← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.6 Rolnummer: C.03.0372.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2005-03-24 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-07-03 15:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het voorbehoud voor de bewijsregels voor de konijnenschade heeft geen betrekking op datgene wat moet worden bewezen, maar heeft betrekking op de procedure van vaststelling van dergelijke schade zoals die is bepaald in art. 7bis, Jachtwet van 28 februari 1882 - met uitzondering van het bij art. 41.1, Jachtdecreet Vlaams Gewest opgeheven eerste lid van dit artikel. Thesaurus CAS: JACHT Vrije woorden: JACHT Wildschade Konijnenschade Vergoeding Bewijsregels Fiche 2 Ten laste van de houder van het jachtrecht, die de plicht heeft de overtollige konijnen op zijn jachtgebied te verdelgen, bestaat er geen vermoeden van fout en geen vermoeden van oorzakelijk verband op grond waarvan hij gehouden is de wildschade door konijnen aan de gewassen te vergoeden; de fout, de schade en het oorzakelijk verband zoals bepaald in art. 1382 B.W. moet door de schadelijder bewezen worden

(1).
(1)Zie Cass., 2 maart 1922, Pas. 1922, p. 583; 9 maart 1939, Pas. 1939, p. 122. Thesaurus CAS: JACHT Vrije woorden: JACHT Wildschade Konijnenschade Houder van jachtrecht Aansprakelijkheid Fout Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1991 - Art.1382 Fiche 3 Het volstaat niet dat opdat de houder van het jachtrecht aansprakelijk is voor door wilde konijnen aangebrachte wildschade én verplicht is ze te vergoeden dat er "belangrijke wildschade" vaststaat; de schadelijder dient daartoe deze te bewijzen dat die wildschade veroorzaakt is door overpopulatie van wild op het jachtgebied
(1).
(1)Zie Cass., 2 maart 1922, Pas. 1922, p. 583; 9 maart 1939, Pas. 1939, p.
  1. Thesaurus CAS: JACHT Vrije woorden: JACHT Wildschade Konijnenschade Vergoeding Schadelijder Bewijslast Omvang Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1991 - Art.1382 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0372.N.-
  2. M.K.,
  3. D.W. R.,
  4. L. R.,
  5. L. W.,
  6. V. D. E. P., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ARBORAL, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met vennootschapszetel gevestigd te 9420 Erpe-Mere/Erpe, Bossestraat 57, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 20 februari 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 20 april 2004 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan.
  7. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 22 en 24 van het Jachtdecreet van 24 juli
  8. Bestreden beslissing Het bestreden vonnis verklaart het door verweerster ingesteld hoger beroep gedeeltelijk gegrond en veroordeelt de eisers in solidum tot het betalen van schadevergoeding aan verweerster. Het vonnis steunt op de overweging dat, in tegenstelling tot hetgeen was voorgehouden door de eerste rechter en de eisers, de aansprakelijkheid inzake wildschade niet dient te worden bepaald op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek daar er "een vermoeden van aansprakelijkheid lastens de jachthouder in het jachtdecreet wordt weerhouden." Het bestreden vonnis stelt dat uit de samenlezing van de artikelen 22 en 24 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 dient besloten te worden dat de jachthouder een verdelgingsplicht heeft, zodat hij er moet voor zorgen dat er geen belangrijke schade wordt toegebracht door jaagbaar wild. Het bestreden vonnis stelt verder dat zowel uit de tekst van artikel 22 als uit artikel 24 van het Jachtdecreet kan afgeleid worden dat de verdelgingsplicht behoort tot de algemene rechten en plichten van de jachthouder, hetgeen een vermoeden van aansprakelijkheid creëert in zijnen hoofde aangezien de eigenaar en de grondgebruiker slechts tot verdelging mogen overgaan na het ontstaan van de schade en na de schriftelijke ingebrekestelling van de jager. De rechtbank oordeelt dat zodra er belangrijke wildschade vastgesteld wordt, er een vermoeden van aansprakelijkheid lastens de jachtrechthouder bestaat. De bedoeling van het Jachtdecreet zou er volgens het bestreden vonnis in bestaan de jager te responsabiliseren. Niet alleen de fout van de houder van het jachtrecht moet niet worden