← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7 Rolnummer: C.03.0136.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 576 - laatst gezien 2026-07-04 16:01 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bepaling krachtens welke degene die last geeft tot tenuitvoerlegging van een vonnis, waarvan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, handelt op eigen risico vindt geen toepassing op de tenuitvoerlegging van een beslissing die werd ingetrokken op grond van de bepaling die de beslagene, in geval van veranderde omstandigheden, toelaat de wijziging of de intrekking van de beschikking, waarbij toelating tot beslag inzake namaak wordt verleend, te vragen

(1).
(1)Zie Cass., 7 april 1995, AR C.93.0182.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950407.12, nr 189 en R.W., 1995-1996, 184, met noot BROECKX K., Risicoaansprakelijkheid bij voorlopige tenuitvoerlegging
(186); DIRIX E. en BROECKX K., Beslag, A.P.R., Story Scientia, 2001, 157-160, nrs 252-253 en 162-164, nrs 256-259; VAN OEVELEN A. en LINDEMANS D., Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter, T.P.R., 1985, 1079-1080, nr 39; zie ook de conclusie van advocaat-generaal KRINGS voor Benelux-Gerechtshof, 14 april 1983, R.W., 1983-1984, 223-229. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Beslag inzake namaak Beschikking Voorlopige tenuitvoerlegging Intrekking Risico Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1398,twee Thesaurus CAS: BESLAG - ALLERLEI Vrije woorden: BESLAG - ALLERLEI Beslag inzake namaak Beschikking Voorlopige tenuitvoerlegging Intrekking Risico Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1398,twee Tekst van de beslissing Nr. C.03.0136.N LUCIDE, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 2100 Antwerpen (Deurne), Karel Govaertsstraat 56-58, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer 291.591, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen MASSIVE, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 2160 Wommelgem, Uilenbaan 200, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1398, tweede lid, en 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest oordeelt dat het door verweerster in uitvoering van de beschikkingen van de beslagrechter van 20 en 23 januari 1998 gelegde beslag niet onrechtmatig is geworden ten gevolge van de gedeeltelijke intrekking van deze beschikkingen. Het acht artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing op de uitvoering van bedoelde beschikkingen omdat zij niet gewijzigd of vernietigd werden ingevolge een tegen deze beschikkingen ingesteld rechtsmiddel (derdenverzet of eventueel hoger beroep tegen de beschikking op derdenverzet) maar wel gedeeltelijk ingetrokken werden omwille van de gewijzigde omstandigheden en zulke intrekking niet retroactief werkt (arrest p. 7). Het arrest overweegt daarbij dat de door artikel 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure van wijziging of intrekking voor toegestaan bewarend beslag niet kan beschouwd worden als een "soort van derdenverzet" tegen de beschikkingen van 20 januari en 23 januari 1998 "nu door deze procedure niet de in deze beschikkingen gegeven toelating tot bewarend beslag ter discussie staat, doch enkel de ingeroepen gewijzigde omstandigheden die een 'herziening' van de beschikkingen moeten wettigen". De omstandigheid dat de bodemrechter de auteursrechtelijke aanspraak van (verweerster) niet ingewilligd heeft, heeft - volgens het arrest (p. 7, alinea 3) - "niet ipso facto tot gevolg dat het bewarend beslag (inzake namaak) als onrechtmatig moet worden bestempeld : artikel 1398, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek vindt ook in zulke situatie geen toepassing" (arrest p. 7, alinea 3). Grieven De beslissing op dit punt en de bovengeciteerde overwegingen houden schending in van beide in het middel ingeroepen wetsbepalingen. Krachtens artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt de tenuitvoerlegging van een voorlopig uitvoerbaar vonnis "alleen op risico van de partij die daartoe last geeft (...)". In zijn arrest van 7 april 1995 (A.C. 1995, 383, nr. 189) heeft het Hof van Cassatie uit deze regel afgeleid dat de partij die dergelijk vonnis doet uitvoeren, bij gehele of gedeeltelijke hervorming of vernietiging ervan, boven de teruggave van hetgeen zij ingevolge de hervormde of vernietigde beslissing heeft ontvangen, de schade dient te vergoeden die door de enkele tenuitvoerlegging is ontstaan, zonder dat daartoe enige kwade trouw of fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek is vereist. In voorliggend geval werden, volgens de vaststellingen van het arrest (p. 6 en 7), de beschikkingen die het beslag inzake namaak toelieten, door