← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art.1699

Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Verscheidene daders. Hoofdelijkheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Verscheidene daders. Hoofdelijkheid Overdracht van schuldvordering Overdracht van een betwist recht Strafzaken Burgerlijke rechtsvordering Schadevergoeding wegens eenzelfde misdrijf Naastende medeschuldenaars Betaling door één naastende medeschuldenaar aan de overnemer van de werkelijke prijs van de overdracht, de kosten en de interest Bevrijding Andere medeschuldenaar Wettelijke bepalingen:

Art.1699

Thesaurus CAS: HOOFDELIJKHEID Vrije woorden: HOOFDELIJKHEID Strafzaken Burgerlijke rechtsvordering Schadevergoeding wegens eenzelfde misdrijf Verscheidene daders Overdracht van schuldvordering Overdracht van een betwist recht Naastende medeschuldenaars Betaling door één naastende medeschuldenaar aan de overnemer van de werkelijke prijs van de overdracht, de kosten en de interest Bevrijding Andere medeschuldenaar Wettelijke bepalingen:

Art.1699

Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Strafzaken Schadevergoeding wegens eenzelfde misdrijf Verscheidene daders Herstelplicht Hoofdelijkheid Overdracht van schuldvordering Overdracht van een betwist recht Naastende medeschuldenaars Betaling door één naastende medeschuldenaar aan de overnemer van de werkelijke prijs van de overdracht, de kosten en de interest Bevrijding Andere medeschuldenaar Wettelijke bepalingen:

Art.1699Fiche 5 Concl.

adv.-gen. Th. Werquin, Cass., 21 sept. 2004, AR P.04.0512.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: KOOP Vrije woorden: KOOP Overdracht van schuldvordering Overdracht van een betwist recht Strafzaken Burgerlijke rechtsvordering Schadevergoeding wegens eenzelfde misdrijf Verscheidene daders Herstelplicht Hoofdelijkheid Naastende medeschuldenaars Betaling door één naastende medeschuldenaar aan de overnemer van de werkelijke prijs van de overdracht, de kosten en de interest Bevrijding Andere medeschuldenaar Fiches 6 - 7 Concl. adv.-generaal Th. Werquin, Cass., 21 sept. 2004, AR P.04.0512.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Verscheidene daders. Hoofdelijkheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Verscheidene daders. Hoofdelijkheid Overdracht van schuldvordering Overdracht van een betwist recht Strafzaken Burgerlijke rechtsvordering Schadevergoeding wegens eenzelfde misdrijf Naastende medeschuldenaars Betaling door één naastende medeschuldenaar aan de overnemer van de werkelijke prijs van de overdracht, de kosten en de interest Bevrijding Andere medeschuldenaar Thesaurus CAS: HOOFDELIJKHEID Vrije woorden: HOOFDELIJKHEID Strafzaken Burgerlijke rechtsvordering Schadevergoeding wegens eenzelfde misdrijf Verscheidene daders Overdracht van schuldvordering Overdracht van een betwist recht Naastende medeschuldenaars Betaling door één naastende medeschuldenaar aan de overnemer van de werkelijke prijs van de overdracht, de kosten en de interest Bevrijding Andere medeschuldenaar Fiche 8 Concl. adv.-gen. Th. Werquin, Cass., 21 sept. 2004, AR P.04.0512.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Strafzaken Schadevergoeding wegens eenzelfde misdrijf Verscheidene daders Herstelplicht Hoofdelijkheid Overdracht van schuldvordering Overdracht van een betwist recht Naastende medeschuldenaars Betaling door één naastende medeschuldenaar aan de overnemer van de werkelijke prijs van de overdracht, de kosten en de interest Bevrijding Andere medeschuldenaar Nota: P.04.0512.N Conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin. Het eerste onderdeel van het middel van D.B.P. is gegrond. Luidens artikel 1699 B.W. kan hij tegen wie een betwist recht is overgedragen, zich daarvan door de overnemer doen bevrijden, mits hij hem de werkelijke prijs van de overdracht en de wettig gemaakte kosten vergoedt, samen met de interest te rekenen van de dag waarop de overnemer de prijs voor de hem gedane overdracht betaald heeft. De procespartij tegen wie een betwist recht is overgedragen, kan zich namelijk door de overnemer doen kwijting geven en zich bevrijden door hem de prijs van de overdracht, de rente en de kosten te vergoeden.

