id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.4 Rolnummer: P.04.0940.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2004-12-23 Raadplegingen: 425 - laatst gezien 2026-07-05 02:18 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling die geroepen wordt om met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uitspraak te doen over de regelmatigheid van de haar voorgelegde rechtspleging, heeft daarover geen rechtsmacht meer wanneer het vonnisgerecht, waarvoor de zaak door een verwijzingsbeschikking van de raadkamer aanhangig gemaakt werd, reeds over de gegrondheid van de strafvordering uitspraak heeft gedaan; het staat de partijen immers om tegen die uitspraak de door de wet bepaalde rechtsmiddelen aan te wenden, waarbij zij alle verweermiddelen kunnen laten gelden, onder meer deze die betrekking hebben op de regelmatigheid van het strafonderzoek
(1).
(1)Eiser werd bij beschikking van de raadkamer te Hasselt op 15 dec. 2000 verwezen naar de correctionele rechtbank. Navolgend werd hij gedagvaard voor deze rechtbank en bij verstek veroordeeld bij vonnis van 10 okt.
- Op 15 nov. 2001 stelde eiser ook hoger beroep in tegen de verwijzingsbeschikking van 15 dec.
- Op het ogenblik van de uitspraak van het bestreden arrest van 27 mei 2004 bestond het verstekvonnis van 10 okt. 2001 nog steeds, aangezien op 16 jan. 2002, bij vonnis op verzet, de behandeling voor de correctionele rechtbank werd geschorst tot de uitspraak over het hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, zonder dat reeds werd geoordeeld over de ontvankelijkheid van het verzet. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Regeling van de rechtspleging door de raadkamer Verwijzing naar de correctionele rechtbank Verstekvonnis waarbij de correctionele rechtbank zich uitspreekt over gegrondheid van de strafvordering Verzet tegen het verstekvonnis Hoger beroep tegen de eerdere verwijzingsbeschikking Behandeling op verzet geschorst tot de uitspraak over het hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking Kamer van inbeschuldigingstelling Rechtsmacht Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Regeling van de rechtspleging door de raadkamer Verwijzing naar de correctionele rechtbank Verstekvonnis waarbij de correctionele rechtbank zich uitspreekt over gegrondheid van de strafvordering Verzet tegen het verstekvonnis Hoger beroep tegen de eerdere verwijzingsbeschikking Behandeling op verzet geschorst tot de uitspraak over het hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking Kamer van inbeschuldigingstelling Rechtsmacht Fiches 3 - 4 Wanneer de correctionele rechtbank, voor dewelke de zaak door een verwijzingsbeschikking van de raadkamer aanhangig wordt gemaakt, ten gronde uitspraak doet, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling, op het hoger beroep tegen die verwijzingsbeschikking, geen rechtsmacht om zich uit te spreken over de regelmatigheid van de door die rechtbank uitgesproken beslissing
(1).
(1)Eiser werd bij beschikking van de raadkamer te Hasselt op 15 dec. 2000 verwezen naar de correctionele rechtbank. Navolgend werd hij gedagvaard voor deze rechtbank en bij verstek veroordeeld bij vonnis van 10 okt.
- Op 15 nov. 2001 stelde eiser ook hoger beroep in tegen de verwijzingsbeschikking van 15 dec.
- Op het ogenblik van de uitspraak van het bestreden arrest van 27 mei 2004 bestond het verstekvonnis van 10 okt. 2001 nog steeds, aangezien op 16 jan. 2002, bij vonnis op verzet, de behandeling voor de correctionele rechtbank werd geschorst tot de uitspraak over het hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, zonder dat reeds werd geoordeeld over de ontvankelijkheid van het verzet. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Regeling van de rechtspleging door de raadkamer Verwijzing naar de correctionele rechtbank Uitspraak ten gronde Hoger beroep tegen de eerdere verwijzingsbeschikking Rechtsmacht van de kamer van inbeschuldigingstelling Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Regeling van de rechtspleging door de raadkamer Verwijzing naar de correctionele rechtbank Uitspraak ten gronde Hoger beroep tegen de eerdere verwijzingsbeschikking Rechtsmacht van de kamer van inbeschuldigingstelling Tekst van de beslissing Nr. P.04.0940.N D. M. M. L., eiser, in verdenking gestelde, met als raadsman Mr. Georges Coenen, advocaat bij de balie te Turnhout, tegen ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, met kantoren te Hasselt, Voortstraat 41-43, verweerster, burgerlijke partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 27 mei 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie vijf grieven voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat in zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling geroepen werd uitspraak te doen over eisers verwijzing naar de correctionele rechtbank, de overschrijding van de redelijke termijn en de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van verweerster, het arrest geen eindbeslissing inhoudt noch uitspraak doet in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; Dat het cassatieberoep in zoverre niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de grieven
- Tweede grief Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling die geroepen is om met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uitspraak te doen over de haar voorgelegde rechtspleging, daarover geen rechtsmacht meer heeft wanneer het vonnisgerecht waarvoor de zaak door een verwijzingsbeschikking van de raadkamer aanhangig gemaakt werd, reeds over de gegrondheid van de strafvordering uitspraak gedaan heeft; dat het de partijen immers staat om tegen die uitspraak de door de wet bepaalde rechtsmiddelen aan te wenden; Overwegende dat uit de stukken van de rechtspleging, onder meer het bestreden arrest, blijkt dat eiser bij beschikking van de raadkamer van 15 december 2000 naar de correctionele rechtbank werd verwezen en dat de correctionele rechtbank bij vonnis van 10 oktober 2001 over de telastlegging uitspraak gedaan heeft; dat dit vonnis, ondanks het daartegen door eiser gedane verzet dat nog niet ontvankelijk werd verklaard, steeds bestaat; Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling derhalve geen rechtsmacht meer had om over de regelmatigheid van de haar voorgelegde rechtspleging uitspraak te doen; Dat de grief, die uitgaat van het tegendeel, niet kan worden aangenomen;
- Derde grief Overwegende dat de rechtsmacht van de onderzoeksgerechten met betrekking tot de hen voorgelegde rechtspleging slechts bestaat voor zover nog geen uitspraak van het vonnisgerecht over de strafvordering bestaat; dat hierdoor geen bijkomende voorwaarde aan de toepassing van artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering wordt toegevoegd; Overwegende dat wanneer de correctionele rechtbank, voor dewelke de zaak door een verwijzingsbeschikking van de raadkamer aanhangig wordt gemaakt, ten gronde uitspraak doet, de kamer van inbeschuldigingstelling, op het hoger beroep tegen die verwijzingsbeschikking, geen rechtsmacht heeft om zich uit te spreken over de regelmatigheid van de door die rechtbank uitgesproken beslissing; Dat de grief faalt naar recht;
- Vierde grief Overwegende dat de omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmacht meer heeft niet belet dat de beklaagde dank zij de rechtsmiddelen die hij tegen het vonnis van de correctionele rechtbank kan aanwenden, alle verweermiddelen, onder meer deze met betrekking tot de regelmatigheid van het strafonderzoek, kan laten gelden; Dat de grief faalt naar recht;
- Vijfde grief Overwegende dat de grief afgeleid is uit de in de vierde grief vergeefs aangevoerde onwettigheid; Dat de grief niet ontvankelijk is;
- Eerste grief Overwegende dat bij afwezigheid van rechtsmacht, de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak hoefde te doen over de in de grief aangevoerde onregelmatigheden; Dat de grief niet kan worden aangenomen; C. Ambtshalve onderzoek Overwegende dat voor het overige de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van achtentachtig euro zevenenveertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250603.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140916.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div