id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041005.8 Rolnummer: P.04.0265.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 712 - laatst gezien 2026-07-05 03:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Wanneer voor het Hof van cassatie de vraag rijst of artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het akkoord van Schengen van 14 juni 1985 toepassing kan vinden in geval van een onherroepelijk vonnis uit een overeenkomstsluitende partij dat dateert van voor het van kracht worden van de Schengenuitvoeringsovereenkomst op die partij, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Werking in de tijd Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - art.54 Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - art.35 Vrije woorden: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Werking in de tijd Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging PREJUDICIEEL GESCHIL Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Werking in de tijd Vraag om uitlegging RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Beginsel "non bis in idem" Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Werking in de tijd Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging Fiches 5 - 6 Wanneer voor het Hof van cassatie de vraag rijst of artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985, in samenhang gelezen met artikel 71 van deze overeenkomst, zo moet begrepen worden dat het met zich meebrengt dat strafbare feiten van invoer en uitvoer van dezelfde verdovende middelen, indien zij in verschillende overeenkomstsluitende landen zijn begaan, als afzonderlijke strafbare feiten worden beschouwd zodat in elk van die overeenkomstsluitende landen vervolging mogelijk blijft, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - art.71 Vrije woorden: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - art.71 Fiche 7 Wanneer voor het Hof van Cassatie de vraag rijst of artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985, in samenhang gelezen met artikel 71 van deze overeenkomst, zo moet begrepen worden dat het met zich meebrengt dat strafbare feiten van invoer en uitvoer van dezelfde verdovende middelen, indien zij in verschillende overeenkomstsluitende landen zijn begaan, als afzonderlijke strafbare feiten worden beschouwd zodat in elk van die overeenkomstsluitende landen vervolging mogelijk blijft, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen. Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - art.71 Fiches 8 - 9 Wanneer voor het Hof van cassatie de vraag rijst of artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985, in samenhang gelezen met artikel 71 van deze overeenkomst, zo moet begrepen worden dat het met zich meebrengt dat strafbare feiten van invoer en uitvoer van dezelfde verdovende middelen, indien zij in verschillende overeenkomstsluitende landen zijn begaan, als afzonderlijke strafbare feiten worden beschouwd zodat in elk van die overeenkomstsluitende landen vervolging mogelijk blijft, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen. Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Beginsel "non bis in idem" Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - art.71 Vrije woorden: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN (VERDOVENDE MIDDELEN INBEGREPEN) Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - art.71 Fiche 10 Concl. adv.-gen. Timperman, Cass., 5 okt. 2004, P.04.0265.N, A.C., 2004, nr ... Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Werking in de tijd Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging Fiches 11 - 12 Concl. adv.-gen. Timperman, Cass., 5 okt. 2004, P.04.0265.N, A.C., 2004, nr .... Vrije woorden: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Werking in de tijd Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging PREJUDICIEEL GESCHIL Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Werking in de tijd Vraag om uitlegging Fiche 13 Concl. adv.-gen. Timperman, Cass., 5 okt. 2004, P.04.0265.N, A.C., 2004, nr ... Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Beginsel "non bis in idem" Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Werking in de tijd Vraag om uitlegging Fiche 14 Concl. adv.-gen. Timperman, Cass., 5 okt. 2004, P.04.0265.N, A.C., 2004, nr .... Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging Fiches 15 - 20 Concl. adv.