(1)Verwijzend naar het Romeins recht heeft de verslaggever PORTALIS in 1804 voor de wetgevende vergadering gepleit voor een beperking van de vrijheid van overeenkomst en de handhaving van het oude recht met het oog op uitschakeling van speculanten die betwiste rechten opkochten en rijk werden van andermans betwistingen. Opkopers van betwiste rechten zijn uit winstbejag meestal niet bereid tot toegevingen en werden reeds door de Romeinen behandeld als uitbuiters. Door POTHIER, en later door PORTALIS, werden ze bestempeld als " des odieux acheteurs de procès". De overname van een betwist recht is immers, in principe, geen normale zaak en meestal het werk van een speculant. Daar de beweegreden van het menselijk handelen zelden te achterhalen is, diende men alle overnames van betwiste rechten, behalve die welke zijn opgesomd in artikel 1701 B.W., verdacht te maken. Het doel van de wetgever was het vermijden van processen: de overgedragen schuldenaar wordt tegen het winstbejag van opkopers van processen beschermd door hem de mogelijkheid te bieden aan het proces een einde te maken door naasting van het overgedragen betwiste recht tegen een vergoeding die gelijk is aan de overnameprijs. Anderzijds heeft de wetgever ook gewild dat de overnemer die de naasting ondergaat, in de toestand van vóór de overdracht wordt hersteld, zodat hem slechts de nagestreefde winst ontsnapt.
(2)De vraag rijst of in geval van medeschuldenaars, de naasting door één schuldenaar verhindert dat de overnemende schuldeiser de andere hoofdelijke schuldenaar aanspreekt tot betaling van de schuld.Het B.W. is karig met uitleg over de gevolgen van de naasting. Al wat uit artikel 1699 valt af te leiden, is dat de zogenaamde schuldenaar door het uitkeren van de vergoeding aan de overnemer bevrijd is. Dit betekent uiteraard het einde van het geding, omdat de overnemer van hem niets meer kan eisen. Het B.W. weidt niet uit over andere gevolgen met betrekking tot de verhouding tussen de zogenaamde schuldenaar en de overnemer noch over de gevolgen tussen de overdrager en de overnemer en tussen de overdrager en de zogenaamde schuldenaar die tot naasting overging.
(3)In de rechtsliteratuur heeft de voormelde vraag nauwelijks aandacht gekregen. Als overnemer neemt die persoon de plaats in van de overdrager, en de gecedeerde moet in beginsel die nieuwe titularis van het recht gedogen, net zoals de schuldenaar, bij schuldoverdracht, de nieuwe schuldeiser moet gedogen.
(4)De betwiste naasting is een verweer tegen de hoofdvordering
(5). Alleen degene tegen wie het overgedragen recht, als het zou erkend worden, bestaat, mag die mogelijkheid benutten
(6). Door de naasting, en mits de voorwaarden daartoe zijn vervuld, neemt de naaster de zaak van de overnemer over, en neemt hij diens plaats als koper in. Het Franse Hof van Cassatie heeft naasting omschreven als " le droit de prendre le marché d'un autre et de se rendre acquéreur à sa place ".
(7)Door de naasting raakt de gecedeerde schuldenaar de overnemer werkelijk kwijt, mits hij een vergoeding betaalt. Hij doet hem verdwijnen zodat er voortaan jegens hem geen betwist recht meer bestaat, aangezien elke opponent zal zijn verdwenen.
