← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.4 Rolnummer: S.04.0013.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2004-12-08 Raadplegingen: 199 - laatst gezien 2026-07-03 15:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De wetgever heeft de beoordeling van de werkelijkheid van de economische oorzaken van de werkloosheid aan het werkloosheidsbureau dus aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening overgelaten. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - SCHORSING VAN DE OVEREENKOMST Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - SCHORSING VAN DE OVEREENKOMST Gebrek aan werk wegens economische oorzaken Beoordeling van de werkelijkheid Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening Wettelijke bepalingen: Wet - 05-12-1968 - Art.51 Fiche 2 De vakantiewetgeving bedoelt met gelijkgestelde dagen van economische werkloosheid, die dagen waarvan de beoordeling uitsluitend aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is opgedragen. Thesaurus CAS: JAARLIJKSE VAKANTIE Vrije woorden: JAARLIJKSE VAKANTIE Berekening vakantiegeld Economische werkloosheidsdagen Gelijkgestelde dagen Beoordeling Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening Wettelijke bepalingen: Wet - 05-12-1968 - Art.51 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0013.N.- DE NATIONALE PATROONKAS VOOR BETAALD VERLOF IN DE BOUWBEDRIJVEN EN OPENBARE WERKEN, vereniging zonder winst-oogmerk, met zetel gevestigd te 1060 Sint-Gillis, Poincarélaan 78, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.R., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 november 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna: "de Arbeidsovereenkomstenwet"), zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 26 maart 1999 ; - de artikelen 3 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001), 14, eerste lid (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 29 maart 1999, 10 en 13 juni 2001), 16, i.h.b. 16°, (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001), 19 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001), 20 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 3 april 2003), 21 ,§3 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 12 maart 2003) en 22 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (hierna : "het Vakantiebesluit") ; - de artikelen 3 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001), 9, eerste lid (zoals van kracht vóór de wijziging bij wetten van 26 maart 1999 en 22 mei 2001 en bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 5 november 2002), 12 (zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 24 december 2002) en 44 van de bij koninklijk besluit van 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (hierna : "de Vakantiewet") ; - de artikelen 133, ,§1, 4°, 137, ,§1, 2° (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 12 maart 2003), 142 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 6 februari 2003) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering ; - de artikelen 87, 3°, 92, ,§1, 93, ,§1 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheids-reglementering ; - het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur houdende het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel ; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de continuïteit van de openbare dienst, en het hieruit afgeleide rechtsbeginsel luidens welk administratieve handelingen vermoed worden in overeenstemming te zijn met het recht (vermoeden van wettigheid, of "privilège du préalable") en zij hun bindende kracht behouden niettegenstaande betwisting van hun geldigheid en voor zoveel als nodig artikel 159 van de Grondwet. Aangevochten beslissing Het arbeidshof vernietigt in het aangevochten arrest het beroepen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen van 7 december 2000 en, opnieuw rechtdoende, vernietigt de bestreden beslissing van 12 juni 1998 van eiseres en zegt voor recht dat eiseres, bij de berekening van het vakantiegeld 1998 van verweerder, rekening dient te houden met de economische werkloosheidsdagen in het jaar 1997 en dat op het verschuldigd saldo vakantiegeld 1998 gerechtelijke intresten verschuldigd zijn vanaf 1 december

  1. Het arbeidshof stoelt deze beslissing op volgende motieven : "Situering van het geschil : Werknemers ontvangen vakantiegeld dat wordt berekend in functie van hun arbeidsprestaties gedurende het vakantiedienstjaar. Het vakantiedienstjaar is het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de vakantie wordt genomen (artikel 3, tweede lid in fine, van de Gecoördineerde Wet van 28 juni 1971 betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (hierna Jaarlijkse Vakantiewet) en artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (hierna Jaarlijks Vakantiebesluit)). Het bedrag van het vakantiegeld wordt door de Koning vastgelegd, na advies van de Nationale Arbeidsraad en van het bevoegde Beheerscomité, onder de vorm van een percentage van de bezoldigingen van het vakantiedienstjaar, eventueel vermeerderd door een fictieve bezoldiging voor de inactiviteitsdagen die met werkelijke arbeidsdagen gelijkgesteld zijn (artikel 9, eerste lid, Jaarlijkse Vakantiewet). Artikel 16 van het Jaarlijks Vakantiebesluit geeft een opsomming van de dagen van arbeidsonderbreking die met effectief gewerkte dagen worden gelijkgesteld, waaronder de arbeidsonderbreking ingevolge een schorsing van de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (artikel 16, 16°). Volgens artikel 51 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna afgekort A.O.W.) kan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst worden 'bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken'. Artikel 51 A.O.W. geeft zelf geen omschrijving van het begrip 'gebrek aan werk wegens economische oorzaken' maar in de parlementaire voorbereiding wordt volgende verduidelijking verstrekt (Parl. St. Kamer 1961-62, nr. 369/1, 5) : 'Het begrip 'economische oorzaken' is uitermate moeilijk te bepalen, zo talrijk en verscheiden zijn deze oorzaken in de praktijk. Men mag evenwel zeggen dat de economische oorzaken, waarop de werkgever zich kan beroepen, diegene zijn waardoor het in de onderneming bestaande arbeidsritme onmogelijk kan gehandhaafd worden. Men mag er zich niet op beroepen wanneer het gebrek aan werk uit een gebrekkige organisatie van de onderneming of uit het wanbeheer van de werkgever voortvloeit. De economische oorzaken kunnen bestaan in een periode van economische hoogconjunctuur of laagconjunctuur'. Hieruit kan afgeleid worden dat artikel 51 A.O.W. slaat op de gevallen waarin het de werkgever onmogelijk is om de werkman de overeengekomen arbeid te laten verrichten omwille van economische redenen die een tekort aan werk met zich meebrengen. De directe oorzaak van het gebrek aan werk dat het arbeidsritme in de onderneming verstoort, moet dus van economische aard zijn (Jan Herman, 'Schorsing van de individuele arbeidsovereenkomst', I.C.A.