-gen. Timperman, Cass., 5 okt. 2004, P.04.0265.N, A.C., 2004, nr ... Vrije woorden: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Prejudicieel geschil Vraag om uitlegging PREJUDICIEEL GESCHIL Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Vraag om uitlegging RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Beginsel \"non bis in idem\" Europese Unie Schengenuitvoeringsovereenkomst Artikel 54 Verdovende middelen Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Prejudiciële vraag Vraag om uitlegging GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN (VERDOVENDE MIDDELEN INBEGREPEN) Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Toepassing INTERNATIONALE VERDRAGEN Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 30 maart 1961 Artikel 36.2a(i) Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Toepassing INTERNATIONALE VERDRAGEN Verdrag inzake psychotrope stoffen van 21 feb. 1971 Artikel 22.2.a(i) Internationale sluikhandel Invoer Uitvoer Feiten gepleegd in België en in het buitenland Afzonderlijke feiten Beginsel "non bis in idem" Toepassing Nota: P.04.0265.N Conclusie van het openbaar ministerie: 1. Eiser sub II werd vervolgd wegens inbreuken op drugswetgeving, meer bepaald om te Antwerpen en bij samenhang elders in het rijk, als dader of mededader, op 31 mei 1999 1.952 kg cannabis in bezit te hebben gehad en uitgevoerd te hebben, 5 kg amfetamine en 5.129 pillen MDMA uitgevoerd te hebben, beide misdrijven een daad zijnde van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, en tenslotte om tussen 2 en 6 mei 1999 210.000 Noorse Kronen witgewassen te hebben, dit alles in staat van wettelijke herhaling. 2. Het bestreden arrest van het Hof van beroep te Antwerpen bevestigde het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 19 maart 2003 waarbij eiser bij toepassing van artikel 65 Sw. werd veroordeeld, in staat van wettelijke herhaling, tot één straf, namelijk een hoofdgevangenisstraf van 1jaar en een geldboete van EUR 9.915,74 of 3 maanden vervangende gevangenisstraf. 3. Eiser beriep zich voor de feitenrechters op artikel 54 van de Schengenovereenkomst van 19.06.1990 en het daarin vervatte beginsel non bis in idem om te concluderen tot de niet ontvankelijkheid van de strafvordering, zich baserend op een vonnis daterend van 2 oktober 2000 en gewezen door een rechtbank te Bergen in Noorwegen dat hem voor dezelfde feiten veroordeelde. Uit het tijdens de procedure in eerste aanleg voorgelegde Noorse vonnis bleek dat eiser aldaar veroordeeld werd, wegens invoer op 01 juni 1999 van 5,080 kg amfetamine, 1,952 kg hasj, 5.129 tabletten MDMA en 1.965 tabletten Diazepam, tot een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van 490 dagen voorarrest. Afgezien van de tabletten Diazepam kan gesteld worden dat eiser in Noorwegen vervolgd en veroordeeld werd voor de invoer van een partij drugs die het voorwerp uitmaakt van een thans strafrechtelijk vervolgde uitvoer uit België. Uit de stukken blijkt evenwel niet dat eiser aantoonde dat het buitenlandse vonnis waar hij zijn exceptie op steunde, conform artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, onherroepelijk was en dat de straf daadwerkelijk ten uitvoer werd gelegd, dan wel was ondergaan. 4. De feitenrechters onderzochten de exceptie van eiser evenwel niet in de diepte. Met overname van de beweegredenen van de eerste rechter oordeelden de appèlrechters immers dat een veroordeling in Noorwegen de vervolging en de veroordeling van eiser in België niet in de weg stond. Zij oordeelden dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem ter zake geen toepassing kan vinden vermits dit slechts geldt ten aanzien van strafvonnissen die in een zelfde staat zijn tot stand gekomen. Het artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19.06.1990 kon niet toegepast worden ingevolge het bepaalde in de artikelen 36.2a (i) van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 30.03.1961 (opgemaakt te New York) en 22.2a (i) van het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 21.02.1971 (opgemaakt te Wenen), wat trouwens zou volgen uit de tekst van artikel 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst zelf. Dit belette evenwel niet dat de appèlrechters, met overname zowel van de door de eerste rechter uitgesproken straffen (strafkeuze en strafmaat) als van de door de eerste rechter aangehaalde redenen, oordeelden dat er rekening diende te worden gehouden met de in Noorwegen opgelopen veroordeling en het aldaar gedeeltelijk ondergaan van de straf. 5. Het enige middel dat door eiser wordt voorgesteld voert de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem door de niet naleving
(1)(schending) van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst dat ook zulk beginsel bevat. 6. Het oordeel van de appèlrechters ligt volledig in de lijn van de rechtsspraak van Uw Hof. Reeds meermaals oordeelde Uw Hof dat ongeacht het in artikel 54 van de Schengenovereenkomst vervatte 'non bis in idem-beginsel' uit de bepalingen van artikel 71 van die overeenkomst, van artikel 36.2.a (
- i)van het Enkelvoudig Verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen en van artikel 22.2.a (
- i)van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen volgt dat de op het grondgebied van verschillende overeenkomstsluitende partijen gepleegde feiten, wat de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen betreft, afzonderlijke misdrijven zijn die afzonderlijk worden bestraft.