(8)De naasting heeft tot gevolg dat de overnemer wordt opzijgezet, werkelijk uitgedreven, zodat ook het proces verdwijnt en het recht zijn litigieus karakter verliest. Het is net alsof de gecedeerde met de overdrager een dading heeft aangegaan
(9). Daarom is de litigieuze naasting een middel van bevrijding. Die bevrijding wordt door een bijzondere werkwijze verkregen: de huidige titularis van het recht wordt vergoed tot beloop van het bedrag dat hij voor dat recht heeft betaald. De overnemer heeft geen reden tot klagen aangezien hij is vergoed. Hij verliest alleen het eventuele lucrum. Men ontneemt hem alleen de mogelijkheid om de gecedeerde te exploiteren of te tergen, wat precies de bedoeling is van de wet
(10)Als gevolg van de onteigeningsvergoeding die de genaaste overnemer ontvangen heeft, vervallen de rechten die hem werden overgedragen en wordt hij zelfs geacht die rechten nooit te hebben verworven. Hierdoor verdwijnen ook de rechten die de overnemer mocht hebben toegestaan op de overgedragen zaak. Gaat het om een schuldvordering, dan is het alsof de overnemer nooit schuldeiser is geweest; gaat het om een onroerend goed, dan verdwijnen de zakelijke rechten, hypotheken, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden die worden beschouwd als zijnde a non domino toegestaan.
(11)Door die terugwerkende kracht is de rechtstoestand die ontstaat door naasting dezelfde als de toestand die ontstaat als de vervreemding onmiddellijk aan de naaster zou zijn toegestaan.
(12)De naaster, die het recht verkrijgt dat hem in rechte werd tegengeworpen, wordt tegelijk eiser en verweerder. Kortom, het proces eindigt. De overdrager heeft het litigieuze recht door de overdracht verloren, de genaaste door de naasting. Als het litigieuze recht een schuldvordering is, dan is de naaster zijn eigen schuldeiser geworden; de litigieuze schuldvordering is door schuldvermenging uitgedoofd.
(13)Men kan geen aanspraak maken jegens zichzelf.
(14)Wanneer de naasting een schuldvordering betreft die, samen met andere rechten, het voorwerp van eenzelfde schuldoverdracht heeft gevormd, tegen een globale prijs, wordt het bedrag dat de naaster moet betalen door uitsplitsing bepaald.
(15)Maar de naasting heeft niet tot gevolg dat de schuldenaar nu de rechthebbende is geworden van de overdrager, evenmin als hij de rechthebbende is geworden van de genaaste overnemer. Voor de overdrager is de naasting een res inter alios acta: ze heeft niet tot gevolg dat de schuld van de genaaste overnemer jegens de overdrager wordt weggenomen of gewijzigd noch dat de schuldenaar die de naasting uitoefent, de plaats van de overnemer inneemt.
(16)Indien de vergelijking met de dading doorgetrokken wordt, kan worden verwezen naar een arrest van uw Hof van 18 september 1941 dat besliste dat artikel 1285 van het Burgerlijk Wetboek, in geval van een hoofdelijke schuld, uitdrukkelijk bepaalt dat de schuldeiser die aan een van de schuldenaars kwijtschelding van schuld heeft toegestaan, de schuld jegens de medeschuldenaars alleen nog kan invorderen, zelfs als hij uitdrukkelijk zijn rechten heeft voorbehouden tegen die andere schuldenaars, dan na aftrek van het " aandeel " van degene aan wie hij kwijtschelding verleend heeft. Die regel is uitgevaardigd om de rechten van de hoofdelijke medeschuldenaars te vrijwaren en om te beletten dat sommige partijen, eventueel onder het mom van een dading, de gevolgen ten nadele van de anderen en zonder hun instemming zouden kunnen wijzigen. In de noot onder dit arrest wordt gesteld dat de schuldeiser door de dading een gedeelte van de schuld heeft geïnd. Hoe kan men dan onderstellen dat de wet die schuldeiser de mogelijkheid zou bieden om de hele schuld nogmaals te vorderen van