← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.8 Rolnummer: C.04.0154.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-03 15:16 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wet vereist dat de inhoud van het verzoekschrift tot heropening van het debat en de samen ermee neergelegde stukken de rechter de mogelijkheid bieden de invloed van het nieuw stuk of feit op het geschil te beoordelen, meer bepaald of deze van overwegend belang zijn, maar niet dat de vermelde gegevens zouden geïnventariseerd worden, dat uitdrukkelijk zou worden gesteld dat ze van overwegend belang zouden zijn en dat daarover geen uitgebreid commentaar zou worden gegeven

(1).
(1)Zie Cass., 12 juni 1980, A.C., 1979-1980, nr 640. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Aanvraag tot heropening van het debat Verzoekschrift Vereisten Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.772en773 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0154.N.- R.J. eiser, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Cassatie van 29 maart 2004, nr. G.04.0038.N, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen K.J. verweerster, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Cassatie van 14 juni 2004, nr. G.04.0087.N, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 772, 773 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het hof van beroep wijst eisers verzoek tot heropening der debatten af en verklaart verweersters hoger beroep gedeeltelijk gegrond o.m. op grond : "2. (...) dat partijen ter terechtzittingen van 1 april 2003 en, na herneming, op 10 juni 2003 werden gehoord en de zaak in beraad werd genomen voor uitspraak van het arrest op 9 september 2003 ; dat de vader op 11 augustus 2003 een verzoekschrift tot heropening der debatten heeft neergelegd ; dat dit overeenkomstig artikel 773 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 augustus aan de moeder en haar raadslieden ter kennis werd gebracht ; dat de moeder op 20 augustus 2003 besluiten heeft neergelegd samen met 4 stukken, waarin zij de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het verzoek opwerpt ; dat de vader op 5 september 2003 nog een 'aanvullende nota bij verzoek heropening der debatten' neerlegde ; (...) dat het verzoek tot heropening der debatten moet worden verworpen ; dat er immers in het verzoekschrift melding wordt gemaakt van nieuwe gegevens, die echter niet door bijgevoegde stukken werden gestaafd en ook niet geïnventariseerd werden, terwijl evenmin werd gesteld dat deze stukken van overwegend belang zijn, zodat het Hof niet kan nagaan of er wel degelijk nieuwe stukken en/of gegevens zijn die het verzoek zouden kunnen verantwoorden ; dat er bovendien uitgebreid over die gegevens uitleg en commentaar wordt gegeven terwijl het artikel 773 van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat het nieuw stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting ; dat bij gebreke aan correcte toepassing van de regels betreffende het verzoek tot heropening der debatten, het verzoek niet kan ingewilligd worden". Grieven 1.1 a. Naar luid van artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek kan een verschijnende partij die gedurende het beraad een "nieuw stuk of feit van overwegend belang" ontdekt, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen. Volgens artikel 773 van hetzelfde wetboek wordt de aanvraag in handen van de rechter gedaan door middel van een verzoekschrift, waarin het nieuwe stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting, en doet de rechter uitspraak op stukken. Deze wetsbepalingen schrijven geenszins voor dat de in bedoeld verzoek vermelde nieuwe gegevens worden "gestaafd door stukken", noch dat ze "geïnventariseerd" worden, noch dat een verzoek om heropening van de debatten waarin "over die gegevens uitgebreid uitleg en commentaar wordt gegeven" niet kan worden ingewilligd omdat artikel 773 niet correct wordt toegepast. De termen "zonder nadere toelichting" in voormeld artikel 773 betekenen enkel dat het volstaat dat de verzoeker voldoende nauwkeurig het door hem ingeroepen nieuw stuk of feit en het overwegend belang ervan voor de oplossing van het geschil omschrijft. b. Bovendien vermeldt de door eiser op 5 september 2003 neergelegde "aanvullende nota bij verzoek heropening der debatten" een "inventaris" van stukken, bevattende : 1. Vonnis van de Familierechtbank dd. 15.04.2003 ; 2. Vonnis van de Arrondissementsrechtbank dd. 18 juni 2003 ; 3. Cassatiearrest van 30 juni 2003. 