de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen bij vonnis van 4 juni 1998 gedeeltelijk ingetrokken (nl. wat betreft het eigenlijke "beslag" in tegenstelling tot de "beschrijving") omwille van de beslissing van de bodemrechter (vonnis van 16 april 1998) waarbij geoordeeld werd dat de verweerster op de betreffende spot ref. nr. 4865 geen auteursrecht kon laten gelden. Gezien deze onbetwistbare en onbetwiste intrekking, vernietiging of hervorming van de beschikkingen die door verweerster "op eigen risico" waren uitgevoerd, diende het arrest, conform artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals uitgelegd door het Hof van Cassatie in bovenvermeld arrest, te besluiten tot de objectieve of foutloze aansprakelijkheid van verweerster (zie Broeckx K., Risicoaansprakelijkheid bij de voorlopige tenuitvoerlegging, noot onder Cass., 7 april 1995, R.W. 1995-96,
(186)187). Door te oordelen dat in de gegeven omstandigheden geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en er derhalve diende te worden nagegaan of verweerster gehandeld had "zoals een normaal, redelijk en voorzichtig persoon" geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou "gehandeld hebben", heeft het arrest bedoeld artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek geschonden. De door het hof van beroep ingeroepen reden tot afwijzing van de foutloze aansprakelijkheid ex artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek rechtvaardigt de beslissing niet naar recht. Het arrest steunt de afwijzing op de enkele reden dat de betrokken beschikkingen niet gewijzigd of vernietigd waren ingevolge een tegen deze beschikkingen ingesteld rechtsmiddel (derdenverzet of hoger beroep tegen de beschikking op derdenverzet) doch ingevolge een vordering ex artikel 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek krachtens hetwelk "de beslagene (...) in geval van veranderde omstandigheden, de wijziging of de intrekking van de beschikking (waarbij toelating tot bewarend beslag werd verleend) kan vragen door dagvaarding hiertoe van alle partijen voor de beslagrechter". De ingeroepen omstandigheid die in casu tot de intrekking van de beschikkingen leidde was, volgens de vaststelling van het bestreden arrest, het feit dat "de bodemrechter de auteursrechtelijke aanspraak van (verweerster) niet ingewilligd heeft", m.a.w. werd door de bodemrechter geoordeeld dat er geen wettige grondslag - ten onrechte ingeroepen auteursrechtelijke bescherming - bestond voor de toelating om over te gaan tot beslag. Er is geen reden om deze situatie anders te beoordelen dan indien hetzelfde gebrek aan rechtsgrond zou zijn ingeroepen in het kader van een eigenlijk derdenverzet (binnen de wettelijke termijn). Het betreft overigens, in strijd met wat het arrest zegt, wel degelijk een "soort van derdenverzet buiten de termijn" (zie Dirix E. Broeckx K., Beslag, 1992, nr. 409, p. 228). Bepalend voor de beoordeling is, hoe dan ook, hetgeen nagestreefd en bekomen werd, nl. de intrekking van de eigenlijke beslagmaatregel wegens het ontbreken van rechtsgrond. Verweerster heeft "op eigen risico" gehandeld, "risico" dat des te groter was en waarvan zij zich bewust diende te zijn nu zij uitvoering gaf aan de gevraagde en bekomen bijzonder ernstige maatregel van een "beslag" in de zin van artikel 1481, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zonder zich derhalve te beperken tot de eveneens gevraagde en bekomen maartregel van beschrijving van de beweerde namakingen (art. 1481, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Nu de eerstgenoemde maatregel van "beslag" werd ingetrokken door de beslagrechter te Antwerpen (beschikking van 4 juni 1998) wegens het gebrek aan rechtsgrond, in casu het gebrek aan auteursrechtelijke bescherming van de betrokken producten, zoals vastgesteld door de bodemrechter (vonnis van 16 april 1998 van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen), werd door de eisers terecht de stelling verdedigd (syntheseconclusie in beroep, p. 5-7) dat verweerster, conform (