de medeschuldenaars, die niets te maken hadden met de dading en hen zou verbieden op te werpen dat het bedrag van die schuld door die dading was verminderd? Hieruit kan afgeleid worden dat door de naasting er een einde wordt gemaakt aan de betwisting tussen de overgedragen schuldenaar die zijn schuld betwist heeft en die zijn wil heeft laten kennen het betwiste recht over te nemen onder de wettelijke voorwaarden en de overnemer, en dat de rechten die de genaaste overnemer werden overgedragen uitsluitend tegenover die schuldenaar vervallen, zodat de genaaste overnemer, indien hij de andere medeschuldenaars aanspreekt , zelf het aandeel van de bevrijde schuldenaar moet aftrekken
(17). Bovendien dient de prijs van de overdracht vastgesteld te worden door rekening te houden met het aantal overblijvende medeschuldenaars. Indien de vergelijking met de schuldvermenging doorgetrokken wordt, geeft artikel 1301, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek een antwoord in het geval van passieve solidariteit: de hoofdelijke schuldenaren kunnen zich op die schuldvermenging beroepen om een vermindering van de hoofdelijke schuld ten belope van het uitgedoofde aandeel van de verdwenen schuldenaar uit af te leiden. Enkel het saldo zal door hen nog hoofdelijk aan het overblijvende rechtssubject verschuldigd zijn
(18). Bovendien, aangezien door de uitoefening van de naasting de genaaste overnemer slechts een vergoeding krijgt en geen betaling van de schuld, kan niet afgeleid worden dat de hoofdelijke medeschuldenaar, ingevolge de naasting door zijn medeschuldenaar ten aanzien van de genaaste overnemer ook bevrijd is. Aangezien de naasting een middel is door de wet ter hand gesteld aan de overgedragen schuldenaar die zijn schuld betwist, om zich te bevrijden door het uitkeren van de vergoeding voor het overgedragen recht, is het recht om tot naasting over te gaan aldus een persoonlijk recht, dat aan de persoon van elke gecedeerde schuldenaar toekomt, maar dat de overige medeschuldenaars ten goede komt die hun recht op de litigieuze naasting niet hebben uitgeoefend, ten belope van het aandeel van de bevrijde schuldenaar.
(19)Planiol en Ripert verdedigen een ander standpunt door te stellen dat "le retrait peut être exercé, même s'il existe plusieurs débiteurs solidaires; si l'un des coobligés se substitue au cessionnaire, le retrayé perd ses droits contre tous les codébiteurs et le retrayant peut exercer son recours contre ses coobligés au prorata de la dette de chacun".
(20)Ze verwijzen naar een arrest van de Chambre des requêtes van het Franse Hof van Cassatie van 16 januari 1883.
(21)Volgens een noot onder dit arrest wordt overwogen dat " il est certain que, par l'effet du retrait, l'obligation est éteinte à l'égard du cessionnaire; celui-ci est dans la même situation juridique que s'il avait reçu le montant total de ce qui lui était dû ; il a donc perdu tout recours, non seulement contre le débiteur qu'il avait poursuivi, mais encore contre les autres coobligés ". Deze stelling wordt in de rechtsliteratuur niet overgenomen. Door de naasting is het betwiste recht, zoals het werd overgenomen, opeens onbetwistbaar geworden. De naasting is slechts toelaatbaar als de overdracht plaatsheeft nadat een geding over de zaak of over het recht aanhangig is gemaakt en vooraleer het geding beëindigd is. De naasting moet plaatsvinden tijdens een proces waarin de zaak of het recht zelf wordt betwist. Het is slechts betwist in de zin van artikel 1699 B.W. indien er proces is en betwisting van het recht zelf (art. 1700 B.W.). De schuld kan ook gedeeltelijk worden betwist. Indien de overdracht betrekking heeft op het niet-betwiste gedeelte, is de naasting van dat gedeelte uitgesloten.
