← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040924.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040924.3 Rolnummer: C.03.0133.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-03 15:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de derde-beslagene de sommen waarvoor het derden-beslag werd gelegd betaalt aan de derde-beslaglegger betaalt hij onverschuldigd; het feit dat de wet voor dit geval nog een mogelijke bijkomende sanctie te zijnen laste bepaalt sluit zulks niet uit. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Vrije woorden: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Derde-beslagene Betaling aan de derde-beslaglegger Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1540en15 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0133.N BELGIAN POSTERS, naamloze vennootschap, met zetel te 1020 Brussel, Chrysantenstraat 18, bus 3, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 361.045, in eigen naam en als rechtsopvolgster ingevolge de fusie door opslorping van de NV Pub Imo, met zetel te 1020 Brussel, Chrysantenstraat 18, bus 3, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen CORA, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 6040 Jumet, Zoning Industriel, 4e rue, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van

  1. BELGOPOSTER, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Groendreef 5,
  2. WE HAVE ALL RIGHTS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1190 Vorst, Onderlinge Bijstandstraat 34,
  3. D'IETEREN Alain, advocaat, kantoor houdende te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Terhulpsesteenweg 187, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Euro Meridian Communications, met vennootschapszetel te 1190 Vorst, Molièrelaan 116, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  4. HAMI-SCREEN, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, L. Schmidtlaan 54, tot bindendverklaring opgeroepen partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 oktober 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 1131, 1166, 1235, eerste lid, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet ; &§9472; de artikelen 1539, 1540, 1543 en 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel betreffende de verrijking zonder oorzaak. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren de door verweerster ingestelde eis tot terugbetaling van de som van 7.233.535 BEF (179.314,65 euro), te vermeerderen met interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 11 juli 1995 tot de dag der volledige betaling, gegrond, op grond van de volgende motieven : "(Verweerster) was schuldenaar van de N.V. Euro Meridian Communications (afgekort EMC), nu vertegenwoordigd door de curator van haar faillissement, eveneens geïntimeerde. EMC had voor (verweerster) in 1995 een reclamecampagne gevoerd met attaches, folders en radioberichten. De overige partijen waren schuldeisers van EMC wegens de uitvoering van prestaties die bij een reclamecampagne horen, zoals het aanmaken en verspreiden van affiches en folders, het terbeschikkingstellen van publicitaire ruimten, het produceren van radiospots. Lastens EMC werden onder (verweerster) een reeks bewarende derdenbeslagen gelegd : - op 8 juni 1995 door (eiseres) voor een schuldvordering van 5.580.695 BEF (138.341,82 euro) in hoofdsom, en door (N.V. PUB IMO) voor een schuldvordering van 1.745.122 BEF (43.260,44 euro) in hoofdsom, - op 13 juni 1995 door (eerste tot bindendverklaring opgeroepen partij) voor een schuldvordering van 5.965.377 BEF (147.877,83 euro) in hoofdsom, en - op 16 juni 1995 door (vierde tot bindendverklaring opgeroepen partij) voor een schuldvordering van 5.456.496 BEF (135.263 euro) in hoofdsom. - op 5 juli 1995 werd het bewarend derdenbeslag van (eiseres) reeds omgezet in een uitvoerend derdenbeslag. Volgens de verklaringen die door (verweerster) werden afgelegd als derde-beslagene was zij, toen de beslagen werden gelegd, de som van 7.313.535 BEF (181.297,8 euro) verschuldigd aan EMC. Op 11 juli 1995 liet (verweerster) de som van 7.233.535 BEF (179.314,65 euro), gelijk aan het voorwerp van het beslag verminderd met 80.000 BEF (1.983,15 euro) als kosten van de verklaringen van derde- beslagene, overschrijven op de derdenrekening van de raadsman van (eiseres). Die raadsman heeft de ontvangen som enkele weken later aan (eiseres) overgemaakt" (blz. 2-4 van het bestreden arrest). "Wat betreft de teruggave door (eiseres) van de som van 7.233.535 BEF (179.314,65 euro).