  1. de)rechtspraak (van het Hof) (Cass. 7 april 1995), de schade diende te vergoeden die was ontstaan door de enkele tenuitvoerlegging van de - bij gebrek aan rechtsgrond ingetrokken - beschikkingen die het eigenlijk "beslag" toelieten, zonder dat daartoe enige kwade trouw of fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek was vereist. Door te weigeren die regel die volgt uit artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek toe te passen, heeft het arrest om de bovenvermelde redenen deze wetsbepaling geschonden. In zover het arrest oordeelt dat een intrekking van de litigieuze beschikkingen ten gevolge van een procedure ex artikel 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet zou kunnen leiden tot een eenzelfde objectieve aansprakelijkheid "nu door deze procedure niet de in deze beschikkingen gegeven toelating tot bewarend beslag ter discussie staat, doch enkel de ingeroepen gewijzigde omstandigheden die een 'herziening' van de beschikkingen moeten wettigen" wordt het toepassinggebied van artikel 1398, tweede lid, van het Gerechte lijk Wetboek op onwettige wijze beperkt, derhalve geschonden, en worden eveneens de draagwijdte en de rechtsgevolgen van artikel 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek op onjuiste wijze beoordeeld, derhalve geschonden. Er is geen aanvaardbare reden om de intrekking (van de litigieuze beslagmaatregelen) wegens door de bodemrechter vastgesteld ontbreken van rechtsgrond, uit te sluiten uit het toepassingsgebied van artikel 1398, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek om de loutere reden dat bedoelde intrekking bekomen werd op grond van artikel 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en niet in het kader van een eigenlijk derdenverzet binnen de wettelijke termijn. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 23 tot en met 27 en 1138, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen (beschikkingsbeginsel) en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest (p. 14) acht in verband met het gelegde beslag inzake namaak "geen enkel foutief of onzorgvuldig handelen in hoofde van (verweerster) bewezen". Volgens het arrest (p. 7, laatste lid) zou verweerster wel foutief gehandeld hebben indien zij begin 1998 zelf ernstige twijfels moest gehad hebben over het bestaan van enige auteursrechtelijke bescherming van de lichtspot ref. nr. 4865 en desondanks toch toelating tot beslag inzake namaak vroeg. Het in dit verband door verweerster ingeroepen middel, gesteund op het "gezag van gewijsde" van het arrest dd. 13 september 1999 van het Hof van Beroep te Antwerpen dat zich uitsprak over de inhoud en de juridische draagwijdte van een vonnis van 6 maart 1997, werd door het bestreden arrest (p. 9) verworpen wegens een beweerde "tegenstrijdigheid" in de motieven van het arrest van 13 september 1999. Grieven 2.1. Eerste onderdeel Schending van artikel 1138, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, alsook van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Het afwijzen van het gezag van het gewijsde van het arrest van 13 september 1999 wegens een beweerde "tegenstrijdigheid" tussen de overwegingen van dit arrest, was voor het hof van beroep niet ingeroepen. Verweerster vermeldde alleen dat bedoeld arrest van 13 september 1999 "enerzijds het bestaan van het gezag van gewijsde van het stakingsbevel van 6 maart 1997 heeft bevestigd (en aldus het vonnis van de eerste rechter bevestigende, stellende dat het hof noch de rechtbank zich nog mocht uitspreken over het auteursrechtelijke luik), doch het anderzijds nodig vond om niet minder dan vier pagina's te wijden aan het op uitvoerige wijze beoordelen van het al dan niet bestaan van auteursrecht op de ter bescherming ingeroepen spots van (verweerster)" (aanvullende en syntheseconclusie, p. 15, voorlaatste lid). Verweerster leidde daaruit af dat "de stelling van eiseres aangaande het beweerde gezag van gewijsde van het stakingsbevel voor de bodemrechter ernstig betwist is" (idem, laatste lid). Nu het gezag van gewijsde van het arrest van 13 september 1999 voor het appèlgerecht niet werd betwist op grond van een beweerde "tegenstrijdigheid" in de motivering van bedoeld arrest, kon het hof van beroep deze beweerde tegenstrijdigheid en het daaruit afgeleide rechtsgevolg, niet ambtshalve opwerpen. Door dit toch te hebben gedaan en het middel, gesteund op het "gezag van gewijsde" van het arrest van 13 september 1999 te hebben afgewezen op grond van "tegenstrijdigheid" in de motivering van bedoeld arrest, heeft het bestreden arrest het beschikkingsbeginsel - algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen - en artikel 1138, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat dit beginsel bekrachtigt, geschonden. In zover het arrest eiseres niet heeft uitgenodigd hieromtrent haar middelen van verweer te laten kennen, heeft het arrest minstens haar recht van verdediging, derhalve het desbetreffende algemeen rechtsbeginsel geschonden. 2.2. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Deze artikelen zijn geschonden omdat het arrest, door te oordelen dat de motivering van het arrest van 13 september 1999 door een onderlinge tegenstrijdigheid is aangetast zodat men zich niet meer zou kunnen beroepen op het gezag van gewijsde van de overwegingen van bedoeld arrest i.v.m. het geschilpunt of in het vonnis dd. 6 maart 1997 al dan niet het bestaan van de auteursrechtelijke bescherming beslecht werd (bestreden arrest, p. 9), de bewijskracht van het arrest van 13 september 1999 heeft miskend daar de motivering van dit arrest geenszins is aangetast door de beweerde - ambtshalve ingeroepen -"tegenstrijdigheid". Het is inderdaad geenszins "tegenstrijdig" enerzijds te stellen dat de stakingsrechter in zijn vonnis van 6 maart 1997 de vordering heeft afgewezen op grond van de afwezigheid van intellectueelrechtelijke bescherming en dat het vonnis van de stakingsrechter waartegen geen hoger beroep werd ingesteld gezag van gewijsde heeft zodat "het hof geen rechtsmacht meer heeft om alsnog de intellectueelrechtelijke bescherming in haar beoordeling te betrekken" (arrest van 13 september 1999, p. 34-5) en daarna, zij het ten overvloede, te beamen dat en waarom de stakingsrechter in zijn vonnis van 6 maart 1997 terecht elke intellectueelrechtelijke bescherming aan verweerster ontzegde (arrest van 13 september 1999, p. 5 vanaf derde alinea t.e.m. p. 9). Door deze - dubbele - motivering als "tegenstrijdig" te beschouwen heeft het bestreden arrest het arrest van 13 september 1999 in de bovengeciteerde redenen, uitgelegd op een wijze die er onverenigbaar mee is, derhalve de daaraan toekomende bewijskracht en de desbetreffende artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek geschonden. 2.3. Derde onderdeel Schending van de artikelen 23 tot en met 27 van het Gerechtelijk Wetboek en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Het bestreden arrest (p. 10) oordeelt dat verweerster voor de stakingsrechter niet erkend had dat haar lichtspotmodel geen intellectueelrechtelijke bescherming genoot en dat de stakingsrechter in zijn vonnis van 6 maart 1997 de vordering van verweerster "ook niet afgewezen had op grond van de afwezigheid van intellectueelrechtelijke bescherming" en "voor de stakingsrechter geen debat werd gevoerd over het al dan wel of niet bestaan van een auteursrechtelijke bescherming van de lichtspot ref. nr. 4865". Op grond van deze overwegingen beslist het bestreden arrest dat verweerster geen "foutief beroep" gedaan (had) op de procedure van beslag inzake namaak door een auteursrechtelijke bescherming voor de lichtspot nr. 4865 in te roepen, nu de bodemrechter (in zijn uitspraak van 6 april 1998) slechts na een gemotiveerde ontleding van de samenstellende elementen van deze spot tot het besluit kwam dat niet voldaan was aan de originaliteitsvereisten. Zoals in de vorige twee onderdelen van dit tweede middel uiteengezet, werd het door eiseres voor het hof van beroep ingeroepen gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13 september 1999, verworpen (p. 8-9 van het bestreden arrest) louter op grond van een, volgens eiseres ten onrechte beweerde, tegenstrijdigheid in de motivering van bedoeld arrest (zie de eerste twee onderdelen van het middel). Het bestreden arrest stelt vast (p. 8) dat het door eiseres ingeroepen gezag van gewijsde van het arrest van 13 september 1999 van het Hof van Beroep te Antwerpen gesteund was op de vaststelling dat laatstgenoemd arrest, volgens eiseres, geoordeeld had dat reeds in het vonnis dd. 6 maart 1997 van de stakingsrechter werd beslist dat verweerster m.b.t. het model van lichtspot ref. nr. 4865 geen auteursrecht had en dat verweerster zulks in conclusie voor de rechter zelfs erkend had. In het arrest van 13 september 1999 (p. 4) werd inderdaad beslist dat de intellectueelrechtelijke bescherming wel degelijk het voorwerp was van het debat van de stakingsrechter en dat verweerster in conclusies van de stakingsrechter erkende geen intellectueelrechtelijke bescherming te genieten. Het arrest van 13 september 1999 stelde vast dat de stakingsrechter (in zijn vonnis van 6 maart 1997) de vordering had afgewezen op grond van de afwezigheid van intellectueelrechtelijke bescherming. Door dit arrest van 13 september 1999 was derhalve op definitieve wijze beslist dat reeds tijdens procedure van de stakingsrechter en uit diens vonnis van 6 maart 1997 was komen vast te staan dat verweerster zich voor het bestreden product (de lichtspot ref. nr. 4865) niet kon beroepen op enige intellectueelrechtelijke bescherming. Het bestreden arrest dat overigens toegeeft (p. 7 onderaan) dat verweerster "foutief zou gehandeld hebben indien zij begin 1998 zelf ernstige twijfels moest gehad hebben over het bestaan van enige auteursrechtelijke bescherming voor de lichtspot ref. nr. 4865 en desondanks toch toelating tot beslag inzake namaak vroeg" kon niet, zonder miskenning van hetgeen werd beslist in het arrest van 13 september 1999, oordelen dat door de stakingsrechter in 1997 nog niets beslist was omtrent de auteursrechtelijke bescherming van het betrokken product en dat verweerster derhalve geen foutief beroep gedaan had op de procedure van beslag inzake namaak - d.i. in januari 1998 volgens de vaststellingen in het arrest - door een auteursrechtelijke bescherming van de lichtspot in te roepen (arrest, p.11). De grondslag voor deze beslissing - verweerster moest in januari 1998 bij het beslag inzake namaak niet ernstig twijfelen over het bestaan van auteursrechtelijke bescherming voor haar product - is onverenigbaar met het door het arrest van 13 september 1999 gewijsde zodat het daaraan toekomend gezag, derhalve de desbetreffende artikelen 23 tot en met 27 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden zijn (Cass., 14 februari 2002, rolnr. C.99.0088.