-reeks, die Keure, 2000, nr. 127). (Verweerder), die de gelijkstelling vordert van de dagen economische werkloosheid in 1997 met effectieve arbeidsdagen ter berekening van het vakantiegeld, laat gelden dat, indien de vergoeding van werkloosheidsdagen werd toegestaan door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en deze beslissing naderhand niet werd herzien door deze dienst of een rechtbank, de betreffende dagen - ten aanzien van alle instellingen van sociale zekerheid - definitief werden erkend als behorende tot de categorie van de economische werkloosheid, wat hun gelijkstelling met werkdagen meebrengt voor wat betreft de jaarlijkse vakantie. (Eiseres) - zich steunend op een eigen appreciatierecht inzake de realiteit van de aangevoerde economische werkloosheid en verwijzend naar de verhouding tussen het aantal bezoldigde dagen (26 arbeidsdagen) en het aantal economische werkloosheidsdagen (175 dagen) - houdt voor dat de werkloosheid van (verweerder) in 1997 niet van economische maar wel van structurele aard was zodat de aangegeven economische werkloosheidsdagen niet in aanmerking komen voor de gelijkstelling zoals dit in de vakantiewetgeving is voorzien. Ter beoordeling van huidig geschil dient derhalve te worden onderzocht of de toekenning van de werkloosheidsuitkeringen voortvloeiend uit de toepassing van artikel 51 A.O.W. ingevolge de aanvaarding ervan door de R.V.A. een al dan niet bindend karakter vertoont voor (eiseres). (...) Beoordeling : In toepassing van artikel 51 A.O.W. kan bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geheel worden geschorst of een regeling van gedeeltelijke arbeid worden ingevoerd. Het invoeren van dit stelsel is zeker niet vreemd geweest aan de wil van de wetgever om een zekere vastheid van betrekking aan de arbeiders te waarborgen ; deze regeling wou immers vermijden dat arbeiders systematisch zouden ontslagen worden telkens de onderneming haar activiteit zag verminderen (M. De Gols, 'Schorsingen van de arbeidsovereenkomst die leiden tot gedeeltelijke werkloosheid', Oriëntatie, februari 1987, pag. 29). Gebrek aan werk wegens economische oorzaken leidt niet van rechtswege tot de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het is de werkgever die besluit al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 51 A.O.W. hem biedt (artikel 51, ,§2, eerste lid, hanteert de term 'kan' en in het tweede lid van die bepaling wordt uitdrukkelijk gesteld van een 'mogelijkheid' waarvan 'gebruik (mag) worden gemaakt'). In bevestigend geval moet de werkgever de door artikel 51 A.O.W. voorgeschreven formaliteiten van kennisgeving en mededeling vervullen. De werkgever mag slechts een volledige schorsing of een regeling van gedeeltelijke arbeid invoeren wanneer hij hiervan kennis geeft aan de werkman door aanplakking van een bericht 'op een goed zichtbare plaats in de onderneming' of 'door een geschreven kennisgeving aan ieder werkloos gestelde werkman'. Vervolgens moet door de werkgever de mededeling van de aanplakking of van de individuele kennisgeving worden toegezonden aan het gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming gevestigd is. Daarenboven moet de werkgever aan het gewestelijk bureau de economische redenen mededelen die de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of het instellen van een regeling van gedeeltelijke werkloosheid rechtvaardigen. Uit voornoemde bepalingen van artikel 51 A.O.W. blijkt duidelijk dat, ingeval de werkgever overgaat tot het inroepen van de economische redenen, de wetgever de R.V.A. heeft belast met de beoordeling van de economische redenen die de schorsing van de arbeidsovereenkomst zouden rechtvaardigen. Na de beoordeling van de door de werkgever aan het gewestelijk werkloosheidsbureau verrichte kennisgeving van de economische redenen die de schorsing van de arbeidsovereenkomst conform artikel 51 zouden rechtvaardigen, kan de R.V.A. overgaan ofwel tot verwerping van de uitgaven ofwel tot aanvaarding. In dit laatste geval zal de R.V.A., krachtens artikel 7, ,§1, van de besluitwet van 28 december 1944, met behulp van de uitbetaling-instelling overgaan tot uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen. Er bestaat tussen partijen geen betwisting over het feit dat in onderhavig geschil de R.V.A. de economische redenen voor de schorsing van de arbeidsovereenkomst heeft aanvaard zodat (verweerder) gerechtigd was op de werkloosheidsvergoedingen voor de dagen economische werkloosheid in
  2. Samen met (verweerder) oordeelt het (arbeids)hof dat, eens het gewestelijk bureau van de R.V.A. de kwalificatie van economische werkloosheid heeft aanvaard, (eiseres) de gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen dient aan te nemen voor de berekening van het vakantiegeld. Ter ondersteuning van deze stelling kan verwezen worden naar de tekst van artikel 16, Jaarlijks Vakantiebesluit, hetwelk stipuleert : 'Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden met effectief gewerkte dagen gelijkgesteld de dagen van arbeidsonderbreking ingevolge : 16°. een schorsing van de arbeidsovereenkomst of het leercontract voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst krachtens artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten'. Vervolgens worden in artikel 19, Jaarlijks Vakantiebesluit, specifieke voorwaarden gesteld om de gelijkstelling te bekomen en in artikel 20 en 21 wordt bepaald hoe de juistheid van het aantal dagen wordt bepaald. Artikel 20, Jaarlijks Vakantiebesluit, verwijst verder naar artikel 21, ,§3, waarin wordt gestipuleerd dat de werkgevers, wat de schorsing wegens gebrek aan werk betreft, op de kwartaalstaat naast het aangegeven cijfer van de gelijkgestelde dagen ook de reden van de afwezigheid op het werk moeten vermelden. De bewoordingen van voornoemde artikelen wijzen op een administratieve afhandeling van de dossiers zonder meer en niet op enige appreciatiebevoegdheid of formele erkenning van de economische redenen door de bijzondere vakantiefondsen. De toepassing van artikel 51 A.0.W. verloopt - zoals eerder vermeld - in fasen en er is geen sprake van enige ondergeschiktheid van (eiseres) ten aanzien van de R.V.A. : na de opportuniteitsbeslissing van de schorsing, kwalificeert de R.V.A. deze aangifte naar de toepassing van de werkloosheidsreglementering waarna (eiseres), bij de beoordeling over de toekenning van vakantiegelden op deze werkloosheidsdagen, beschikt over het instrumentarium voorzien in artikel 19, 20 en 21 van het Jaarlijks Vakantiebesluit. (Verweerder) laat terecht gelden dat de stelling van de eerste rechter dat 'de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie en de