aangetoond maar ook het causaal verband tussen de fout en de schade dient niet langer meer te worden bewezen. Volgens het bestreden vonnis moet derhalve door verweerster enkel het bestaan van belangrijke wildschade worden aangetoond om een vergoeding van de jachtrechthouders te bekomen. Het bestreden vonnis stelt dat onder wildschade moet worden verstaan de volledige schade veroorzaakt door de dieren die behoren tot het de in artikel 3 van het Jachtdecreet vermelde soorten, waaronder ook de konijnen. Vervolgens stelt het vonnis vast dat de schade aan de planten van verweerster door konijnen werden veroorzaakt. Op grond van bovengenoemde overwegingen veroordeelt het bestreden vonnis de eisers tot het betalen aan verweerster van een schadevergoeding voor de wildschade. Het bovenstaande ligt vervat in de volgende overwegingen van het bestreden vonnis (p. 5) : "In tegenstelling tot de eerste rechter en (de eisers) is de rechtbank van oordeel en treedt hierbij het standpunt van (verweerster) bij, dat de aansprakelijkheid inzake wildschade niet dient te worden bepaald op basis van het artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, nu er een vermoeden van aansprakelijkheid lastens de jachthouder in het jachtdecreet wordt weerhouden. Uit de samenlezing van de artikelen 22 en 24 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 dient immers besloten te worden dat de jachthouder een verdelgingsplicht heeft, zodat deze er moet voor zorgen, dat er geen belangrijke schade wordt toegebracht door jaagbaar wild. Meer bepaald blijkt zowel uit de tekst van het artikel 22 als van het artikel 24 van het voormeld decreet dat de verdelgingsplicht behoort tot de algemene rechten en plichten van de jachthouder, hetgeen een vermoeden van aansprakelijkheid creëert in zijnen hoofde aangezien de eigenaar en de grondgebruiker slechts tot verdelging mogen overgaan na het ontstaan van de schade en na de schriftelijke ingebrekestelling van de jager. Indien de jachtrechthouder enkel het recht zou hebben om te jagen wanneer het hem past en op hem geen verdelgingsplicht zou berusten, zou de in de artikelen 22 en 24 van het decreet voorziene procedure totaal zinloos zijn, zodat enkel kan besloten worden dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om een verdelgingsplicht in hoofde van de jachtrechthouder te creëren. Van zodra er belangrijke wildschade vastgesteld wordt, bestaat er derhalve een vermoeden van aansprakelijkheid lastens de jachtrechthouder. De bedoeling van het decreet is de jager te responsabiliseren. Niet alleen de fout van de houder van het jachtrecht moet niet meer worden aangetoond maar ook het causaal verband tussen de fout en de schade dient niet langer meer te worden bewezen (Aerts, F., Het jachtdecreet, 1992, die keure, 46). In casu dient door (verweerster) derhalve enkel het bestaan van 'belangrijke wildschade' te worden aangetoond, teneinde een vergoeding van de jachtrechthouders te bekomen. Onder wildschade wordt verstaan de volledige schade veroorzaakt door de dieren die behoren tot het in artikel 3 van voormeld decreet bedoelde soorten, waaronder ook de konijnen". Grieven Het bestreden vonnis stelt dat, in tegenstelling tot de eerste rechter en het standpunt van de eisers, de aansprakelijkheid inzake wildschade niet dient bepaald te worden op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek nu er een vermoeden van aansprakelijkheid lastens de jachthouder in het jachtdecreet wordt weerhouden. Volgens het bestreden vonnis dient uit de samenlezing van de artikelen 22 en 24 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 immers besloten te worden dat de jachthouder een verdelgingsrecht heeft, zodat deze er moet voor zorgen, dat er geen belangrijke schade wordt toegebracht door jaagbaar wild. Uit de tekst van de artikelen 22 en 24 van voormeld decreet dient volgens het bestreden vonnis afgeleid te worden dat de verdelgingsplicht behoort tot de algemene rechten en plichten van de jachthouder, hetgeen een vermoeden van aansprakelijkheid zou creëren in zijnen hoofde aangezien de eigenaar en de grondgebruiker slechts tot verdelging mogen overgaan na het ontstaan van de schade en na de schriftelijke ingebrekestelling van de jager. Het bestreden vonnis besluit dan ook dat