← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.2 Rolnummer: P.03.0986.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 647 - laatst gezien 2026-07-04 10:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechter moet niet elk argument dat ter staving van een verweermiddel wordt ingeroepen maar geen afzonderlijk middel is, beantwoorden

(1).
(1)Cass., 1 dec. 1999, AR P.99.1092.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991201.9, nr 649. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Beantwoorden van verweermiddel Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Art.149 Fiches 2 - 3 De kamer van inbeschuldigingstelling is bevoegd om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de burgerlijke partij
(1).
(1)Cass., 4 sept. 2001, AR P.01.0524.N, nr 439; 9 april 2002, AR P.00.1423.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020409.2, nr 216 en R.W. 2002-2003, 1423 en de noot L. Delbrouck; 17 sept. 2002, AR P.01.0877.N, niet gepubliceerd. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Onderzoeksgerechten Kamer van inbeschuldigingstelling Tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij Vordering tot schadevergoeding vanwege de buitenvervolginggestelde verdachte Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Kamer van inbeschuldigingstelling Tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij Vordering tot schadevergoeding vanwege de buitenvervolginggestelde verdachte Fiches 4 - 6 De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer
(1).
(1)Arbitragehof, 12 mei 2004, nr 84/2004, B.S., 27 sept. 2004, 69407. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Kamer van inbeschuldigingstelling Burgerlijke partij Tergend en roekeloos hoger beroep tegen buitenvervolgingstelling Vordering tot schadevergoeding vanwege de buitenvervolginggestelde verdachte Grondwettigheid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Burgerlijke partij Tergend en roekeloos hoger beroep tegen buitenvervolgingstelling Vordering tot schadevergoeding vanwege de buitenvervolginggestelde verdachte Bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling Grondwettigheid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Burgerlijke partij Tergend en roekeloos hoger beroep tegen buitenvervolgingstelling Vordering tot schadevergoeding vanwege de buitenvervolginggestelde verdachte Bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling Grondwettigheid Fiches 7 - 8 Er is geen grond tot het stellen door het Hof van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof aangaande de eventuele schending van de artt. 10 en 11 Gw. door de artt. 159, 191 en 212 Sv. in de mate dat deze artikelen bepalen dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de burgerlijke partij, dan wanneer geen wettelijke bepaling uitdrukkelijke bevoegdheid verleent aan de kamer van inbeschuldigingstelling indien de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de inverdenkinggestelde die naar de feitenrechter wordt verwezen, uitgaat van de burgerlijke partij, wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met een identiek onderwerp
(1).
(1)Cass., 3 dec. 2003, AR P.03.1191.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.8, nr ... Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Gelijkheidsbeginsel Kamer van inbeschuldigingstelling Tergend en roekeloos hoger beroep Vordering tot schadevergoeding Verdachte en burgerlijke partij Prejudiciële vraag aan het Arbitragehof Vrijstelling van vraagstelling Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§2,2° Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Gelijkheidsbeginsel Kamer van inbeschuldigingstelling Tergend en roekeloos hoger beroep Vordering tot schadevergoeding Verdachte en burgerlijke partij Vrijstelling van vraagstelling Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§2,2° Tekst van de beslissing Nr. P.03.0986.N PLANT TECHNOLOGY PRODUCTIONS bvba, met zetel te Lier, Plaslaar 36, eiseres, burgerlijke partij, met als raadsman Mr. Jan De Waele, advocaat bij de balie te Gent, tegen R. V., verweerster, inverdenkinggestelde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 mei 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiseres stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof
  1. Eerste middel Overwegende dat de rechter niet elk argument dat ter staving van een verweermiddel wordt ingeroepen maar geen afzonderlijk middel is, moet beantwoorden; Overwegende dat de appèlrechters met de in het middel weergegeven redenen, het verweer van eiseres verwerpen en beantwoorden; Dat het middel niet kan worden aangenomen;
  2. Tweede middel 2.
  3. Eerste en tweede onderdeel Overwegende dat de vroegere tekst van artikel 136 Wetboek van Strafvordering de kamer van inbeschuldigingstelling verplichtte om de burgerlijke partij die in haar verzet tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling in het ongelijk werd gesteld, in alle omstandigheden tot schadevergoeding jegens die partij te veroordelen; Overwegende dat de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, de vroegere tekst van artikel 136 Wetboek van Strafvordering heeft vervangen door een andere tekst; dat hierdoor de bijzondere regeling van de vroegere tekst van de wetsbepaling werd opgeheven; Overwegende dat ten gevolge van deze opheffing thans de kennisneming van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de burgerlijke partij, beheerst wordt door de artikelen 159, 191, 212 en 240 Wetboek van Strafvordering; Overwegende dat de onderzoeksgerechten, krachtens deze artikelen, bevoegd zijn om kennis te nemen van alle vorderingen tot schadevergoeding van de buitenvervolginggestelde tegen de burgerlijke partij; dat hieronder vallen de door de buitenvervolginggestelde voor de kamer van inbeschuldigingstelling tegen de burgerlijke partij ingestelde rechtsvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep; Dat de onderdelen falen naar recht; 2.
  4. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat de mogelijkheid voor de kamer van inbeschuldigingstelling om de burgerlijke partij wiens hoger beroep tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling wordt afgewezen, te veroordelen tot schadevergoeding aan de buitenvervolginggestelde inverdenkinggestelde, een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel daar dergelijke mogelijkheid niet bestaat ten voordele van de burgerlijke partij wanneer het hoger beroep uitgaat van de inverdenkinggestelde die opkomt tegen een verwijzingsbeschikking en dit hoger beroep wordt afgewezen; Overwegende dat het Hof in een andere zaak reeds volgende prejudiciële vraag heeft gesteld: "Schenden de artikelen 159, 191 en 212 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze artikelen bepalen dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de burgerlijke partij, dan wanneer geen wettelijke bepaling uitdrukkelijk bevoegdheid verleent aan de kamer van inbeschuldigingstelling indien de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de inverdenkinggestelde die naar de feitenrechter wordt verwezen, uitgaat van de burgerlijke partij?". Overwegende dat het Arbitragehof bij arrest nr. 84/2004 van 12 mei 2004 heeft beslist: "De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoedheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer". Dat uit dit antwoord van het arrest volgt dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; Overwegende dat, krachtens artikel 26, ,§ 2, 2°, Bijzondere Wet Arbitragehof, het Hof niet ertoe gehouden is de door eiseres aangevoerde prejudiciële vraag opnieuw te stellen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiseres in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van tweehonderd vierennegentig euro tachtig cent, waarvan drieëndertig euro tweeënvijftig cent verschuldigd en tweehonderd eenenzestig euro achtentwintig cent door eiseres betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeven september tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991201.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020409.2 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.