bijzondere vakantiefondsen niet gebonden zijn door de beslissing van de R.V.A.' indruist tegen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De R.V.A. heeft immers een administratieve rechtshandeling gesteld die uitvoerbaar is en bekleed met 'een vermoeden van wettigheid'. Deze rechtshandeling heeft rechtsgevolgen in het leven geroepen en werd door de betrokkenen niet betwist (Van Mensel, A. e.a., 'De administratieve rechtshan-deling', Mys & Breesch, 1997, nr. 83 e.v.). Het vermoeden van overeenstemming van de administratieve beslissing met het recht, kan binnen huidige procedure niet worden weerlegd vermits noch de R.V.A., noch de werkgever in huidig geschil betrokken zijn. In casu heeft (eiseres) door (haar) beslissing, een administratieve rechtshandeling gesteld die ingaat tegen de bestuurshandeling van de R.V.A., die bekleed is met het 'privilège du préalable' zolang de onrechtmatigheid ervan niet werd betwist en beslecht, binnen een correcte procedure (Van Mensel, A., o. c., nrs. 83 e. v. en 173). (Verweerder) mocht ervan uitgaan dat, wanneer de procedure van artikel 51 A.O.W. als regelmatig wordt erkend, zijn recht op werkloosheids-uitkeringen ook een recht zou openen op vakantiegeld voor de dagen van schorsing (in zoverre de formaliteiten in de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie zijn vervuld). In deze kan hij terecht inroepen dat het rechtszekerheidsbeginsel, dat elk overheidsoptreden beheerst, werd geschonden. Zowel de regelgeving als het bestuursoptreden dienen hieraan te beantwoorden (Berx Cathy, 'Rechtsbescherming van de burger tegen de overheid', Intersentia 2000, nr. 748). Doordat eenzelfde feitelijke situatie door twee openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid verschillend worden beoordeeld (door de R.V.A. bestempeld als een geval van economische werkloosheid en door de R.J.V. (lees : eiseres) niet) wordt eveneens het vertrouwensbeginsel geschonden ; de burger moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, J. Vande Lanotte, 'Overzicht van Belgisch Administratief Recht', Kluwer, Antwerpen, 1999, p. 54). (Verweerder) mocht verwachten dat de periode van schorsing die erkend werd door de R.V.A. in dezelfde lijn rechtsgevolgen zou ressorteren in de reglementering betreffende de jaarlijkse vakantie. Appreciatiegeschillen tussen overheidsinstellingen of instellingen belast met een overheidsopdracht dienen niet te worden beslecht ten koste van de sociaal verzekerde, die in casu geen rechten meer kan laten gelden lastens de R.V.A., noch recht heeft op loon of vakantiegeld lastens de werkgever, die zich achter de administratieve beslissing van de R.V.A. kan verschuilen. Indien (eiseres) meent dat misbruiken moeten worden ingedijkt en een tegengewicht moet worden gevormd tegen een al te grote inschikkelijkheid van de R.V.A., dient een oplossing te worden gezocht bij de beleidsverantwoor-delijken en/of de wetgever. Deze oplossing is niet gelegen in het ontzeggen van het recht op vakantiegeld aan de werknemer. Gelet op voormelde overwegingen besluit het (arbeids)hof dat (eiseres) niet over een wettelijke basis beschikt voor (haar) beweerde appreciatiebevoegdheid. Vermits de vergoeding van werkloosheidsdagen werd toegestaan door de R.V.A. en naderhand niet werd herzien door deze dienst of de rechtbank, dienen de 175 werkloosheidsdagen te worden erkend als behorende tot de categorie van de economische werkloosheid wat hun gelijkstelling met werkdagen meebrengt ter berekening van het vakantiegeld. Met betrekking tot de gevorderde intresten op het nog verschuldigde vakantiegeld stelt het (arbeids)hof vast dat (verweerder) geen wettelijke grond aanduidt voor de vordering inzake toekenning van wettelijke intresten. Nu (verweerder) niet bewijst dat hij (eiseres) vooraf zou aangemaand hebben in betaling van het nog verschuldigd vakantiegeld, zijn slechts intresten verschuldigd vanaf 1 december 1998, zijnde de datum van ontvangst van het inleidend verzoekschrift waarbij huidige procedure werd aanhangig gemaakt; een vordering in rechte staat immers gelijk met een aanmaning tot betaling in de zin van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek. Het hoger beroep is dienvolgens gedeeltelijk gegrond". Grieven 1.1 Artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna "de Arbeidsovereenkomstenwet"), zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 26 maart 1999, bepaalt dat, wanneer de Koning desbetreffend geen regeling heeft getroffen, bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de overeenkomst ten hoogste vier weken geheel kan worden geschorst of een regeling van gedeeltelijke arbeid kan worden ingevoerd. Wanneer de volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst de maximumduur van vier weken heeft bereikt, moet de werkgever gedurende een volledige arbeidsweek de regeling van volledige arbeid opnieuw invoeren, alvorens een nieuwe volledige schorsing of een regeling van gedeeltelijke arbeid kan ingaan. Van deze mogelijkheid mag enkel gebruik worden gemaakt mits ten minste zeven dagen vooraf kennisgeving wordt gedaan door aanplakking op een goed zichtbare plaats in de lokalen van de onderneming, van (o.m.) de naam van de werkloos gestelde werklieden, het aantal werkloosheidsdagen en de data waarop de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsover-eenkomst of de regeling van gedeeltelijke arbeid zal ingaan en zal eindigen. De aanplakking kan vervangen worden door een geschreven kennisgeving aan iedere werkloos gestelde werknemer. Mededeling van de aanplakking of van de individuele kennisgeving moet door de werkgever, onder een bij ter post aangetekende omslag, de dag zelf van de aanplakking of van de individuele kennisgeving worden gezonden aan het gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming gevestigd is. De werkgever deelt daarenboven aan dit gewestelijk bureau de economische redenen mede die de volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst of het instellen van een regeling van gedeeltelijke arbeid rechtvaardigen. 1.2 Om toepassing te kunnen maken van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet moet het gebrek aan werk het gevolg zijn van "economische oorzaken". De economische oorzaken, bedoeld in artikel 51 van de Arbeids-overeenkomstenwet, zijn die waardoor het in de onderneming bestaande arbeidsritme onmogelijk kan gehandhaafd worden. Werkloosheid om economische redenen is uitgesloten in de gevallen waar het gebrek aan werk voortvloeit uit een gebrekkige organisatie van de onderneming of uit het wanbeheer van de werkgever. Wanneer de duur en frequentie van de periodes van werkloosheid wijzen op de structurele aard van de werkloosheid, is er geen sprake van economische werkloosheid in de zin van artikel 51 van de Arbeidsovereen-komstenwet, nu deze een uitzonderingstoestand betreft.