  5. Op 11 juli 1995 heeft (verweerster) de som van 7.233.535 BEF (179.314,65 euro) laten overschrijven op de derdenrekening van de raadsman van (eiseres). De eerste rechter heeft de teruggave bevolen van die som door (eiseres), aan gerechtsdeurwaarder M. Volgens de eerste rechter zou deze laatste dan die som, die het voorwerp was van beslagen door verschillende schuldeisers van EMC evenredig moeten verdelen onder de aantredende schuldeisers van EMC. (Eiseres) (is) tegen die beslissing in hoger beroep gekomen. Voor (haar) is de ontvangen betaling bevrijdend, zodat er geen reden is tot restitutie. (Verweerster) vraagt in hoger beroep de bevestiging van die beslissing. Ondergeschikt vraagt zij dat de terugbetaling aan haar, in de plaats van aan de gerechtsdeurwaarder, bevolen zou worden. Van de andere partijen neemt alleen (tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij) standpunt in betreffende de betaling aan (eiseres). Zij vraagt de bevestiging van voormelde beslissing, maar blijkbaar alleen in zoverre haar eigen vordering tot schuldenaarsverklaring zou worden verworpen. De curator van het faillissement van EMC geeft geen specifieke kritiek op die beslissing, maar spreekt zich evenmin uit voor de bevestiging ervan.
  6. Na de omzetting van de bewarende derdenbeslagen door (eiseres) in uitvoerende derdenbeslagen, aan EMC betekend op 5 juli 1995, werd die omzetting bij gerechtsdeurwaardersexploot aangezegd aan (verweerster) op 7 juli 1995, met ingebrekestelling om het voorwerp van het beslag tot beloop van de schuldvorderingen van (eiseres) te betalen aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder. Op 10 juli 1995 richtte de raadsman van (eiseres) een telefax aan zes verschillende vestigingen van (verweerster), waarin (verweerster) werd aangemaand de inbeslaggenomen som, zoals zij bleek uit de verklaring van derde beslagene, namelijk 7.233.535 BEF (179.314,65 euro) (die lager was dan de som van de gezamenlijke schuldvorderingen van zijn cliënten) dezelfde dag nog over te schrijven op zijn financiële rekening, of hem een gecertificeerde cheque voor die som te doen toekomen, om een nieuwe procedure te vermijden. Aldus werd kennelijk allusie gemaakt op een dagvaarding van (verweerster) tot afgifte van het voorwerp van het beslag aan (eiseres). In het antwoord van de raadsman van (verweerster) van 11 juli 1995 werd de betaling toegezegd, onder voorbehoud van nazicht van de uitvoerbare titel van (eerste eiseres) en van akkoord over het juiste bedrag van de schuldvorderingen, en aangestipt dat een dagvaarding in betaling die op 11 juli 1995 betekend zou worden, tergend en roekeloos zou zijn. Per kerende antwoordde de raadsman van (eiseres) dat de gecertifieerde cheques hem voor de middag (van 11 juli 1995) dienden te bereiken, of dat anders dagvaarding zou worden uitgebracht. Op 11 juli 1995 werd de som van 7.233.535 BEF (179.314,65 euro) door (verweerster) overgeschreven op de financiële rekening van de raadsman van (eiseres). In een brief van dezelfde dag, die per telefax werd overgezonden, heeft de raadsman van (verweerster) aan de raadsman van (eiseres) bevestigd dat de overschrijving gebeurd was. In die brief is expliciet vermeld dat de betaling geen nadelige erkentenis inhield, aangezien zij verricht werd omwille van de aanzeggingen van de omzetting van de bewarende beslagen in uitvoerende beslagen, met ingebrekestelling tot afgifte van de inbeslaggenomen sommen, alsmede omwille van de brieven van de raadsman van (eiseres), waarin met een dagvaarding gedreigd werd.