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.7). Om dezelfde redenen kon het bestreden arrest ook niet wettig oordelen dat verweerster niet foutief beroep gedaan had op de procedure van beslag inzake namaak en geen foutief gebruik had gemaakt van dit beslag. Het arrest heeft derhalve ook de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek geschonden door in de bovenvermelde omstandigheden en op grond van de vermelde redenen te oordelen dat verweerster geen fout of onrechtmatige daad in de zin van deze artikelen had begaan. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, degene die last geeft tot tenuitvoerlegging van een vonnis, waarvan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, handelt op eigen risico, onverminderd de regels inzake kantonnement ; Overwegende dat die wetsbepaling geen toepassing vindt op de tenuitvoerlegging van een beslissing die werd ingetrokken op grond van artikel 1419, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de beslagene, in geval van veranderde omstandigheden, toelaat de wijziging of de intrekking van de beschikking, waarbij toelating tot beslag inzake namaak wordt verleend te vragen ; Dat het middel faalt naar recht ; 2. Tweede middel 2.1. Eerste onderdeel Overwegende dat verweerster in haar appèlconclusie aanvoerde dat het Hof van Beroep te Antwerpen in zijn arrest van 13 september 1999 "enerzijds het bestaan van het gezag van gewijsde van het stakingsbevel van 6 maart 1997 heeft bevestigd (en aldus het vonnis van de eerste rechter bevestigde, stellende dat het hof noch de rechtbank zich mocht uitspreken over het auteursrechtelijke luik), doch het anderzijds nodig vond om niet minder dan vier pagina's te wijden aan het op uitvoerige wijze beoordelen van het al dan niet bestaan van auteursrecht op de ter bescherming ingeroepen spots van (verweerster)" en "dat derhalve slechts kan worden vastgesteld dat de stelling van (eiseres) aangaande het beweerde gezag van gewijsde van het stakingsbevel door de bodemrechter ernstig betwist is" ; Dat het arrest door in die omstandigheden te overwegen dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13 september 1999 tegenstrijdig is gemotiveerd "nu het onderzoek naar de originaliteitvereiste juist vooronderstelt dat het hof wel nog rechtsmacht had om te oordelen over de gegrondheid van de door (verweerster) ingeroepen intellectueelrechtelijke bescherming (en (eiseres) zich dan ook ten onrechte beriep op het gezag van gewijsde van het vonnis d.d. 6 maart 1997 van de stakingsrechter)" en dat "deze tegenstrijdigheid belet dat (eiseres) zich in huidige procedure zou kunnen beroepen op het gezag van gewijsde van de overweging in het arrest d.d. 13.9.1999", geen betwisting opwerpt die door de partijen in conclusie was uitgesloten en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2.2. Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters door te oordelen dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13 september 1999 tegenstrijdig is gemotiveerd, geen uitlegging geven van dit arrest die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en derhalve de bewijskracht ervan niet miskennen ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2.3. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel er geheel van uitgaat dat eiseres zich kan beroepen op het gezag van gewijsde van het arrest van 13 september 1999 ; Dat uit het antwoord op het eerste en het tweede onderdeel volgt dat de appèlrechters hebben geoordeeld dat eiseres zich niet kan beroepen op het gezag van gewijsde van het arrest van 13 september 1999 en dat dit oordeel tevergeefs wordt bekritiseerd ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van achthonderd negentien euro zes cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tien september tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070330.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250911.1N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950407.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.