1.2 Eiser voerde in zijn verzoekschrift tot heropening van de debatten o.m. aan wat volgt : "1. Op de zitting van 10 juni werden door (verweerster) verscheidene stukken naar voor gebracht aangaande de procedures welke hangende zijn in Israël. Het laatste arrest van de Arrondissementsrechtbank te Jeruzalem, uitgesproken op 18 juni 2003, werd echter nog niet voorgebracht. (Eiser) is nu in het bezit van dit 25 bladzijden tellende arrest. In dit arrest, wordt het vonnis uitgesproken op 15 april 2003 van de Familierechtbank te Jeruzalem, integraal bevestigd. Tevens wordt benadrukt dat (verweerster) er alles aan doet om de procedure onnodig te rekken en dat zij zich nooit houdt aan de uitspraken gedaan door de rechtbank. In dit arrest wordt net zoals in het vonnis dd. 15.04.2003 duidelijk gesteld dat de twee minderjarige kinderen van partijen, L. en C., door (verweerster) tegen alle rechterlijke uitspraken in, werden "ontvoerd" naar Israël. Tevens dient vastgesteld te worden dat door de maatschappelijke assistenten die de kinderen spraken kort na hun aankomst in Israël enkel kon vastgesteld worden dat de kinderen een goede band hadden met hun vader en alleszins geen angst voor hem vertoonden. Het arrest bevestig(
  1. t)dan ook de stelling van de Voorzitter van de Familierechtbank te Jeruzalem die tot het besluit kwam dat de zogenaamde angst van de kinderen tegenover hun vader, hen ingelepeld werd door de moeder. Er dient tevens in gedachten gehouden te worden dat de moeder steeds ervoor heeft gezorgd dat de kinderen niet persoonlijk door de rechtbank gehoord konden worden. De waarde van de psychiatrische verslagen die worden voorgebracht door (verweerster) is dan ook twijfelachtig. Er wordt verder dan ook besloten dat de plaats van de meisjes in België is en dat (verweerster) er zorg dient voor te dragen dat de kinderen effectief kunnen terugkeren naar België, indien zij hieraan geen gevolg geeft zal de politie helpen in het uitvoeren van deze beschikking, tevens worden alle uitreisbevelen opgeheven. Tegen dit arrest van 18 juni 2003 van de Arrondissementsrechtbank te Jeruzalem werd door (verweerster) eveneens cassatieberoep aangetekend. Op 30 juni 2003 deed het Hof van Cassatie te Jeruzalem uitspraak en wees het beroep van (verweerster) af, onder andere daar het beroep als het zoveelste vertragingsmaneuver van de zijde van (verweerster) werd aanzien. (Eiser) is dus intussen in het bezit van zowel het arrest dd. 18.06.2003 van de Arrondissementsrechtbank te Jeruzalem als van het Cassatiearrest dd. 30.06.2003, welke beide werden uitgesproken na de laatste zitting van het hof van beroep op 10 juni 2003. Daar deze beslissingen aangaande de kinderen, de procedure in Israël beëindigen, en door het verwerpen van het cassatieberoep, het vonnis van de Familierechtbank te Jeruzalem dd. 15.04.2003 en het arrest van de Arrondissementsrechtbank dd. 18.06.2003 definitief zij(
  2. n)geworden, is de eindbeslissing in Israël gevallen dat de minderjarige kinderen naar België dienen terug te keren. Het is dan ook noodzakelijk dat het hof van beroep kennis neemt van deze recente procedure stukken. 2. Na de zitting van 10 juni 2003 richtte Mr. H.C., één van de twee raadslieden van (verweerster) een verzoek aan advocaat-generaal M., om diens advies, dat hij op het einde van de zitting mondeling had gegeven, eveneens schriftelijk mee te delen. De heer M. ging in op dit verzoek, maar deelde dit advies niet mee noch aan verzoeker, noch aan diens raadsman. Uiteindelijk wend(d)e (verweerster) dit stuk aan in de procedure (