(22)Indien de stelling wordt aanvaard dat de hoofdelijke medeschuldenaar ingevolge de naasting door zijn medeschuldenaar ten aanzien van de cessionaris ook bevrijd is, betekent dit dat, hoewel de hoofdelijke medeschuldenaar de vordering van de schuldeiser voor de rechter niet zou hebben betwist, hij nochtans dankzij de naasting door zijn medeschuldenaar toch bevrijd zou zijn, wat in strijd zou zijn met de voormelde voorwaarden om de naasting toelaatbaar te maken. Conclusie: het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat verwezene V., door zijn aanbod tot betaling van de werkelijke overnameprijs van de betwiste vordering en de wettig gemaakte kosten samen met de interesten, bevrijd is van zijn verplichting tot vergoeding van de schadelijder wegens de tegen hem bewezen verklaarde misdrijven, dat uit niets blijkt dat verwezene D.B. de in artikel 1699 B.W. bepaalde vergoeding heeft betaald of dat hij hiervoor een aanbod tot betaling heeft gedaan en dat het louter aansluiten bij het verweer gevoerd door een mededebiteur niet kan worden beschouwd als een aanbod tot betaling, heeft enerzijds wettig geoordeeld dat er van naasting in hoofde van verwezene D.B. geen sprake is, maar, anderzijds is de beslissing D.B.P. te veroordelen tot betaling aan de N.V. CIBEMA van 231.780,44 EUR niet naar recht verantwoord. Ik concludeer tot vernietiging van deze laatste beslissing. ___________________________
(1)Christiaens, Commentaar bij art. 1699-1701 B.W., 2001, OBO, p. 3.
(2)Christiaens, op. cit., p. 4, en de noten
(3), p. 5, en de noten
(2),
(4)en
(5).
(3)Christiaens, op. cit., p. 15.
(4)De Page, Traité élémentaire du droit civil belge, dl. IV, 1997, nr. 612.
(5)R.P.D.B. dl. XIV, 1953, Transport (Cession de droits litigieux. Retrait litigieux), n° 16bis.
(6)R.P.D.B., op. cit., n° 16.
(7)Cass. civ. 17 janvier 1892, DP92.1.113.
(8)De Page, op. cit., n° 605.
(9)Baudry-Lacantinerie et Saignat, Traité théorique et pratique de droit civil, 1908, p. 959.
(10)De Page, op. cit., n°s 605-612.
(11)Christiaens, op. cit., p.15-16 en de noot
(1).
(12)Baron, Retrait, Rec. Dalloz, 1999, n° 44.
(13)Mazeaud H ., L. et J., Leçons de droit civil, TO III, 1979, n° 855.
(14)De Page, op. cit., n°s 605-612; zie ook Christiaens, op. cit., p. 15-16.
(15)R.P.D.B., op. cit., n° 22.
(16)Christiaens, op. cit., p. 17.
(17)Zie De Page, op. cit., p. 341.
(18)Cornelis, Algemene theorie van de verbintenis, 2000, p. 894.
(19)Baron, Retrait, Recueil Dalloz, 1999, n° 14 en de verwijzing naar Ghestin en Deshé, Traité des contrats, La vente , 1990, L.G.D.J., n° 465 e.v.
(20)PLANIOL en RIPERT, Traité pratique de droit civil français, L.G.D.J., 1956, n° 318.
(21)D. 1883., 293.
(22)Christiaens, op. cit., p. 5-
  1. Tekst van de beslissing Nr. P.04.0512.N I. GARAGE ST.-CHRISTOPHE nv, met zetel te Turnhout, Parklaan 2, eiseres, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic de Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen V. M. L. K. L. C., verweerder, beklaagde. II. CIBEMA nv, met zetel te Turnhout, Gemeentestraat 1/9, eiseres, vrijwillig tussengekomen partij, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen V.M., reeds vermeld, verweerder, beklaagde. III. D. B. P. J. H., eiser, beklaagde, vertegenwoordigd door Mr. Paul Van Rillaer, advocaat bij de balie te Mechelen, tegen
  2. GARAGE ST.-CHRISTOPHE nv, reeds vermeld,
  3. CIBEMA nv, reeds vermeld, verweersters, burgerlijke partijen, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 3 maart 2004 door het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 24 april
  4. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiseressen sub I en II stellen in een memorie twee middelen voor. De eiser sub III stelt in een memorie een middel voor. De memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen van de eiseressen sub I en II
