← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.6 Rolnummer: P.02.1685.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 634 - laatst gezien 2026-07-04 19:45 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer

(1).
(1)Arbitragehof, 12 mei 2004, nr 84/
  1. B.S., 27 sept. 2004,
  2. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: JURIDICTIONS D'INSTRUCTION Chambre des mises en accusation Partie civile Appel téméraire et vexatoire contre une ordonnance de non-lieu Action en dommages-intérêts introduite par l'inculpé à l'égard duquel le non-lieu a été prononcé Constitutionnalité GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Burgerlijke partij Tergend en roekeloos hoger beroep tegen buitenvervolgingstelling Vordering tot schadevergoeding vanwege de buitenvervolginggestelde verdachte Bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling Grondwettigheid GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Burgerlijke partij Tergend en roekeloos hoger beroep tegen buitenvervolgingstelling Vordering tot schadevergoeding vanwege de buitenvervolginggestelde verdachte Bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling Grondwettigheid Tekst van de beslissing Nr. P.02.1685.N G. E., eiser, burgerlijke partij, met als raadsman Mr. Jan Kerkhofs, advocaat bij de balie te Gent, tegen K. P., verweerder, inverdenkinggestelde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 november 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Voorafgaande rechtspleging Bij arrest van het Hof van 24 juni 2003 heeft het Hof aan het Arbitragehof de navolgende prejudiciële vraag gesteld: "Schenden de artikelen 159, 191 en 212 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze artikelen bepalen dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de burgerlijke partij, dan wanneer geen wettelijke bepaling uitdrukkelijke bevoegdheid verleent aan de kamer van inbeschuldigingstelling indien de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de inverdenkinggestelde die naar de feitenrechter wordt verwezen, uitgaat van de burgerlijke partij?" V. Beslissing van het Hof
  3. Derde onderdeel Overwegende dat het Arbitragehof bij arrest nr. 84/2004 van 12 mei 2004 heeft beslist: "De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer." Dat uit dit antwoord van het arrest volgt dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
  4. Overige onderdelen Overwegende dat de overige onderdelen reeds beantwoord werden in het arrest van het Hof, van 24 juni 2003; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt de eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van tweehonderd vierentachtig euro vijfenvijftig cent, waarvan zesendertig euro zesenzestig cent verschuldigd en tweehonderd zevenenveertig euro negenentachtig cent door eiser betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeven september tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040907.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030624.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050111.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050216.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060606.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.