id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040919.2 Rolnummer: D.03.0019.N Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-13 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 15:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer tegen een bij verstek gewezen beslissing van een provinciale raad van de Orde van architecten op dezelfde datum zowel verzet als hoger beroep wordt ingesteld, sluit de beslissing die het verzet ontvankelijk verklaart uit dat het beroep nadien eveneens ontvankelijk wordt verklaard. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALGEMEEN Vrije woorden: HOGER BEROEP TUCHTZAKEN - Architecten - Gelijktijdig verzet en hoger beroep - Beslissing die het verzet ontvankelijk verklaart - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-1963 - 26,vijfdelid Vrije woorden: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) - Orde van architecten - Provinciale raad - Beslissing bij verstek - Gelijktijdig verzet en hoger beroep - Beslissing die het verzet ontvankelijk verklaart - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. D.03.0019.N W.L. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE VAN ARCHITECTEN, publiekrechtelijke rechtspersoon, optredend door haar Nationale Raad, die wordt vertegenwoordigd door zijn voorzitter, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Livornostraat 160, bus 2, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de raad van beroep van de Orde van architecten, met het Nederlands als voertaal, van 17 september
- II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Feiten Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt het volgende ;
- bij beslissing bij verstek van 3 december 2001 van de raad van de Orde van architecten van de provincie Brabant werd lasten eiser de tuchtstraf van schrapping uitgesproken ;
- bij brieven van 16 januari 2002 heeft eiser tegen die beslissing zowel verzet als beroep ingesteld ;
- bij beslissing van 16 september 2002 op tegenspraak van de raad van de Orde van architecten van de provincie Brabant werd het verzet ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de sanctie op 3 december 2001 uitgesproken, bevestigd ;
- bij brief van 5 november 2002 heeft eiser tegen de beslissing van 16 september 2002 beroep aangetekend ;
- bij beslissing bij verstek van de raad van beroep van de Orde van architecten van 26 februari 2003 werd het beroep van eiser tegen de verstekbeslissing van 3 december 2001 zonder voorwerp verklaard en werd het beroep tegen de beslissing van 16 september 2002 laattijdig verklaard ; het beroep van eiser werd niet ontvankelijk verklaard ;
- bij brief van 3 april 2003 heeft eiser tegen de beslissing van 26 februari 2003 verzet aangetekend ;
- bij de bestreden beslissing van 17 september 2003 op tegenspraak werd het verzet van eiser ongegrond verklaard en werd de beslissing van 26 februari 2003 bevestigd ; IV. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 824, 1042, 1047, 1050 van het Gerechtelijk Wetboek ; artikel 26, inzonderheid het eerste, vierde en vijfde lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een orde van architecten. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren het verzet dat eiser instelde tegen de beslissing van de raad van beroep van 26 februari 2003 ongegrond en bevestigen dienvolgens de beslissing van de raad van beroep dat het hoger beroep dat eiser instelde tegen het verstekvonnis van 3 december 2001 zonder voorwerp geworden is, op grond van de volgende motieven : "T.a.v. het beroep tegen de beslissing van 03.12.2001 : (...) dat (eiser) in zijn verzetakte wel beweert dat deze raad ten onrechte heeft gesteld dat zijn beroep zonder voorwerp is geworden maar hierbij geen enkel motief aanbrengt en de motivering van de beslissing van 26.02.2003 op geen enkele wijze ontmoet laat staat ontkracht ; Dat voormelde motivering hier herhaald en bevestigd wordt ; dat (eiser) t.a.v. de (verstek)beslissing van 03.12.2001 de weg van het verzet heeft gekozen waardoor hij -indien dit verzet tijdig en op rechtsgeldige wijze werd ingesteld- de betwisting terug voor (tucht)rechter heeft gebracht die de verstekbeslissing had genomen hierbij afstand doende van de mogelijkheid om de tuchtrechter in beroep deze verstekbeslissing nog eens te laten beoordelen ; dat desbetreffend de Nationale Raad terecht verwijst naar het adagium 'electa una via non datur recursus ad alteram' ; Dat derhalve dit deel van het verzet van (eiser) tegen de beslissing van deze raad van 26.02.2003 ongegrond is" ; (blz. 3 van de bestreden beslissing). In de beslissing van 26 februari 2003 had de raad van beroep overwogen dat : "T.a.v. de beroepen tegen de (verstek)beslissing van 03.12.2001 : (Eiser) heeft -samen met zijn verzet- ook beroep ingesteld tegen de verstekbeslissing van 03.12.