  7. Een betaling is een rechtshandeling, waarvan de geldigheid afhankelijk is van het bestaan van een oorzaak, die niet vals of ongeoorloofd mag zijn (artikel 1131 B.W.). Bestaat de oorzaak, in de zin van de beslissende beweegreden om de betaling te verrichten, niet, dan was zij onverschuldigd, en is er grond tot terugbetaling (zie hierover P. Van Ommeslaghe, Le paiement : rapport introductif, Revue de l'U.L.B. 1993,

(9)36-40, nrs. 18 en 19, met verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie). Uit de voormelde brief van de raadsman van (verweerster) aan deze van (eiseres) van 11 juli 1995 blijkt dat de betaling door (verweerster) werd verricht om gevolg te geven aan de ingebrekestellingen onder dreiging van dagvaarding, zonder dat (verweerster) voorafgaandelijk had onderzocht of zij tot betaling van het voorwerp van het beslag aan (eiseres) verplicht was. Het geformuleerde voorbehoud, luidens hetwelk de betaling wordt verricht zonder nadelige erkentenis, kan alleen betekenen dat (verweerster) zich het recht voorbehoudt terugbetaling te vorderen, indien zou blijken dat zij niet tot betaling aan (eiseres) verplicht was. Van de ingebrekestelling vervat in de aanzegging van de omzetting van bewarend in uitvoerend derdenbeslag kon weliswaar geen morele dwang tot de verrichte betaling uitgaan, aangezien deze strekte tot betaling aan de optredende gerechtsdeurwaarder, en niet rechtstreeks aan de beslagleggende schuldeisers. Daaropvolgend heeft de raadsman van (eiseres) evenwel tot tweemaal toe op onmiddellijke betaling aan hemzelf aangedrongen, met dreiging met dagvaarding. Het is aannemelijk dat (verweerster) de betaling heeft uitgevoerd louter en alleen om de dagvaarding, en eventuele bewarende maatregelen lastens haarzelf, te vermijden. Wat het bij de betaling geformuleerde voorbehoud betreft staat vast dat (verweerster) in werkelijkheid niet verplicht was de schulden van EMC, waarvoor de beslagen waren gelegd, aan (eiseres) te betalen, en zelfs niet gerechtigd was het voorwerp van de beslagen af te geven aan twee schuldeisers, met uitsluiting van de anderen. Artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek schrijft immers voor dat de derde-beslagene het bedrag van het beslag moet afgeven in handen van de gerechtsdeurwaarder. Toen (verweerster) de betaling in juli 1995 verricht heeft bestond er nog onduidelijkheid over het antwoord op de vraag of de verplichting tot afgifte aan de gerechtsdeurwaarder (en dus verbod tot rechtstreekse afgifte aan zijn opdrachtgever, de beslagleggende schuldeiser) ook bestond wanneer er geen andere beslagleggende schuldeisers of schuldeisers die verzet hadden gedaan in handen van de gerechtsdeurwaarder waren. Pas bij arrest van het Hof van Cassatie van 11 april 1997 werd die vraag bevestigend beantwoord (Arr. Cass. 1997, 438, nr. 184). Die onduidelijkheid mocht (verweerster) er echter niet toe brengen het voorwerp van het beslag niet aan de gerechtsdeurwaarder doch aan (eiseres) af te geven, aangezien er wel degelijk door nog andere schuldeisers beslag was gelegd of verzet was gedaan. Het besluit luidt dat de betaling zonder oorzaak werd verricht. (Verweerster) mag zich beroepen op het voorbehoud, gemaakt in de brief van haar raadsman van 11 juli 1995, luidens hetwelk zij de betaling zou terugvorderen indien zij niet bevrijdend kon worden verricht. (Eiseres) is dan ook tot terugbetaling gehouden. (blz. 11-15 van het bestreden arrest) Grieven
  1. Eerste onderdeel Luidens artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek onderstelt iedere betaling een schuld : hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn kan worden teruggevorderd. Overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel, bevestigd in de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, is hij die zich verrijkt zonder oorzaak gehouden hem wiens patrimonium daardoor verarmd is, te vergoeden of dit patrimonium te herstellen. Overeenkomstig artikel 1235, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is een verrichte betaling in principe onherroepelijk. Een verrichte betaling kan enkel worden teruggevorderd als zij onverschuldigd was in de zin van de artikelen 1235, eerste lid, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek. Dit is het