  3. De arbeider die, ingevolge toepassing van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet, tijdelijk werkloos wordt, kan een aanvraag tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen indienen. Hij dient te dien einde, overeenkomstig artikel 133, ,§1, 4°, van (het) koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering, bij de eerste effectieve werkloosheidsdag in elke referentieperiode die aanvangt op 1 oktober en eindigt op 30 september van het daaropvolgende jaar, een dossier in te dienen bij de uitbetalingsinstelling, bevattende een uitkeringsaanvraag en alle stukken welke de directeur nodig heeft om over het recht op uitkeringen te beslissen en het bedrag ervan te bepalen. De werkgever overhandigt, overeenkomstig artikel 137, ,§1, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 12 maart 2003), uit eigen beweging een "bewijs van tijdelijke werkloosheid" aan de werknemers wier arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Luidens artikel 87, 3°, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, dient de werkloze zijn uitkeringsaanvraag bij zijn uitbetalingsinstelling in door middel van het dubbel van het "bewijs van tijdelijke werkloosheid" C.3.2, dat de werkgever overhandigt aan de werknemer in de hypotheses vermeld in de artikelen 133, ,§1, 4° (en 5°), van het koninklijk besluit van 25 november
  4. De uitbetalingsinstelling dient, overeenkomstig artikel 92, ,§1, van het ministerieel besluit van 26 november 1991, het dossier in bij het bevoegde werkloosheidsbureau, dat luidens artikel 93, ,§1, van dit ministerieel besluit nagaat of de ingediende formulieren behoorlijk werden ingevuld en of alle stukken die noodzakelijk zijn om een beslissing te treffen aangaande het recht op uitkeringen en het bedrag ervan, werden ingediend. De beslissing over het recht op uitkeringen wordt, ingevolge artikel 142 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 6 februari 2003), genomen door de directeur in wiens ambtsgebied de werknemer zijn gewone verblijfplaats heeft. 3.1 Overeenkomstig artikel 3 van de bij koninklijk besluit van 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (hierna : "de Vakantiewet"), zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, en artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (hierna : "het Vakantiebesluit"), zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, wordt de duur van de jaarlijkse vakantie vastgesteld naar rata van het aantal effectief gewerkte dagen vervat in het vakantiedienstjaar en de in dit vakantiedienstjaar met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Onder vakantiedienstjaar wordt het kalenderjaar verstaan dat het jaar voorafgaat waarin de vakantie dient toegekend. Overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de Vakantiewet, zoals van kracht vóór de wijzigingen bij wetten van 26 maart 1999 en 22 mei 2001 en koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 5 november 2002, en artikel 14, eerste lid, van het Vakantiebesluit, zoals van kracht vóór de wijzigingen bij koninklijk besluiten van 29 maart 1999, 10 en 13 juni 2001, is het bedrag van het vakantiegeld van de arbeider gelijk aan 14,80% van de lonen van het vakantiedienstjaar die tot basis hebben gediend voor de berekening van de bijdrage verschuldigd voor de samenstelling van dit vakantiegeld, eventueel vermeerderd met een fictief loon voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde inactiviteitsdagen. 3.2 Artikel 16, 16°, van het Vakantiebesluit, zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, bepaalt dat voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld, met effectief gewerkte dagen worden gelijkgesteld, de dagen van arbeidsonderbreking ingevolge een schorsing van de arbeidsovereenkomst of het leercontract voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst krachtens artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. 3.