  5. Eerste middel 1.
  6. Eerste onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest niet antwoordt op het omstandige verweer van de eiseressen met betrekking tot de niet-toepasselijkheid van artikel 1699 Burgerlijk Wetboek betreffende de overdracht van een betwist recht, namelijk een burgerlijke rechtsvordering ten bedrage van 231.780,45 EUR (9.350.000 BEF), om reden dat er geen werkelijke overdracht aan tegen een reële prijs heeft plaatsgevonden; Dat het onderdeel gegrond is; 1.
  7. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, geen antwoord behoeft;
  8. Tweede middel Overwegende dat het arrest van het Hof van 24 april 2001 de beslissing van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 29 juni 1999 heeft vernietigd waarbij de verweerder sub I en II veroordeeld werd om solidair met anderen 83.353,29 EUR (3.361.253 BEF) aan de eiseres sub I te betalen (bladzijde 60); Dat het bestreden arrest derhalve ook uitspraak diende te doen over de vordering van de eiseressen sub I en II tot betaling van het voormelde bedrag; Dat het middel gegrond is; B. Onderzoek van de middelen van de eiser sub III
  9. Eerste onderdeel Overwegende dat ingevolge het arrest van het Hof van 24 april 2001 de verwijzingsrechter in hoger beroep uitspraak moest doen over de door de verweerster sub III.1 tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering in betaling van 231.780,44 EUR (9.350.000 frank); Overwegende dat artikel 50, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden zijn tot teruggave en schadevergoeding; Overwegende dat de naastende schuldenaar die de overnemer van een betwist recht heeft vergoed overeenkomstig artikel 1699 Burgerlijk Wetboek, bevrijd is van zijn schuld; dat hierdoor de medeschuldenaars eveneens bevrijd zijn behoudens wat betreft de prijs, de kosten en de interest te rekenen vanaf de betaling, die de overgedragen schuldenaar heeft betaald; Dat het onderdeel gegrond is;
  10. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel wegens de beslissing op het eerste onderdeel, geen antwoord behoeft;
  11. Derde onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest met de redenen die het bevat, antwoordt op eisers verweer betreffende het gevorderde bedrag van 231.780,44 EUR (9.350.000 BEF); Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt, op het cassatieberoep van de eiseressen sub I en II, het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de door deze eiseressen tegen de verweerder sub I en II ingestelde burgerlijke rechtsvordering in betaling van 231.780,45 EUR en in zoverre het geen uitspraak doet over de door deze eiseressen tegen deze verweerder ingestelde rechtsvordering in betaling van 83.353,29 EUR; Vernietigt, op het cassatieberoep van de eiser sub III, het bestreden arrest in zoverre dat beslist tot de niet-tegenwerpelijkheid aan de verweerster van de overdracht van de betwiste burgerlijke rechtsvordering in betaling van 231.780,45 EUR; Verwerpt het cassatieberoep van de eiser sub III voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Veroordeelt de verweerder sub I in de kosten van het tegen hem ingestelde cassatieberoep; Veroordeelt de verweerder sub II in een vijfde van de kosten van het tegen hem ingestelde cassatieberoep en de eiseres sub II in vier vijfde van de kosten daarvan; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van duizend vierhonderd vijfenveertig euro negenenzestig cent, waarvan
  12. op het cassatieberoep van Garage St.-Christophe: zesenzestig euro vijfentachtig cent verschuldigd en vijfhonderd en twaalf euro vijftig cent door eiseres betaald,
  13. op het cassatieberoep van nv Cibema: zesenzestig euro vijfentachtig cent verschuldigd en zeshonderd negenennegentig euro vierenzestig cent door eiseres betaald en
  14. op het cassatieberoep van P. D. B.: negenennegentig euro vijfentachtig cent door eiser betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van eenentwintig september tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040921.17 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.