geval wanneer de betaling gebeurde zonder oorzaak of uit een valse oorzaak in de zin van artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek. Met oorzaak wordt onder meer bedoeld een contractuele verbintenis, een verbintenis volgend uit een eenzijdige wilsuiting of een onrechtmatige daad of een verbintenis volgend uit de wet. Er kan zodoende geen sprake zijn van een onverschuldigde betaling wanneer de betaling is gebeurd in uitvoering van een wettelijke bepaling. Terzake stellen de appèlrechters vast dat EMC schuldenaar was van eiseres en dat verweerster op haar beurt schuldenaar was van EMC. Overeenkomstig artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek kunnen de schuldeisers alle rechten en vorderingen van hun schuldenaar uitoefenen. De betaling die verweerster overeenkomstig deze bepaling aan eiseres deed is dan ook geenszins onverschuldigd. Uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt immers dat er wel degelijk een schuld bestond, dat eiseres de werkelijke schuldeiseres was, dat verweerster de werkelijke schuldenaar was en dat eiseres zich op grond van bovenvermelde bepaling tot verweerster kon richten teneinde betaling van hun schuldvordering te bekomen. Het feit dat er door eiseres en de tot bindendverklaring opgeroepen partijen beslag was gelegd in handen van verweerster doet aan het voorgaande geen afbreuk. Het beslag op zich doet nog geen situatie van samenloop ontstaan. De regels van de samenloop moeten niet worden toegepast zolang het beslag nog niet werd uitgevoerd, hetzij door te tegeldemaking van de in beslag genomen goederen, hetzij door afgifte van het bedrag van het beslag overeenkomstig de wettelijke bepalingen, terzake artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek. Zolang het beslag nog niet werd uitgevoerd kan de schuldeiser proberen om langs individuele weg betaling te verkrijgen. Terzake blijkt uit de overwegingen van de appèlrechters dat geen van de in handen van verweerster gelegde beslagen werden uitgevoerd, nu er nog geen afgifte van het bedrag van het beslag in handen van de gerechtsdeurwaarder was gebeurd overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek. Eiseres kon dan ook nog langs individuele weg proberen betaling te verkrijgen. De betaling die zij aldus bekwam, is geenszins onverschuldigd. In haren hoofde vond er geen verrijking zonder oorzaak plaats. Weliswaar overtrad verweerster, door het voorwerp van het beslag uit handen te geven, de artikelen 1540 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, doch dit maakt de betaling door verweerster aan eiseres daarom nog niet onverschuldigd. Artikel 1540 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt een specifieke sanctie ingeval deze bepaling overtreden wordt. De derde-beslagene kan in dat geval gewoon schuldenaar verklaard worden van de oorzaken van het beslag. Hieruit volgt dat de appèlrechters, door eiseres te veroordelen tot terugbetaling van de aan haar verrichte betaling, op grond dat deze betaling onverschuldigd was, nu verweerster het voorwerp van het beslag niet uit handen mocht geven, hun beslissing niet naar recht verantwoorden (schending van de artikelen 1131, 1166, 1235, eerste lid, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, 1540 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek). Door verder te beslissen dat verweerster zich mocht beroepen op het voorbehoud, gemaakt in de brief van haar raadsman van 11 juli 1995, luidens hetwelk zij de betaling zou terugvorderen indien zij niet bevrijdend kon worden verricht, schenden de appèlrechters artikel 1235, eerste lid, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek. Een geldig verrichte betaling is immers onherroepelijk en kan enkel worden teruggevorderd indien deze onverschuldigd was. Nu de appèlrechters niet zonder schending van de in het middel genoemde bepalingen konden beslissen dat de betaling geen oorzaak had en derhalve onverschuldigd was, konden zij evenmin wettig beslissen dat verweerster zich op het voorbehoud, gemaakt in de brief van haar raadsman van 11 juli 1995 kon beroepen (schending van de artikelen 1131, 1166, 1235, eerste lid, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, 1540 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek).