  3. in)Israël, om alzo te verhinderen dat de kinderen naar België zouden dienen terug te keren. Op deze manier is (eiser) in kennis gesteld van het bestaan van een schriftelijk advies, zonder hierop echter gepast te kunnen reageren, daar het stuk hem niet vooraf was meegedeeld. Verder werd een brief uitgaande van toenmalig minister van Justitie, de heer M.V., aan zijn ambtsgenoot in Israël, T.L. voorgelegd. In deze brief stelde de heer V. dat hij een alarmerend rapport zou hebben gekregen over de situatie van de kinderen wanneer deze zouden verplicht worden naar hun vader terug te keren, hij verzoekt verder op basis van deze eenzijdige inlichtingen en zonder verder onderzoek dat de kinderen niet zouden teruggezonden worden naar België. Hieruit blijkt dat tijdens het beraad een aantal activiteiten werden ontwikkeld, vooruitlopend op de beslissing van het hof. In de gegeven omstandigheden, in het licht van deze bijkomende stukken, is een heropening van de debatten noodzakelijk". Uit voormelde bewoordingen volgt dat eiser in zijn verzoek wel degelijk, in strijd met de vaststelling in het aangevochten arrest, het "overwegend belang" van de door hem ingeroepen nieuwe stukken en feiten voor de oplossing van het geschil tussen partijen, op omstandige en nauwkeurige wijze heeft omschreven. Door het tegendeel te beslissen, m.n. dat niet "werd gesteld dat deze stukken van overwegend belang zijn", geeft het hof dan ook aan eisers verzoekschrift een uitlegging die onverenigbaar is met zijn bewoordingen en schendt het bijgevolg de bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). 1. Door eisers verzoek om heropening van het debat niet in te willigen "bij gebreke aan correcte toepassing van de regels betreffende het verzoek tot heropening der debatten", meer bepaald wegens het niet staven "door bijgevoegde stukken" die "ook niet geïnventariseerd werden" - en zonder acht te slaan op de inventaris gevoegd bij eisers aanvullende nota dd. 5 september 2003 - en omdat "uitgebreid over die gegevens uitleg en commentaar wordt gegeven", verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 772, 773 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Bovendien schendt het arrest de bewijskracht van eisers verzoekschrift door te overwegen dat daarin niet "werd gesteld dat deze stukken van overwegend belang zijn" (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek, indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van het debat kan vragen ; Dat, krachtens artikel 773 van dit wetboek, de aanvraag in handen van de rechter wordt gedaan door middel van een verzoekschrift, waarin het nieuwe stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting, en dat, na vervulling van de formaliteiten van dit artikel, de rechter uitspraak doet op stukken ; Overwegende dat deze wetsbepalingen weliswaar vereisen dat de inhoud van het verzoekschrift en de samen met dat verzoekschrift neergelegde stukken de rechter de mogelijkheid bieden de invloed van het nieuwe stuk of feit op het geschil te beoordelen, meer bepaald of deze van overwegend belang zijn, maar niet vereisen, zoals het bestreden arrest het doet, dat de vermelde gegevens geïnventariseerd zouden worden, dat uitdrukkelijk zou worden gesteld dat de gegevens van overwegend belang zouden zijn en dat er geen uitgebreid commentaar over die gegevens zou worden gegeven ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat eiser op 11 augustus 2003 een verzoekschrift tot heropening van het debat heeft neergelegd ; Dat de appèlrechters het verzoek tot heropening van het debat verwerpen omdat "er immers in het verzoekschrift melding wordt gemaakt van nieuwe gegevens, die echter niet door bijgevoegde stukken werden gestaafd en ook niet geïnventariseerd werden, terwijl evenmin werd gesteld dat deze stukken van overwegend belang zijn, zodat het Hof niet kan nagaan of er wel degelijk nieuwe stukken en/of gegevens zijn die het verzoek zouden kunnen verantwoorden" en "er bovendien uitgebreid over die gegevens uitleg en commentaar wordt gegeven terwijl artikel 773 van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat het nieuw stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting" ; Dat de appèlrechters, door op die gronden te oordelen "dat bij gebreke aan correcte toepassing van de regels betreffende het verzoek tot heropening der debatten, het verzoek niet kan ingewilligd worden", de artikelen 772 en 773 van het Gerechtelijk Wetboek schenden ; Dat het middel in zoverre gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tien september tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.