  5. Om gelijkstelling te bekomen moet de arbeider, luidens artikel 19 van het Vakantiebesluit, zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, verbonden zijn door een arbeidsof leerovereenkomst op de werkdag die de eerste dag der gelijkstelbare periode voorafgaat en ten minste één dag effectief werkzaam zijn geweest in de loop der achtentwintig dagen die de eerste dag der gelijkstelbare periode voorafgaan. Luidens artikel 20 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 3 april 2003) juncto artikel 21, ,§3, (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 12 maart 2003) van het Vakantiebesluit, wordt de juistheid van het aantal dezer dagen arbeidsonderbreking bevestigd door de kwartaalstaat waarop de werkgever het cijfer van de gelijkgestelde dagen en de reden van de afwezigheid op het werk vermeldt. 3.4 Artikel 12 van de Vakantiewet, zoals van kracht vóór de wijziging bij de wet van 24 december 2002, bepaalt dat het vakantiegeld van de handarbeiders wordt uitbetaald door de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of door de bijzondere vakantiefondsen, die overeenkomstig artikel 44 van deze wet worden opgericht. Het vakantiegeld wordt, luidens artikel 22 van het Vakantiebesluit, uitgekeerd door toedoen van het vakantiefonds waarbij de werkgever is aangesloten voor het betrokken vakantiedienstjaar. 4.1 Eiseres voerde in onderhavige zaak aan dat de reden tot schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geen "gebrek aan werk wegens economische oorzaken" in de zin van artikel 51 van de Arbeidsovereen-komstenwet uitmaakte zodat, voor de berekening van het aan verweerder verschuldigde vakantiegeld, de dagen arbeidsonderbreking niet konden gelijkgesteld worden met effectief gewerkte dagen. Verweerder hield daarentegen voor dat indien de vergoeding van werkloosheidsdagen werd toegestaan door de R.V.A., hetgeen in casu het geval was, de desbetreffende dagen - ten aanzien van alle instellingen van sociale zekerheid - definitief worden erkend als behorende tot de categorie van economische werkloosheid, wat hun gelijkstelling met werkdagen meebrengt voor wat betreft de jaarlijkse vakantie. 4.2 Het arbeidshof onderzoekt derhalve in het aangevochten arrest of de toekenning van werkloosheidsuitkeringen voortvloeiend uit de toepassing van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet ingevolge de aanvaarding ervan door de R.V.A., een al dan niet bindend karakter vertoont voor eiseres en beslist dat, eens het gewestelijk bureau van de R.V.A. de kwalificatie van economische werkloosheid heeft aanvaard, eiseres de gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen dient aan te nemen voor de berekening van het vakantiegeld. Vermits in casu de vergoeding van werkloosheidsdagen werd toegestaan door de R.V.A. en naderhand niet werd herzien door deze dienst of de rechtbank, dienen de werkloosheidsdagen, aldus het arbeidshof, te worden erkend als behorende tot de categorie van de economische werkloosheid wat hun gelijkstelling met werkdagen meebrengt ter berekening van het vakantiegeld. 4.3 Het arbeidshof stoelt deze beslissing, luidens welke de beoordeling van de economische redenen tot de exclusieve bevoegdheid van de R.V.A. behoort en eiseres desbetreffend geen enkele appreciatiebevoegdheid heeft, doch gebonden is door de beslissing van de R.V.A. , - enerzijds, op artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet en op de artikelen 16, 19, 20 en 21 van het Vakantiebesluit, - anderzijds, op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nl. het algemeen rechtsbeginsel luidens welk een administratieve rechtshandeling bekleed is met een vermoeden van wettigheid (privilège du préalable), het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel. De beslissing van het arbeidshof is, zoals hierna zal worden aangetoond, op geen enkel van deze gronden naar recht verantwoord. Eerste onderdeel
  6. Vooreerst beslist het arbeidshof dat uit de bepalingen van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet "duidelijk blijkt dat, ingeval de werkgever overgaat tot het inroepen van de economische redenen, de wetgever de R.V.A belast heeft met de beoordeling van de economische redenen die de schorsing van de arbeidsovereenkomst zouden rechtvaardigen". Zoals hoger uiteengezet (nr. 1.1) welke uiteenzetting hierbij als uitdrukkelijk hernomen dient te worden aangezien, schrijft artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet voor dat de werkgever, die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wenst te schorsen omwille van gebrek aan werk wegens economische oorzaken, - een kennisgeving (door aanplakking of door een individueel geschreven kennisgeving) aan de arbeiders moet richten en - hij deze aanplakking of individuele kennisgeving aan het gewestelijk bureau van de R.V.A. moet zenden, alsmede aan dit bureau de economische redenen meedeelt die de schorsing rechtvaardigen. Uit deze wetsbepaling, waarbij aan de werkgever de verplichting wordt opgelegd de economische redenen tot schorsing van de arbeidsovereenkomst aan het gewestelijk bureau van de R.V.A. mee te delen, blijkt geenszins dat de wetgever aan de R.V.A. de exclusieve bevoegdheid heeft verleend om - ook wat betreft de toepassing van de wetgeving op de jaarlijkse vakantie - de economische redenen die de schorsing van de arbeidsovereenkomst zouden rechtvaardigen te beoordelen zodanig dat, eens het gewestelijk bureau van de R.V.A. deze kwalificatie van de economische werkloosheid heeft aanvaard, eiseres de gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen zou dienen aan te nemen voor de berekening van het vakantiegeld. Door te beslissen dat uit artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet blijkt dat de wetgever de R.V.A. belast heeft met de beoordeling van de economische redenen, zodanig dat eens het gewestelijk bureau van de R.V.A. de economische werkloosheid heeft aanvaard, eiseres de gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen dient aan te nemen voor de berekening van het vakantiegeld, schendt het arbeidshof ten eerste artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 26 maart