(2)Het artikel 71 van de Schengenovereenkomst zelf, dat bepaalt dat de overeenkomstsluitende partijen zich ertoe verbinden, met inachtneming van de bestaande verdragen van de Verenigde Naties, alle maatregelen treffen die met het oog op het tegengaan van de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen vereist zijn, is daarbij de sleutel om van artikel 54 van de Schengenovereenkomst af te wijken
(3)en voorrang te verlenen aan artikel 36.2.a (
- i)van het Enkelvoudig verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen dat bepaalt dat elk van de in het verdrag opgesomde strafbare feiten als afzonderlijke feiten worden beschouwd indien deze in verschillende landen zijn begaan. Artikel 22.2.a(
- i)van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen bevat een gelijkaardige bepaling. 7. In de rechtsleer werd de vraag gesteld
(4)of de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen inzake de toepassing van het beginsel ne bis in idem, gedaan te Brussel op 25 mei 1987
(5), niet van die aard was dat Uw Hof zijn rechtspraak zou moeten herzien
(6). Immers bevat deze overeenkomst een bepaling die bijna identiek is aan artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, zonder dat ze een bepaling bevat analoog aan die van artikel 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en zonder dat België een verklaring heeft afgelegd om in bepaalde gevallen af te wijken van het 'ne bis in idem'-beginsel. Met het arrest van 27 november 2001 besliste Uw Hof echter dat de overeenkomst van 25 mei 1987 geen toepassing vindt op (deze) drugsdelicten
(7). Hieruit volgt dat zelfs bij ontstentenis van een bepaling, gelijkaardig aan artikel 71 van de Schengenovereenkomst, en die expliciet verwijst naar de bestaande Verdragen van de Verenigde Naties, Uw Hof het principe 'lex specialis derogat legi generali' steeds heeft toepast
(8). 8. Het arrest van 29 juni 1999, waarvan de zienswijze aansluit bij de teneur van de Ministeriële Omzendbrief van 24 april 1995
(9)en aansluit bij een zekere rechtsleer
(10), werd in de rechtsleer gecontesteerd, minstens zeer kritisch onthaald
(11). Een aantal terechte overwegingen en beschouwingen werden geformuleerd, echter doorgaans alle van rechtspolitieke aard. Termen als de harmonisering van het recht, de grensoverschrijdende samenwerking, en het creëren van een gemeenschappelijke juridische ruimte waren niet uit de lucht en er werd melding gemaakt van het beginsel van rechtszekerheid en van wederzijds vertrouwen
(12). Er werd eveneens gewezen op de bedoeling van de Schengenlanden om met artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst een eigen beleid uit te werken binnen de Schengenruimte met een eigen visie inzake internationale strafvordering
(13), en er werd geargumenteerd dat een uitzondering betreffende grensoverschrijdende drugshandel niet kon
(14). Argumenten van rechtstechnische aard, evenwel niet alle even overtuigend, tegen een beperkte interpretatie van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en dus tegen de zienswijze van Uw Hof waarbij deze bepaling inzake drugs buiten werking wordt gesteld, werden gevonden in het gegeven dat België geen enkel voorbehoud heeft uitgedrukt conform artikel 55 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst
(15). De bestreden visie zou uitgaan van een verkeerde interpretatie van artikel 36.2.a (i) van het Enkelvoudig Verdrag van 1961
(16), en van een onjuiste uitleg van artikel 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst
(17). Luidens zijn noot over Uw arrest van 29 juni 1999 vindt W. MAHIEU
(18)ook argumenten voor zijn van Uw arrest afwijkende zienswijze in de omzendbrief van 10 december 1998
(19)waaruit zou blijken dat uit artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst volgt dat bij gelijkheid van feiten
(20)dit artikel van toepassing is ten opzichte van in het buitenland uitgesproken vonnissen aangaande feiten die op het Belgische grondgebied zijn gepleegd. Dezelfde auteur oordeelt dat de artikelen 70 tot 76 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst geen specifieke procedureregels bevatten en eerder aanbevelingen zijn, en er slechts in artikel 71.2, waar niet verwezen wordt naar de verdragen van de Verenigde Naties, sprake is van strafrechtelijke initiatieven
