← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040919.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040919.1 Rolnummer: C.02.0282.N Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 721 - laatst gezien 2026-07-05 01:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Ook indien de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk de toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten, dient de geldigheid van de overeenkomst beoordeeld te worden op grond van de op het ogenblik van het totstandkomen ervan toepasselijke wet

(1). Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE - Werking in de tijd - Overeenkomst - Nieuwe wet Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 2 Vrije woorden: OVEREENKOMST ALGEMENE BEGRIPPEN - Geldigheid - Nieuwe wet Nota:
(1)Zie Cass., 28 februari 2003, C.02.0603.N, nr ...; 6 maart 2003, AR C.02.0132.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030306.7, nr ... . Tekst van de beslissing Nr. C.02.0282.N GISA INDUSTRY, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met vennootschapszetel te 1400 Nivelles, rue aux Souris 3, ingeschreven in het handelsregister te Nivelles, nummer 82.837, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen P.P. verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 december 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 96 en 128 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel dat de wet geen terugwerkende kracht heeft ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van de rechten van de verdediging en artikel 774, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaart het door eiseres ingestelde hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en hervormt daarentegen op incidenteel beroep van verweerder de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken veroordeling tot betaling van achterstallige huurgelden. Het bestreden arrest steunt op volgende overwegingen : "(Verweerder) werpt in zijn besluiten voor het hof op, dat de desbetreffende overeenkomsten nietig zijn, nu zij een ongeoorloofde oorzaak en voorwerp hebben, meer bepaald dat de munttoestellen niet de wettelijke goedkeuring dragen, en dat (eiseres) het bewijs niet levert van de goedkeuring ; Artikel 96 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, bepaalt dat het verboden is een eindapparaat op het Belgische grondgebied of bestemd voor dit grondgebied te verkopen, te verhuren, in leen te geven of op een andere wijze ter beschikking te stellen, te kopen of ter verhuring aan te bieden, zonder op het eindapparaat zijn goedkeuring of het gebrek aan goedkeuring te vermelden op de wijze, bepaald door de minister of op voorstel van het instituut ; Dit verbod wordt tevens strafrechtelijk gesanctioneerd door artikel 114, ,§2, van de voornoemde wet en, in geval van veroordeling, kan de verbeurdverklaring uitgesproken worden door de rechter op basis van artikel 117 van voormelde wet ; Nu alleen zaken die in de handel zijn, het voorwerp van overeenkomsten kunnen uitmaken, dient onderzocht te worden of voormelde apparaten voldoen aan de wettelijke vereisten ; (Verweerder) heeft uitdrukkelijk in zijn besluiten, neergelegd ter griffie van het hof op 11 oktober 1996, om overlegging gevraagd vanwege (eiseres) van de noodzakelijke goedkeuringsattesten ; (Eiseres) beperkt zich ertoe een schrijven voor te leggen van een onleesbare datum, uitgaande van de toenmalige R.T.T., waaruit kan afgeleid worden dat de goedkeuring mogelijk is, maar deze slechts voorwaardelijk werd afgeleverd, onder voorwaarde dat door (eiseres) een aantal verbintenissen zouden worden nageleefd ; Het hof vermag niet af te leiden uit dit schrijven dat (eiseres) deze voorwaarde is nagekomen ; Indien (eiseres) werkelijk deze goedkeuring had bekomen, dan had zij, nu hier herhaaldelijk door (verweerder) om gevraagd zijnde, een definitieve goedkeuring kunnen en dienen voor te leggen ; Zich enkel beperken tot het voorleggen van voormeld schrijven, is niet voldoende om te bewijzen dat (eiseres) een definitieve goedkeuring had, op het ogenblik van de verhuur, voor de desbetreffende verhuurde toestellen ; Enkel (eiseres) diende te bewijzen dat zij een definitieve goedkeuring had, op het ogenblik van de verhuur ; Als eisende partij laat zij na dit te doen ; Nu (eiseres) niet bewijst dat zij de definitieve goedkeuring had, bracht zij zaken in de handel die niet het voorwerp van overeenkomsten kunnen uitmaken en maakt de verbintenis tevens een ongeoorloofde oorzaak uit ; De overeenkomsten betreffende de verhuring van het toestel Phonotaxe BTE 25 dienen dan ook nietig verklaard te worden". Grieven
  1. Eerste onderdeel Schending van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, miskenning van het in dat artikel vastgelegde algemeen rechtsbeginsel dat wetten geen terugwerkende kracht hebben en schending van de artikelen 96 en 128 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Het hof van beroep besluit in hoofde van eiseres tot een inbreuk op artikel 96 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, omdat eiseres volgens het hof had nagelaten aan te tonen dat zij "op het ogenblik van de verhuur" over de in artikel 96 voorgeschreven goedkeuring beschikte, zodat volgens het arrest een ongeldig voorwerp in de handel werd gebracht, i.e. ter verhuring werd aangeboden. Overeenkomstig het in het bestreden arrest weergegeven artikel 96 van de Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven is het verboden om op het Belgische grondgebied een eindapparaat te verhuren of ter verhuring aan te bieden, wanneer dit apparaat geen goedkeuring of gebrek aan goedkeuring vermeldt (cf. A. De Jonghe, "Eindapparatuur", in J. Dumortier (ed.), Recente ontwikkelingen in media- en telecommunicatierecht, Brugge, Die Keure, 1996, 289). Deze verbodsbepaling maakt deel uit van hoofdstuk VIII van titel III van de wet van 21 maart