  7. 6.1 Vervolgens beslist het arbeidshof dat de stelling, luidens welke eiseres gebonden is door de beoordeling van de economische redenen door de R.V.A., steun vindt in artikel 16, 16°, van het Vakantiebesluit. Het arbeidshof benadrukt dat de dagen van arbeidsonderbreking ingevolge een schorsing van de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet voor de berekening van het vakantiegeld gelijkgesteld worden met effectief gewerkte dagen. 6.2 Het gebruik van het woord "worden" in artikel 16 van het Vakantiebesluit wijst er geenszins op dat eiseres geen bevoegdheid zou hebben te oordelen of de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst al dan niet valt onder artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet, meer bepaald of zij al dan niet werd ingegeven door economische redenen in de zin van die wetsbepaling. Het is in tegendeel slechts nadat eiseres oordeelt dat de schorsing geschiedde om economische redenen bedoeld in artikel 51 van de Arbeids-overeenkomstenwet, dat de schorsingsdagen met effectief gewerkte dagen worden gelijkgesteld voor de berekening van het vakantiegeld. 6.3 De omstandigheid dat in artikel 19 van het Vakantiebesluit specifieke voorwaarden worden gesteld om gelijkstelling te bekomen (verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst op de werkdag die de eerste dag van de gelijkstelbare periode voorafgaat en ten minste één dag effectief werkzaam zijn geweest in de loop der 28 dagen die de eerste dag van de gelijkstelbare periode voorafgaan) impliceert geenszins dat eiseres, wanneer een arbeider aanspraak maakt op gelijkstelling van een periode van schorsing van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst bij gebrek aan werk wegens economische redenen, slechts zou kunnen oordelen dat deze twee in artikel 19 van het Vakantiebesluit gestelde voorwaarden zijn vervuld en zij niet zou kunnen controleren of de tot schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ingeroepen redenen beantwoorden aan de economische redenen in de zin van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De omstandigheid dat, luidens artikelen 20 juncto, 21, ,§3, van het Vakantiebesluit, de juistheid van het aantal dagen arbeidsonderbreking wordt bevestigd door de kwartaalstaat waarop de werkgevers het cijfer van de gelijk-gestelde dagen vermelden en waarop zij tevens de reden van de afwezigheid op het werk vermelden, impliceert evenmin dat de R.V.A. de exclusieve bevoegdheid heeft om de economische redenen tot schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst te beoordelen en eiseres terzake gebonden is door de beslissing van de R.V.A. Hierbij dient te worden vastgesteld dat het Vakantiebesluit niet voorschrijft dat, in geval van toepassing van artikel 16, 16°, van dit besluit, een stavingstuk (van de erkenning) van de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens gebrek aan werk wegens economische redenen door de R.V.A. zou worden overgemaakt aan het bevoegde vakantiefonds. 6.4 Ten onrechte beslist het arbeidshof derhalve dat de bewoordingen van artikel 16,16°, 19, 20 en 21, ,§3, van het Vakantiebesluit, "wijzen op een administratieve afhandeling van de dossiers zonder meer en niet op enige appreciatiebevoegdheid of formele erkenning van de economische redenen door de bijzondere vakantiefondsen" en dat "de toepassing van artikel 51 A.O.W. (...) in fasen (verloopt) en er (...) geen sprake (is) van enige ondergeschiktheid van (eiseres) ten aanzien van de R.V.A. : na de opportuni-teitsbeslissing van de schorsing, kwalificeert de R.V.A. deze aangifte naar de toepassing van de werkloosheidreglementering waarna (eiseres), bij de beoordeling over de toekenning van vakantiegelden op deze werkloosheids-dagen, beschikt over het instrumentarium voorzien in artikel 19, 20 en 21 van het Jaarlijkse Vakantiebesluit". De omstandigheid dat eiseres beschikt over "het instrumentarium van de artikelen 19, 20 en 21 van het vakantiebesluit" sluit geenszins uit dat zij, alvorens tot gelijkstelling van de dagen van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst met effectief gewerkte dagen over te gaan, bij toepassing van artikel 16, 16°, van het Vakantiebesluit kan onderzoeken of de reden tot schorsing een economische reden in de zin van artikel 51 van de Arbeids-overeenkomstenwet uitmaakt. Het feit dat de vakantiewetgeving niet expressis verbis stelt dat de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie of de bijzondere vakantiefondsen onderzoeken of de redenen tot schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst beantwoorden aan de economische redenen in de zin van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet, sluit deze bevoegdheid (die overigens duidelijk volgt uit o.m. artikel 16,16°, van het Vakantiebesluit) geenszins uit en impliceert evenmin dat de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie of de bijzondere vakantiefondsen gebonden zijn door de beslissing van de R.V.A. terzake, temeer geen enkele wets- of reglementaire bepaling (noch de hiervoor, sub nrs. 1, 2 en 3 aangehaalde bepalingen, noch andere) voorschrijft dat de R.V.A. terzake enige beoordelingsbevoegdheid bezit en haar beoordeling zich aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse vakantie en de bijzondere vakantiefondsen zou opdringen. 6.5 Door te beslissen dat eens het gewestelijk bureau van de R.V.A. de economische werkloosheid heeft aanvaard, eiseres de gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen dient aan te nemen voor de berekening van het vakantiegeld en eiseres niet over een wettelijke basis beschikt voor enige appreciatiebevoegdheid terzake, schendt het arbeidshof ten tweede, artikelen 16, i.h.b. 16°, (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001), 19 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001), 20 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 3 april 2003) en 21 ,§3, (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 12 maart 2003) van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, en, voor zoveel als nodig, artikelen 3 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001), 14, eerste lid, (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 29 maart 1999, 10 en 13 juni 2001) en 22 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, artikelen 3 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001), 9, eerste lid, (zoals van kracht vóór de wijziging bij wetten van 26 maart 1999 en 22 mei 2001 en bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 5 november 2002), 12 (zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 24 december 2002) en 44 van de bij koninklijk besluit van 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, artikelen 133, ,§1, 4°, 137, ,§1, 2°, (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 12 maart 2003), 142 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 6 februari 2003) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering en artikelen 87, 3°, 92, ,§1, 93, ,§1, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheids-reglementering. Tweede onderdeel
  8. De beslissing luidens welke, eens het gewestelijk bureau van de R.V.A. de kwalificatie van economische werkloosheid heeft aanvaard, eiseres de gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen dient aan te nemen voor de berekening van het vakantiegeld, wordt door het arbeidshof tevens gestoeld op het motief dat de tegengestelde, door eiseres verdedigde, stelling - luidens welke eiseres niet gebonden is door de beoordeling van de R.V.A. en zelf een appreciatiebevoegdheid heeft - indruist tegen de "algemene beginselen van behoorlijk bestuur".