  2. Tweede onderdeel Zelfs in zoverre er samenloop zou zijn ontstaan door de beslagen van de concurrerende schuldeisers, konden de appèlrechters eiseres niet wettig veroordelen tot volledige terugbetaling van het door haar van verweerster ontvangen bedrag. Zoals in het eerste onderdeel aangegeven, is een verrichte betaling in principe onherroepelijk. Een verrichte betaling kan enkel worden teruggevorderd als zij onverschuldigd was in de zin van de artikelen 1235, eerste lid, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek. Dit is het geval wanneer de betaling gebeurde zonder oorzaak of uit een valse oorzaak in de zin van artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet dient het gehele vermogen van de debiteur tot gezamenlijk onderpand van zijn schuldeisers. De goederen van de schuldenaar strekken tot gemeenschappelijk waarborg voor zijn schuldeisers, en de prijs wordt onder hen naar evenredigheid verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan. Overeenkomstig artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek kunnen de schuldeisers alle rechten en vorderingen van hun schuldenaar uitoefenen. Op grond van deze bepalingen en de artikelen 1539 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek legde eiseres uitvoerend beslag in handen van verweerster. Overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek was verweerster ertoe gehouden afgifte te doen van het bedrag van het beslag in handen van de gerechtsdeurwaarder. Deze diende overeenkomstig de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek over te gaan tot de evenredige verdeling. Uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt dat er tussen de verschillende schuldeisers van verweerster geen redenen van voorrang bestonden, zodat eiseres minstens recht had op een deel van de door hen ontvangen som. Minstens een deel van de betaling door verweersters aan eiseres was dan ook niet onverschuldigd. Hieruit volgt dat, door eiseres te veroordelen tot volledige terugbetaling van de door haar ontvangen betaling, op grond dat deze onverschuldigd was, de appèlrechters de artikelen 1131, 1166, 1235, eerste lid, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, 7 en 8 van de Hypotheekwet, 1543 en 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek schenden. IV. Beslissing van het Hof
  3. Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel in een eerste grief ervan uitgaat dat eiseres niet onverschuldigd aan verweerster heeft betaald, op grond dat zij zijdelings de schuldvordering van de derde tot bindendverklaring opgeroepen partij tegen verweerster mocht uitoefenen met toepassing van artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek ; Dat eiseres dit verweer dat de openbare orde niet raakt noch van dwingend recht is voor de feitenrechters die daaromtrent ook geen uitspraak hebben gedaan, niet heeft aangevoerd ; Dat het onderdeel in zoverre nieuw mitsdien niet ontvankelijk is ; Overwegende dat, krachtens artikel 1540 van het Gerechtelijk wetboek, de derde-beslagene de sommen die het voorwerp zijn van het beslag niet meer mag uit handen geven ; Dat, krachtens artikel 1543 van dit wetboek, de derde-beslagene slechts afgifte mag doen aan de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd ; Dat daaruit volgt dat de derde-beslagene, wanneer hij de sommen waarvoor het derdenbeslag werd gelegd, betaalt aan de beslaglegger, onverschuldigd betaalt ; Dat het feit dat artikel 1540 voor dit geval nog een mogelijke bijkomende sanctie ten laste van de derde-beslagene bepaalt, niet uitsluit dat die betaling onverschuldigd is ; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht ; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat het arrest naar recht beslist dat de betaling door verweerster aan eiseres onverschuldigd is ; Dat het onderdeel, in zoverre het kritiek uitoefent of de beslissing van het arrest over de door verweerster bij haar betaling gemaakte voorbehoud, volledig ervan uitgaat dat de door verweerster aan eiseres gedane betaling niet onverschuldigd is ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
  4. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat de gerechtsdeurwaarder nog tot een evenredige verdeling diende over te gaan waaruit eiseres een gedeeltelijke betaling zou verkrijgen ; Dat de appèlrechters oordelen dat de beslagen schuldenaar bij vonnis van 1 juli 1997 failliet werd verklaard, dat door dit faillissement aan individuele beslagmaatregelen een einde wordt gesteld en dat de gerechtsdeurwaarder geen taak meer te vervullen heeft en evenmin nog met een evenredige verdeling kan worden belast ; Dat het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het bestreden arrest, feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend vijfenvijftig euro drieënnegentig cent jegens de eisende partij, op de som van honderd en zes euro drieënzestig cent jegens de verwerende partij en op de som van honderd zevenentwintig euro negen cent in debet jegens de derde tot bindendverklaring opgeroepen partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van vierentwintig september tweeduizend en vier uitgesproken door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040924.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.