verweerster enkel het bestaan van "belangrijke wildschade" dient aan te tonen, teneinde een vergoeding van de jachtrechthouders te bekomen. Onder wildschade dient verstaan te worden de volledige schade veroorzaakt door dieren, die behoren tot de in artikel 3 van het Jachtdecreet bedoelde soorten, waaronder ook de konijnen. Uit het artikel 22 van het Jachtdecreet, handelend over de bestrijding van wild en uit het artikel 24 van het Jachtdecreet, handelend over de vergoeding van belangrijke wildschade, kan geenszins een vermoeden van aansprakelijkheid van de jachthouder afgeleid worden. Uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek volgt echter wel dat de jachthouder aansprakelijk gesteld kan worden indien door zijn fout schade aan derden wordt veroorzaakt. Deze artikelen stellen immers dat ieder aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door zijn daad of door zijn nalatigheid. Opdat een vordering tot schadevergoeding wegens konijnenschade derhalve als gegrond zou worden beschouwd, moet in de eerste plaats een fout in hoofde van de titularis van het jachtrecht worden aangetoond ; het bewijs van het louter bestaan van de schade door de schadelijder volstaat derhalve niet. De overweging van het bestreden vonnis dat de aansprakelijkheid inzake wildschade niet dient te worden bepaald op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en de overweging die stelt dat zodra er belangrijke wildschade vastgesteld wordt, er een vermoeden van aansprakelijkheid lastens de jachtrechthouder bestaat, schenden derhalve de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 22 en 24 van het Jachtdecreet.
  9. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1317 en 1319 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 516 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing Het bestreden vonnis beslist dat de door de gerechtsdeurwaarders op verzoek van de eisers gedane vaststellingen niet tegenstelbaar zijn aan verweerster, in de mate dat hun vaststellingen niet controleerbaar zijn aan de hand van de bijgevoegde foto's, aangezien verweerster geenszins bij het onderzoek werd betrokken. Het bestreden vonnis houdt derhalve bij de vaststelling van de door konijnen veroorzaakte schade geen rekening met de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarders en stelt vast dat er konijnschade is. Op grond van bovengenoemde overwegingen veroordeelt het bestreden vonnis de eisers tot het betalen aan verweerster van een schadevergoeding voor de wildschade. Het bestreden vonnis bevat daaromtrent de volgende overweging (bestreden vonnis, p. 5) : "De door de gerechtsdeurwaarders en V. op verzoek van (eisers) gedane vaststellingen zijn niet tegenstelbaar aan (verweerster), in de mate dat hun vaststellingen niet controleerbaar zijn aan de hand van de bijgevoegde foto's, aangezien (verweerster) bij het onderzoek geenszins werd betrokken". Grieven In de beroepsbesluiten van 30 januari 2002 van eerste en tweede eiser en in de beroepsbesluiten van derde, vierde en vijfde eiser wordt er verwezen naar de processen-verbaal van vaststellingen van de gerechtsdeurwaarders die de eisers hadden aangesteld om vast te stellen dat er geen sporen waren van wildschade. Het bestreden vonnis stelt dat de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarders niet tegenstelbaar zijn aan verweerster, aangezien verweerster niet bij het onderzoek werd betrokken. Artikel 516 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat gerechtsdeurwaarders kunnen aangesteld worden om vaststellingen te doen van zuiver materiële feiten, zonder enig advies uit te brengen met betrekking tot de gevolgen in feite of in rechte die daaruit zouden kunnen voortvloeien, en dat zij ook op verzoek van particulieren tot die vaststellingen kunnen overgaan. Deze vaststellingen van zuiver materiële feiten gedaan door de gerechtsdeurwaarders op verzoek van de eisers dienen als authentieke akten in de zin van de artikelen 1317 en 1319 van het Burgerlijk Wetboek beschouwd te worden. Door te overwegen dat de vaststellingen van het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder niet tegenstelbaar zijn aan verweerster (en er derhalve geen rekening mee te houden), schendt het bestreden vonnis de authentieke bewijswaarde van de processen-verbaal van vaststelling en schendt het derhalve de artikelen 1317 en 1319 van het Burgerlijk Wetboek en het artikel 516 van het Gerechtelijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof
  10. Eerste middel Overwegende dat artikel 22, eerste lid, van het Jachtdecreet van de Vlaamse Raad van 24 juli 1991 bepaalt dat het verboden is, op straffe van een geldboete van vijftig frank, op enigerlei wijze te jagen buiten de door de Vlaamse Executieve bepaalde tijden, onverminderd het recht van de eigenaar of de grondgebruiker om jaagbaar wild dat schade toebrengt aan zijn gewassen, teelten, bossen of eigendommen terug te drijven en dat de eigenaar of de grondgebruiker zijn inwonende familieleden daarmede mag belasten ; Dat het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, indien de eigenaar of de grondgebruiker kan aantonen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat, hij het jaagbaar wild eveneens kan doden of laten doden onder de in het voorgaande lid vermelde voorwaarden ; Dat het laatste lid van dit artikel bepaalt dat het gedode wild aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin de bestrijding plaatsvindt, dient te worden overhandigd ; Dat artikel 24, eerste lid, van dit decreet bepaalt dat de vergoeding van de belangrijke wildschade, behoudens de schade die veroorzaakt wordt door konijnen, wordt vastgesteld volgens de gewone rechtsregels ; Dat dit voorbehoud voor de bewijsregels voor de konijnenschade betrekking heeft op de procedure van vaststelling van dergelijke schade zoals die procedure is bepaald in artikel 7bis van de Jachtwet van 28 februari 1882, met uitzondering van het bij artikel 41.1 van het Jachtdecreet van het Vlaams Gewest opgeheven eerste lid van dit artikel ; dat dit voorbehoud geen betrekking heeft op datgene dat moet worden bewezen ; Dat het tweede lid van voormeld artikel 24 bepaalt dat onder wildschade wordt verstaan : de volledige schade veroorzaakt door de dieren die behoren tot de in artikel 3 bedoelde soorten ; Dat het derde lid van dit artikel 24 bepaalt dat, op verzoek van eigenaars van gronden waarvan de aaneengesloten oppervlakte kleiner is dan veertig hectare, de houder van het jachtrecht van het aangrenzende jachtterrein bij afwezigheid van een minnelijke regeling, verplicht kan worden het jachtrecht op eerstvernoemde gronden te verwerven, zulks nadat de Vlaamse Executieve of de door haar aangestelde ambtenaar of de beheerder van de wildbeheerseenheid deze verwerving opportuun oordeelt in het kader van de doelstellingen van dit decreet en de voorwaarden heeft vastgesteld ; Dat die wettelijke bepalingen niet inhouden dat er ten laste van de houder van het jachtrecht die de plicht heeft de overtollige konijnen op zijn jachtgebied te verdelgen, een vermoeden van fout en een vermoeden van oorzakelijk verband bestaat op grond waarvan hij gehouden is de wildschade door konijnen aan de gewassen te vergoeden ; Dat de artikelen 22 en 24 van het Jachtdecreet aldus niet uitsluiten dat de fout, de schade en het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade zoals bepaald in artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, door de schadelijder moeten bewezen worden ; dat het niet volstaat dat, opdat de houder van het jachtrecht aansprakelijk is voor door wilde konijnen aangebrachte wildschade en verplicht is ze te vergoeden, er belangrijke wildschade vaststaat ; Dat de schadelijder daartoe ook dient te bewijzen dat die wildschade veroorzaakt is door de overpopulatie van wild op het jachtgebied ; Overwegende dat het bestreden vonnis oordeelt dat uit de artikelen 22 en 24 van voormeld Jachtdecreet volgt dat zodra er belangrijke wildschade vastgesteld wordt, er een vermoeden van aansprakelijkheid van de houder van het jachtrecht bestaat en dat "de aansprakelijkheid inzake wildschade niet dient te worden bepaald op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek" ; Dat het bestreden vonnis aldus de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen schendt ; Dat het middel gegrond is ;
  11. Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zitting houdende in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van twintig september tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.