  9. De toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan geen afwijking van de wet rechtvaardigen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet leiden tot een negatie van het wettigheids-beginsel. Anders dan de beginselen van behoorlijk bestuur is het wettelijk-heidsbeginsel immers rechtstreeks gegrond op een grondwettekst, nl. artikel 159 van de Grondwet, naar luid waarvan de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Wanneer een arbeider, voor de berekening van het bedrag van zijn vakantiegeld, aanspraak maakt op gelijkstelling van dagen van arbeidson-derbreking met effectief gewerkte dagen overeenkomstig artikel 16, 16°, van het Vakantiebesluit, terwijl de door de werkgever ingeroepen redenen tot schorsing van de arbeidsovereenkomst geen economische redenen in de zin van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet uitmaken, kan de arbeider derhalve geen recht op gelijkstelling worden toegekend op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Indien de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet wordt gerechtvaardigd door redenen die kunnen gekwalificeerd worden als economische redenen in de zin van artikel 51 van de Arbeidsover-eenkomstenwet, staat artikel 16 van het Vakantiebesluit gelijkstelling van de schorsingsdagen met effectief gewerkte dagen niet toe, zodat deze gelijkstelling niet - in strijd met de wettelijke regeling - kan worden bekomen. Wanneer eiseres derhalve oordeelt dat de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van verweerder niet gerechtvaardigd werd door "economische redenen" in de zin van artikel 51 van de Arbeids-overeenkomstenwet, zodat er geen sprake is van "schorsing van de arbeids-overeenkomst krachtens artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten", welke luidens artikel 16, 16°, van het Vakantiebesluit als gevolg heeft dat de schorsingsdagen worden gelijkgesteld met effectief gewerkte dagen, verhindert een wettelijke bepaling, m.n. artikel 16,16°, van het Vakantiebesluit evenals artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat de schorsingdagen in aanmerking worden genomen voor de berekening van het vakantiegeld van verweerder. Door op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te beslissen dat eiseres ten onrechte weigerde de schorsingsdagen in aanmerking te nemen voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld, daar de R.V.A. voor de schorsingsdagen werkloosheidsvergoedingen uitkeerde, doch zonder te onderzoeken of eiseres al dan niet terecht beslist heeft dat in casu geen sprake was van schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens economische redenen in de zin van artikel 51 van de Arbeidsovereen-komstenwet, schendt het arbeidshof, ten eerste, artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 26 maart 1999, en artikel 16, 16°, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 en, voor zoveel als nodig artikel 159 van de Grondwet. 9.1 De administratieve rechtshandeling van de R.V.A., waarbij aan verweerder werkloosheidsuitkeringen werden toegekend voor de periode van schorsing van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, is volgens het arbeidshof bekleed met een vermoeden van wettigheid, heeft rechtsgevolgen in het leven geroepen en werd door de betrokkenen niet betwist. Dit vermoeden kan, aldus het arbeidshof, in huidige procedure niet weerlegd worden vermits noch de R.V.A., noch de werkgever in huidig geschil betrokken zijn. Door een beslissing te treffen die ingaat tegen de bestuurshandeling van de R.V.A. zou eiseres dit "privilège du préalable" hebben miskend. 9.2 Ingevolge het algemeen rechtsbeginsel inzake de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling (het vermoeden van wettigheid of het "privilège du préalable"), dat is afgeleid uit het algemeen rechtsbeginsel betreffende de continuïteit van de openbare dienst, worden definitieve admini-stratieve beslissingen geacht in overeenstemming te zijn met het recht en verplichten zij de betrokken personen tot naleving. Dit vermoeden geldt zonder dat de overheid vooraf een beroep moet doen op de rechter. Dit betekent dat de betrokken personen de bindende kracht van de administratieve rechtshandeling blijven ondervinden, zelfs zo zij ze aanvechten bij de rechterlijke instanties. De betrokken personen moeten in beginsel eerst de verplichtingen nakomen en dan de uitslag van de gerechte-lijke procedure afwachten. Het vermoeden van wettigheid geldt aldus slechts tussen de betrokken personen. Ten aanzien van derden geldt dit vermoeden niet en heeft de administratieve rechtshandeling geen bindende kracht. 9.3 Uit het bestreden arrest blijkt duidelijk, hetgeen ook nooit werd betwist, dat eiseres ten aanzien van de beslissing van de R.V.A. geen betrokken partij is. Uit de omstandigheid dat de beslissing van de R.V.A., waarbij werkloosheidsuitkeringen werden verleend aan verweerder voor de dagen van schorsing van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst krachtens artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet, ten aanzien van de bij deze administratieve rechtshandeling betrokken personen bekleed is met een vermoeden van wettigheid en door de betrokken personen niet werd aangevochten, kan derhalve niet worden afgeleid dat eiseres, die geen bij de rechtshandeling betrokken persoon is, door dit vermoeden van wettigheid is gebonden en derhalve niet meer, voor de toepassing van artikel 16, 16°, van het Vakantiebesluit, zou kunnen controleren of de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd gerechtvaardigd door redenen die economische redenen in de zin van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet uitmaken. 9.4 De beslissing luidens welke eiseres gebonden is door de beslissing van de R.V.A. daar de tegengestelde stelling indruist tegen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald omdat de rechtshandeling gesteld door de R.V.A. bekleed is met een vermoeden van wettigheid, schendt aldus, ten tweede, het algemeen rechtsbeginsel betreffende de continuïteit van de openbare dienst en het hieruit afgeleide rechtsbeginsel luidens welke administratieve handelingen vermoed worden in overeenstemming te zijn met het recht (privilège du préalable), alsmede artikelen 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 26 maart 1999), en artikel 16, 16°, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodali-teiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001) en, voor zoveel als nodig artikel 159 van de Grondwet. 10.1 Volgens het arbeidshof mocht verweerder ervan uitgaan dat, wanneer de procedure van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet (door de R.V.A.) als regelmatig wordt erkend, zijn recht op werkloosheidsuitkeringen ook een recht zou openen op vakantiegeld voor de dagen van schorsing en dat, nu dit niet het geval is, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel worden geschonden. De burger moet immers, aldus het arbeidshof, kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel worden miskend doordat eenzelfde feitelijke situatie door twee openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid verschillend wordt beoordeeld. 