de som van vijfennegentig euro eenenveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zes september tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040906.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070115.2 ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070219.3 ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090119.13 ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090420.9 ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071022.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031013.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div