  2. Artikel 128 van deze wet bepaalt echter : "De artikelen 71 tot en met 79 treden in werking de dag waarop zij in het Belgische Staatsblad worden bekendgemaakt. De andere bepalingen van deze titel treden in werking nadat 1° Belgacom ingedeeld werd bij de autonome overheidsbedrijven en 2° de termijn van drie maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het administratief en geldelijk statuut van het personeel en van de personeelsformatie en van het taalkader van het instituut is verstreken". Het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 tot goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Regie van Telegrafie en Telefonie en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Regie bij de autonome overheidsbedrijven werd op 4 september 1992 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en trad op die datum in werking. Ten gevolge van deze publicatie werd de Regie van Telegrafie en Telefonie uit het toepassingsgebied van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut verwijderd en werd Belgacom de officiële benaming voor de openbare telecommunicatie-operator die op dat ogenblik een autonoom overheidsbedrijf werd (cf. ook artikel 1, ,§3, van de wet en J. Vantomme, "Belgacom in het nieuwe telecommunicatielandschap", in C. De Keersmaeker (ed.), Mediarecht, Diegem, Kluwer, losbladig, VIII, 2.3.1). Anderzijds werden de koninklijke besluiten houdende verloning, sociale voordelen, taalkaders enz. op 18 maart 1993 afgekondigd en vervolgens op 28 april 1993 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. In voorliggend geval werden de huurovereenkomsten betreffende de munttelefoontoestellen op 26 maart 1992 gesloten, i.e. voorafgaand aan voormelde data van inwerkingtreding van de bepalingen van titel III van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, in het bijzonder artikel
  3. Nu geen enkele bepaling van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bepaalt dat artikel 96 terugwerkende kracht heeft, kon het hof niet zonder schending van artikel 128 van de wet van 21 maart 1991 iuncto artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het in dat artikel vervatte algemeen rechtsbeginsel dat wetten geen terugwerkende kracht hebben, toepassing maken van artikel 96 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Door het ten onrechte toepassen van deze wetsbepaling op een voor de inwerkingtreding ervan voltrokken rechtshandeling heeft het hof van beroep derhalve zowel dit artikel 96 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven als artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en de artikel 128 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven miskend.
  4. Tweede onderdeel Schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van de rechten van de verdediging en van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek. Vermits verweerder zich er in zijn beroepsconclusie toe beperkte om in de meest algemene bewoordingen schending aan te voeren van "wettelijke bepalingen", vermocht het hof van beroep niet zonder miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van de rechten bovenvermeld artikel 96 toe te passen, zonder aan de gedingvoerende partijen de mogelijkheid te bieden om hun standpunt te doen kennen ten aanzien van deze bepaling. Desgevallend had het hof van beroep, overeenkomstig artikel 774, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek, een heropening van de debatten moeten bevelen. IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerking van de wet, dat vervat is in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe wet in de regel niet enkel van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten ; Dat evenwel inzake overeenkomsten de oude wet van toepassing blijft tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk de toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten ; Dat de geldigheid van de overeenkomst echter dient beoordeeld te worden op grond van de op het ogenblik van het totstandkomen ervan toepasselijke wet ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat :
  5. tussen de partijen op 26 maart 1992, elf huurovereenkomsten werden gesloten met betrekking tot de huur door verweerder van munttelefoons ;
  6. artikel 96 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, bepaalt dat het verboden is een eindapparaat op het Belgisch grondgebied of bestemd voor dit grondgebied, te verkopen, te verhuren, in leen te geven of op een andere wijze ter beschikking te stellen, te kopen of ter verhuring aan te bieden, zonder op het eindapparaat de goedkeuring of gebrek aan goedkeuring te vermelden op de wijze bepaald door de minister of op voorstel van het Instituut ;
  7. eiseres niet het bewijs levert dat op het ogenblik van de verhuur, de verhuurde munttelefoons een definitieve goedkeuring hadden verkregen ; Dat het arrest op grond hiervan oordeelt dat "(eiseres) zaken in de handel (bracht) die niet het voorwerp van overeenkomsten kunnen uitmaken" en dat "de verbintenis tevens een ongeoorloofde oorzaak uit(maakt)", zodat de overeenkomsten betreffende de verhuring van de munttelefoons dienen nietig te worden verklaard ; Overwegende dat artikel 96 van de voornoemde wet van 21 maart 1991, ingevolge artikel 128, tweede lid, van dezelfde wet, in werking treedt nadat : 1° Belgacom ingedeeld werd bij de autonome overheidsbedrijven ; 2° de termijn van drie maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het administratief en geldelijk statuut van het personeel en van de personeelsformatie en van het taalkader van het Instituut is verstreken ; Dat enerzijds, het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 tot goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Regie van Telegrafie en Telefonie en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Regie bij de autonome overheidsbedrijven, op 4 september 1992 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd en op die datum in werking trad ; dat anderzijds, de koninklijke besluiten omtrent het administratief en geldelijk statuut van het personeel en van de personeelsformatie en van het taalkader van het Instituut genomen in uitvoering van voormeld artikel 128, tweede lid, op 18 maart 1993 afgekondigd werden en op 28 april 1993 in het Belgisch Staatsblad zijn gepubliceerd ; Dat hieruit volgt dat voormeld artikel 96, 2°, van de wet van 21 maart 1991 slechts op 28 juli 1993 in werking trad ; Overwegende dat het arrest, door de op 26 maart 1992 gesloten overeenkomsten ab initio nietig te verklaren op grond van het niet naleven van artikel 96 van de wet van 21 maart 1991, het algemeen rechtsbeginsel miskent dat de wetten geen terugwerkende kracht hebben en de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van zeventien september tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040919.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081201.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120309.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120607.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030306.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050203.22 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050526.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050915.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211122.3N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.