- Door evenwel het debat op tegenspraak te aanvaarden van het door hem ingesteld verzet -debat geleid hebbend tot de beslissing op tegenspraak van 16.09.2002- heeft (eiser) stilzwijgend afstand gedaan van het door hem ingesteld beroep tegen het vonnis van 03.12.2001 (conform de bepalingen van de artn. 822 en 824 van het Ger. W.) zodat zowel zijn beroep als het beroep van de Nationale Raad tegen die vonnis van 03.12.2001 zonder voorwerp zijn geworden" (blz. 3 van de beslissing van 26 februari 2003). Grieven
- Eerste onderdeel Artikel 26, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten bepaalt dat degene tegen wie een beslissing bij verstek is gewezen, tegen deze beslissing verzet kan aantekenen binnen de termijn van 30 dagen. Artikel 26, vierde lid van voormelde wet van 26 juni 1963 bepaalt dat de betrokkene binnen 30 dagen beroep mag instellen tegen de beslissing van de provinciale raad. Artikel 26, vijfde lid, bepaalt nog dat ingeval de beslissing bij verstek is gewezen, de termijn van hoger beroep slechts ingaat bij het verstrijken van de termijn van verzet. Aldus heeft de wetgever aan een partij die verstek liet gaan de mogelijkheid geboden om zowel verzet als hoger beroep tegen het verstekvonnis in te stellen. Deze mogelijkheid blijkt eveneens uit de artikelen 1047 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek. Geen enkele wettelijke bepaling schrijft voor dat een partij die verstek liet gaan, dient te kiezen voor het ene of het andere rechtsmiddel. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel "electa una via non datur recursus ad alteram". Het instellen van verzet doet het verstekvonnis niet vervallen. Het verstekvonnis blijft bestaan tot op het ogenblik dat het verzet gegrond verklaard is. Indien het verzet ongegrond verklaard wordt, blijft het verstekvonnis bestaan en blijft het uitvoerbaar. Ingevolge het verzet verkrijgt het enkel een tegensprekelijk karakter. Hieruit volgt dat het hoger beroep dat is ingesteld tegen een verstekvonnis niet zonder voorwerp wordt indien tegen dit verstekvonnis eveneens verzet gedaan is en indien dit verzet ongegrond verklaard is. Terzake blijkt uit de beslissing van de appèlrechters en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat eiser verzet deed en hoger beroep instelde tegen de beslissing van 3 december 2001 die door de provinciale raad bij verstek uitgesproken werd. Bij beslissing van 16 september 2002 werd het verzet tegen de beslissing van 3 december 2001 ongegrond verklaard. Derhalve bleef het verstekvonnis van 3 december 2001 bestaan. Het hoger beroep dat eiser tegen dit vonnis instelde was dan ook niet zonder voorwerp. Hieruit volgt dat de appèlrechters, door impliciet doch zeker te beslissen dat eiser niet gelijktijdig verzet en hoger beroep kon instellen tegen de beslissing van 3 december 2001 en door te beslissen dat het hoger beroep tegen de beslissing van 3 december 2001 zonder voorwerp is geworden nu eiser rechtsgeldig verzet gedaan heeft tegen deze beslissing, de artikelen 26 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, 1047 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek schenden.
- Tweede onderdeel Artikel 820 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat bij afstand van geding de partij afziet van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering. Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zelf wordt prijsgegeven. Artikel 821 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat bij afstand van rechtsvordering de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser afziet zowel van de rechtspleging als van het recht zelf. Afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht. Overeenkomstig artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek kan de afstand uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Uitdrukkelijke afstand geschiedt bij een gewone akte, die ondertekend wordt door de partij of door haar gemachtigde die, tenzij de wet anders bepaalt, een bijzondere volmacht heeft, en die aan de tegenpartij betekend wordt, indien deze de afstand niet vooraf heeft aangenomen. Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering. Insgelijks kan stilzwijgende berusting, dit is afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen een beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend, alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing (artikelen 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek). Terzake leiden de appèlrechters de afstand van eiser van het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van 3 december 2001 af uit het enkele feit dat hij tevens verzet heeft gedaan tegen de beslissing van 3 december 2001 en het debat op tegenspraak in deze procedure op verzet heeft aanvaard. Uit het feit dat eiser verzet heeft gedaan tegen de beslissing van 3 december 2001 en het debat in deze procedure op verzet heeft aanvaard, volgt evenwel niet noodzakelijk dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van het hoger beroep dat hij tegen de beslissing van 3 december 2001 instelde. Hieruit volgt dat de appèlrechters hun beslissing dat eiser afstand deed van het door hem ingestelde hoger beroep niet naar recht verantwoorden (schending van de artikelen 820, 821, 824, 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek). V. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 26, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, degene tegen wie een beslissing bij verstek is gewezen, tegen deze beslissing verzet kan aantekenen binnen de termijn van dertig dagen ; Dat, krachtens het vierde lid van hetzelfde artikel, de betrokkene binnen de termijn van dertig dagen beroep mag instellen tegen de beslissing van de raad in tuchtzaken ; Dat, krachtens het vijfde lid van hetzelfde artikel, ingeval de beslissing bij verstek is gewezen, de termijn van beroep slechts ingaat bij het verstrijken van de termijn van verzet ; Dat hieruit volgt dat wanneer op dezelfde datum zowel verzet als beroep tegen een beslissing bij verstek gewezen wordt ingesteld, de beslissing die het verzet ontvankelijk verklaart uitsluit dat het beroep nadien eveneens ontvankelijk wordt verklaard ; Overwegende dat het beroep van eiser tegen de beslissing bij verstek van 3 december 2001 niet ontvankelijk werd verklaard, nadat zijn verzet tegen diezelfde beslissing reeds ontvankelijk was verklaard ; Overwegende dat de appèlrechters met overname van de redenen van de beslissing van 26 februari 2003 oordelen dat het beroep van eiser tegen de bij verstek gewezen beslissing van 3 december 2001 bij gebrek aan voorwerp niet ontvankelijk is omdat eiser tegen diezelfde beslissing reeds een ontvankelijk verzet heeft ingesteld ; Dat de appèlrechters aldus de aangenomen wetsbepalingen niet schenden ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel opkomt tegen het oordeel dat eiser afstand heeft gedaan van zijn beroep tegen de beslissing bij verstek van 3 december 2001 om reden dat hij tegen diezelfde beslissing verzet had ingesteld en het debat op tegenspraak in de procedure op verzet heeft aanvaard ; Dat, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, het onderdeel dat opkomt tegen een ten overvloede gegeven redenen niet tot cassatie kan leiden, mitsdien bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten De kosten begroot op de som van vijfhonderd zesenzestig euro drieënnegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en zes euro drieënzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van zeventien september tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040919.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div