← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.4 Rolnummer: F.02.0009.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-01-13 Raadplegingen: 596 - laatst gezien 2026-07-04 11:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche Door voor te schrijven dat de nieuwe aanslag dient te worden gevestigd binnen twaalf maanden, met ingang van de datum waarop tegen de beslissing over de rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingesteld, legt art. 263, ,§ 2 W.I.B.

(1964)de uiterste datum vast waarvoor de aanslag, op straffe van verval, dient te worden gevestigd; die bepaling verbiedt de administratie evenwel niet die aanslag te vestigen vanaf het ogenblik waarop de rechtsvordering het bestaan van niet aangegeven of bewimpelde inkomsten uitwijst, zelfs vóór de vermelde termijn is beginnen lopen
(1).
(1)Cass., 17 okt. 1985, AR F.684.F, A.C., 1985-86, nr
  1. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Niet aangegeven inkomsten aan het licht gebracht door een rechtsvordering Buitengewone aanslagtermijn Berekening Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 26-02-1964 - Art.263,§1,3 Tekst van de beslissing Nr. F.02.0009.N
  2. V.A.A., en zijn echtgenote,
  3. T.J. eisers, vertegenwoordigd door Mr. Victor Van Aelst, advocaat bij de balie te Brussel, kantoor houdende te 1090 Brussel, de Smet de Naeyerlaan 2, bus 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen, tweede directie, wiens kantoor gevestigd is te 2000 Antwerpen, Tabakvest 50, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat
  4. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 oktober 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift vier middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof
  5. Eerste middel Overwegende dat een geschil dat zijn oorsprong vindt in het belastingrecht in de regel geen geschil is over burgerlijke rechten en verplichtingen ; Dat het middel niet aanvoert dat het ter zake gaat over een geschil over burgerlijke rechten en verplichtingen ; Dat het middel in zoverre het een schending aanvoert van artikel 6.1 EVRM, niet ontvankelijk is ; Overwegende dat het middel in zoverre het gericht is tegen een schending van de motiveringsplicht begaan door de administratie en niet door het hof van beroep, niet ontvankelijk is ; Overwegende, voor het overige, dat het arrest met de in het middel vermelde passus de aanvoeringen van de eisers verwerpt en zodoende beantwoordt ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ;
  6. Tweede middel Overwegende dat het middel, in zoverre het aanvoert zonder nadere precisering dat stukken met betrekking tot de betwisting niet werden neergelegd ter griffie, het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is ; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is ; Overwegende dat het middel in zoverre het gericht is tegen de beoordeling door de directeur, gedaan op grond van een onvolledig dossier, en niet tegen het oordeel van het hof van beroep, niet ontvankelijk is ;
  7. Derde middel Overwegende dat, krachtens artikel 263, ,§1, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)de belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd zelfs nadat de in artikel 259 bepaalde termijn is verstreken, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in een der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingediend ; Dat, krachtens artikel 263, ,§2, in de gevallen bedoeld bij artikel 263, ,§1, 1°, van het WIB
(1964)de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de in ,§1, 3°, genoemde rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend ; Dat die bepaling door voor te schrijven dat de nieuwe aanslag dient te worden vastgesteld binnen twaalf maanden, met ingang van de datum waarop tegen de beslissing over de rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingesteld, op straffe van verval, de uiterste datum voor de vaststelling van de aanslag vastlegt ; Dat die bepaling evenwel de administratie niet verbiedt die aanslag vast te stellen vanaf het ogenblik waarop de rechtsvordering het bestaan van niet aangegeven of bewimpelde inkomsten uitwijst, zelfs vóór de vermelde termijn is beginnen lopen ; Dat het middel dat ervan uitgaat dat die bepaling de administratie verbiedt de belasting of de aanvullende belasting te vestigen vooraleer de beslissing over de rechtsvordering in kracht van gewijsde is getreden, faalt naar recht ; 4. Vierde middel Overwegende dat het middel niet preciseert hoe de omstandigheid dat een afspraak zou zijn gemaakt niet tot taxatie over te gaan en dat de administratie desondanks toch tot taxatie overging, een schending door het arrest van het recht van verdediging zou opleveren ; Overwegende dat het middel voor het overige in wezen een motiveringsgebrek aanvoert en hiervoor alleen de miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging ; Dat het middel niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd zesenveertig euro vijftien cent jegens de eisende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.2 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.144 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.