id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.3 Rolnummer: F.02.0052.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2004-11-16 Raadplegingen: 550 - laatst gezien 2026-07-05 02:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN Tekst van de beslissing Nr. F.02.0052.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen I, met kantoren te 2000 Antwerpen, Financiecentrum, Italiëlei 4, bus 2, eiser, tegen K. H., verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 april 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 341, 157 en 6 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1994. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist, na zonder tegenspraak van de partijen de verweerder te hebben gekwalificeerd als een werkend vennoot en na het indiciair tekort te hebben beperkt tot een bedrag van 662.580 BEF of omgerekend 16.424,93 euro, dat het vermogenstekort ten onrechte werd belast als een bezoldiging van werkend vennoot vermeerderd wegens ontoereikende voorafbetalingen, aangezien overeenkomstig artikel 157, 1e lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)een belastingvermeerdering enkel kan worden opgelegd wegens geen of ontoereikende voorafbetaling in zover de belasting op de winst, baten en bezoldigingen van een werkend vennoot niet bij wijze van voorafbetalingen is voldaan en de administratie het bewijs niet kan leveren dat het indiciair tekort een beroepsinkomen is, zodat dit tekort dient te worden belast als een inkomen van onbepaalde oorsprong en de verschuldigde belasting niet kan worden vermeerderd wegens geen of ontoereikende voorafbetaling. Grieven 1. Eerste onderdeel Artikel 341, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1994, bepaalt dat behoudens tegenbewijs de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, mag worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Krachtens die bepaling worden de tijdens een belastbaar tijdvak vastgestelde uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die worden aangemerkt als tekenen of indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige, vermoed voort te komen van de belastbare inkomsten, dat zijn de beroepsinkomsten die tijdens het belastbaar tijdvak zijn verkregen. Het hof heeft trouwens in zijn arresten van 8 oktober 1993 en 2 januari 1997 in deze zin beslist. Door het belastingbestuur de bewijslast op te leggen dat het vastgestelde tekort volgens tekenen en indiciën een beroepsinkomen is, keert het bestreden arrest het wettelijk vermoeden besloten in artikel 341 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)om. Hieruit volgt dat het bestreden arrest artikel 341 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)schendt. 2. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 157, hoofdstuk III, onderafdeling V, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1994 wordt, in zover de belasting op winst, baten, bezoldigingen van bestuurders en werkende vennoten niet als voorheffing is geheven of in het jaar waarin het inkomen wordt verkregen niet bij voorafbetaling is voldaan, de belasting vermeerderd met een bedrag dat wordt vastgesteld zoals bepaald in deze onderafdeling. Wanneer niet wordt betwist dat verweerder een werkend vennoot is en uit niets blijkt dat hij een andere hoofdactiviteit zou uitoefenen tijdens het kwestieuze belastbaar tijdperk, volgt uit het wettelijk vermoeden iuris tantum van artikel 341 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)dat het vastgestelde tekort volgens tekenen en indiciën een beroepsinkomen is, noodzakelijk dat het vastgestelde indiciair tekort dezelfde aard heeft als de overige beroepsinkomsten van de verweerder. Wanneer de aangegeven beroepsinkomsten van de verweerder bestaan uit bezoldigingen van werkend vennoot is het vastgestelde tekort volgens tekenen en indiciën derhalve van dezelfde aard als die bezoldigingen van werkend vennoot en is artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)van toepassing op de totaliteit van die bezoldigingen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door de kwestieuze inkomsten belastbaar te stellen als inkomsten van onbepaalde oorsprong waarop artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)niet van toepassing is, de artikelen 341 en 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)schendt. 3. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 6 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1994, wordt het belastbaar inkomen gevormd door het totale netto-inkomen, verminderd met de aftrekbare bestedingen. Datzelfde artikel bepaalt verder dat het totale netto-inkomen de som is van de netto-inkomens van de volgende categorieën : 1° inkomen van onroerende goederen ; 2° inkomen van roerende goederen en kapitalen ; 3° beroepsinkomen ; 4° divers inkomen Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door te beslissen dat het vastgestelde tekort volgens tekenen en indiciën moet worden belast als een inkomen van onbepaalde oorsprong, een inkomenscategorie aan het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 toevoegt, en aldus artikel 6 van het voormelde wetboek schendt. IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 341 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bepaalt dat, behoudens tegenbewijs, de raming van de belastbare grondslag, mag worden gedaan volgens tekenen en indiciën, waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten ; Dat, krachtens die bepaling, de tijdens een belastbaar tijdperk vastgestelde uitgaven, die worden aangemerkt als tekenen of indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, worden vermoed voort te komen van belastbare inkomsten ; Overwegende dat het vermoeden dat uit die bepaling volgt hierin bestaat dat de uitgaven geacht worden voort te komen uit belastbare inkomsten ; dat die belastbare inkomsten daarom niet noodzakelijk beroepsinkomsten zijn ; Dat het aan de administratie toekomt, het bewijs te leveren, desnoods met vermoedens, dat de inkomens van de belastingplichtige uit een welbepaalde categorie van inkomsten voortkomen ; Overwegende dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de elementen die aangemerkt worden als tekenen of indiciën noodzakelijk te beschouwen zijn als voortkomende uit beroepsinkomsten tijdens het belastbaar tijdperk verkregen en dat het bestuur niet moet bewijzen dat het vastgestelde tekort een beroepsinkomen is, faalt naar recht ; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat het tweede onderdeel volledig uitgaat van de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde stelling dat de belastbare inkomsten die blijken uit een vastgesteld indiciair tekort, noodzakelijk een beroepsinkomen uitmaken ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; 3. Derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters die oordelen dat het belastbare inkomen dat blijkt uit het vastgesteld indiciair tekort moet worden belast als een inkomen van onbepaalde oorsprong, daardoor niet te kennen geven dat naast de categorieën van inkomen vermeld in artikel 6 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)een andere categorie van inkomen bestaat, maar alleen oordelen dat eiser weliswaar het bestaan van belastbare inkomsten bewijst, maar niet aantoont dat deze bewezen inkomsten behoren tot de categorie van het beroepsinkomen ; Dat het onderdeel berust op een verkeerde lezing, mitsdien niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfentachtig euro vijfenzestig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Luc Huybrechts, Ghilain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970102.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div