10.2 Het rechtzekerheidsbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- en beleidsregel krachtens welke de openbare diensten de door hen bij hem gewekte gerechtvaardigde verwachtingen moeten inlossen. De Rijksdienst voor Jaarlijks Vakantie en de bijzondere vakantiefondsen, zoals eiseres, zijn afzonderlijke besturen, te onderscheiden van de R.V.A.. Zij zijn niet afhankelijk van een andere openbare instelling zoals de R.V.A. De beslissingen genomen door eiseres kunnen dan ook niet worden vergeleken met beslissingen van andere openbare instellingen. Eiseres kan niet op grond van het rechtszekerheids- of vertrouwens-beginsel gehouden zijn de tot schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ingeroepen redenen te erkennen als economische redenen in de zin van artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet omdat verweerder erop mocht vertrouwen dat deze economische redenen door eiseres als dusdanig zouden worden erkend, waarbij dit vertrouwen of deze verwachting van verweerder niet stoelt op het gedrag of de houding van eiseres, doch wel op het gedrag, op de beslissing van de R.V.A. Een rechtssubject kan vanwege een overheidsinstelling slechts op grond van het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel een bepaalde beslissing afdwingen indien deze beslissing niet ingaat tegen de wet en indien de vaste gedrags- of beleidsregel waaruit zijn verwachtingen voortspruiten uitgaat van die overheidsinstelling zelf. Een instelling (in casu eiseres) kan op grond van het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet verplicht worden een bepaalde beslissing te treffen omdat door de vaste gedrags- of beleidsregel van een andere instelling (de R.V.A.) bij een rechtsonderhorige het vertrouwen wordt gewekt dat eerstgenoemde instelling die beslissing zou treffen. 10.3 De beslissing luidens welke eiseres gebonden is door de beslissing van de R.V.A. daar de tegengestelde stelling indruist tegen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald tegen het rechtszekerheidsen het vertrouwensbeginsel op grond waarvan verweerder ervan mocht uitgaan dat zijn recht op werkloosheidsuitkeringen ook een recht op vakantiegeld zou openen voor de dagen van schorsing van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, schendt aldus, ten derde, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur houdende het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel, alsmede artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 26 maart 1999), en artikel 16, 16°, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001) en, voor zoveel als nodig artikel 159 van de Grondwet. IV. Beslissing van het Hof
  10. Ontvankelijkheid Overwegende dat het middel, in zoverre het de artikelen 133, ,§ 1, 4°, 137, ,§ 2, 2°, en 142 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de artikelen 87, 3°, 92, ,§ 1, en 93, ,§ 1, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering als geschonden wettelijke bepalingen aanwijst, niet preciseert hoe het bestreden arrest die bepalingen schendt, mitsdien niet ontvankelijk is ;
  11. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 51 van de Arbeidsovereenkomsten-wet van 3 juli 1978, zoals te dezen van toepassing, de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk kan worden geschorst bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken ; Dat in geval van toepassing van dit artikel, de werkgever minstens zeven dagen vooraf aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening mededeling dient toe te zenden van de kennisgeving aan de betrokken werknemers door aanplakking of van de individuele kennisgeving ; Dat, overeenkomstig diezelfde bepaling, de werkgever in deze mededeling de economische redenen dient te vermelden die de volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst of het instellen van een regeling van gedeeltelijke arbeid rechtvaardigen ; Dat uit deze bepaling volgt dat de wetgever de beoordeling van de werkelijkheid van de economische oorzaken van de werkloosheid aan het werkloosheidsbureau en dus aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening heeft overgelaten ; Overwegende dat, krachtens artikel 16, 16°, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijks Vakantie, zoals te dezen van toepassing, de dagen van arbeidsonderbreking ingevolge een schorsing van de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet, voor de berekening van het vakantiegeld met effectief gewerkte dagen gelijkgesteld worden ; Dat om gelijkstelling te verkrijgen, de arbeider, overeenkomstig artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie, dient te voldoen aan twee voorwaarden, namelijk verbonden zijn door een arbeidsof leerovereenkomst op de werkdag die de eerste dag van de gelijkgestelde periode voorafgaat en ten minste één dag effectief werkzaam zijn geweest in de loop van de achtentwintig dagen die de eerste dag van de gelijkgestelde periode voorafgaan ; Dat, overeenkomstig artikel 20, e, iuncto 21, ,§ 3, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie, de juistheid van het aantal dagen van arbeidsonderbreking wordt bevestigd door de kwartaalstaat waarop de werkgever het cijfer van de gelijkgestelde dagen aangeeft en de reden van de afwezigheid op het werk vermeldt ; Dat uit al deze bepalingen, bijzonder uit de verwijzing naar de economische werkloosheid als bedoeld in artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet, volgt dat de vakantiewetgeving met gelijkgestelde dagen van economische werkloosheid die dagen bedoelt waarvan de beoordeling uitsluitend aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is opgedragen ; Dat het onderdeel faalt naar recht ;
  12. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest beslist dat eiseres bij de berekening van het vakantiegeld 1998 van verweerder rekening dient te houden met de economische werkloosheidsdagen in het jaar 1997, op grond dat uit artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet en de artikelen 16, 16°, 19, 20 en 21, ,§ 3, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie, zoals te dezen van toepassing, volgt dat, eens het gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de kwalificatie van economische werkloosheid heeft aanvaard, eiseres deze kwalificatie dient aan te nemen voor eventuele gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen voor de berekening van het vakantiegeld ; Dat het arrest aldus een zelfstandige en door eiseres in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde grond van zijn beslissing geeft ; Dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF Verwerpt de voorziening ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd zevenendertig euro tweeënnegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd zevenennegentig euro drieëntachtig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twintig september tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060601.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.