← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.7 Rolnummer: P.04.0632.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-03 15:14 Fiche Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - ALGEMEEN - CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET - Vrije woorden: CASSATIEBEROEP Tekst van de beslissing Nr. P.04.0632.N I. B. G. R., eiser, beklaagde. II. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, eiser tot cassatie in het belang van de wet, tegen B. G. R., reeds vermeld, verweerder, beklaagde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep van de eiser B. G. R. is gericht tegen de arresten, op 18 december 2002 en op 2 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. Het cassatieberoep van de Procureur-generaal is gericht tegen het voormelde arrest van 18 december 2002. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser B. G. R. stelt geen middel voor. De schriftelijke vordering van de procureur-generaal bij het Hof, ingesteld overeenkomstig artikel 442 Wetboek van Strafvordering, wordt aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van B. G. R. Overwegende dat het verstekarrest van 2 april 2003 op strafgebied eisers verzet tegen het verstekarrest van 18 december 2002 als ongedaan beschouwt wegens niet-verschijning; Overwegende dat het arrest van 2 april 2003 op verzet is gewezen, zodat het niet meer vatbaar is voor verzet; dat bijgevolg de termijn om cassatieberoep aan te tekenen ingaat de dag na de betekening, ook al is de betekening niet aan de beklaagde in persoon gedaan; Overwegende dat het arrest van 2 april 2003, met toepassing van artikel 37, ,§ 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, aan de woonplaats van eiser op 14 april 2003 werd betekend, met afgifte van het afschrift van het exploot door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder op het politiecommissariaat van de plaats van betekening; Dat bijgevolg het cassatieberoep van 25 maart 2004 tegen het arrest van 2 april 2003 werd aangetekend na het verstrijken van de termijn voorgeschreven bij artikel 373 Wetboek van Strafvordering en niet ontvankelijk is; Overwegende dat de termijn waarover eiser beschikt om zich in cassatie te voorzien tegen het verstekarrest van 18 december 2002, waartegen hij een verzet heeft gedaan dat als ongedaan wordt beschouwd, dezelfde is als die waarover hij beschikte om cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van 2 april 2003; Dat deze termijn verstreken is, zodat het cassatieberoep tegen het arrest van 18 december 2002 evenmin ontvankelijk is; B. Cassatieberoep op grond van artikel 442 Wetboek van Strafvordering van de Procureur-generaal Overwegende dat bij ontstentenis van hoger beroep vanwege het openbaar ministerie tegen het verstekvonnis van 21 februari 2001, de appèlrechters, uitspraak doende op het hoger beroep van het openbaar ministerie en van de beklaagde B. G. R. tegen het vonnis van 25 april 2001, gewezen op het verzet van laatstgenoemde, de door het verstekvonnis van 21 februari 2001 uitgesproken straf niet mochten verzwaren; Dat de appèlrechters die B. G. R. bij verstekarrest van 18 december 2002 veroordelen tot eenzelfde hoofdgevangenisstraf en geldboete als het verstekvonnis van 21 februari 2001, echter met een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen in plaats van 75 dagen, wat dit laatste betreft, hun beslissing niet naar recht verantwoorden; Dat de vordering gegrond is; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep van B. G. R. ; Veroordeelt hem tot de kosten van zijn cassatieberoep; Rechtdoende op het cassatieberoep van de procureur-generaal, vernietigt, maar alleen in het belang van de wet, het arrest van 18 december 2002 in zoverre B. G. R. daarbij wordt veroordeeld tot een vervangende gevangenisstraf die 75 dagen overschrijdt; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Laat de kosten ten laste van de Staat; Zegt dat er geen grond bestaat tot verwijzing. Gezegde kosten begroot op het cassatieberoep van B. G. R. op de som van honderd en een euro een cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.