(21). Nog voor Uw Hof de gelegenheid kreeg ter zake een standpunt in te nemen had een lagere feitenrechter
(22)een ruime interpretatie gegeven aan artikel 54 van Schengenuitvoeringsovereenkomst, wat door bepaalde auteurs werd onderschreven
(23). 9. In andere landen waar de Schengenuitvoeringsovereenkomst eveneens van kracht is, en waar de Verdragen van de Verenigde Naties ook van toepassing zijn, lijkt de (schaarse) jurisprudentie het standpunt van Uw Hof evenmin te delen. Bij arrest van 3 november 2000 heeft het Duitse Bundesgerichtshof op grond van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst rekening gehouden met een vonnis van een Belgische rechter
(24). Hetzelfde Hof oordeelde dat een strafvordering, in Duitsland uitgeoefend met betrekking tot de invoer van cocaïne in Duitsland, mogelijks vervallen was doordat een buitenlandse rechterlijke beslissing vrijspraak had verleend voor uitvoer van cocaïne uit Nederland. De verwijzingsrechter, in casu het Landesgericht, diende dan maar uit te maken of het dezelfde feiten betrof
(25). Tevens in Duitsland was er al een casus waarin men oordeelde dat een transactie, en dan nog daterend van voor het inwerkingtreden van de overeenkomst van 19 juni 1990, grond was om artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst te kunnen toepassen
(26). Ook in Nederland lijkt de Hoge Raad aan artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst zijn volle uitwerking te geven
(27). Het Italiaanse Tribunale Penale van Bologna dat diende te oordelen over een drugstrafiek van Nederland naar Italië stelde zich de vraag of het rekening diende te houden met een buitenvervolgingstelling in Nederland, die zelf gebaseerd was op de vervolgingen ingesteld in Italië. De Italiaanse feitenrechter besloot om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie
(28)ten einde te weten of artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van toepassing is wanneer de rechter in de ene staat in zijn beslissing verklaart dat de strafzaak is beëindigd, zonder enig oordeel over de grond van de zaak en op basis van de veronderstelling dat de zaak reeds in een andere staat wordt vervolgd. In alle geval blijkt hier uit dat het Tribunale in kwestie uitgaat van een volledige werking van het artikel
- De vraag rijst thans of, in het licht van de voorgaande beschouwingen, Uw Hof zijn standpunt niet zou dienen te herzien. Inzonderheid het gegeven dat de hoogste gerechtshoven van enerzijds België, en anderzijds Nederland en Duitsland, niet op dezelfde lijn staan, baart zorgen en doet in het licht van de hoger vermelde beschouwingen van criminele politiek vragen rijzen
(29). Het is in deze context dat ik geneigd zou zijn in te gaan op het verzoek van eiser om een prejudiciële vraag te stellen
(30)aan het Hof van Justitie. Evenwel dienen eerst nog een aantal bijkomende problemen in beschouwing te worden genomen vermits het vraagstuk naar de werking van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst zich in voorliggend geval niet zuiver stelt. 11. De rechterlijke beslissing die in casu een hinderpaal zou kunnen zijn voor de vervolging en veroordeling in België werd gewezen door een Noorse rechtbank. Ofschoon Noorwegen geen lid is van de Europese Unie, is de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 daar van toepassing. Met het Protocol nr. 2 van 2 oktober 1997
(31)werd het Schengenacquis geïncorporeerd in de Europese Unie
(32). Bij besluit 1999/453/EG van de raad van 20 mei 1999 werd vastgelegd wat precies tot het Schengenacquis behoorde
(33). Hieruit blijkt dat de overeenkomst van 19 juni 1990 tot het Schengen-acquis behoort
(34). Artikel 6 van het Protocol nr. 2 van 2 oktober 1997 voorziet ook in het feit dat met IJsland en Noorwegen een overeenkomst diende te worden afgesloten omtrent de wijze en de procedures voor het betrekken van deze landen bij de verdere ontwikkeling van het Schengenacquis. Dit resulteerde in de Overeenkomst van 18 mei 1999
(35)tussen de Raad van de Europese Unie, de republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengen-acquis. Overeenkomstig artikel 2.1 van die overeenkomst blijkt dat onder meer de bepalingen van artikel 54 en 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst zullen worden uitgevoerd en toegepast door IJsland en Noorwegen; wat voor Noorwegen effectief het geval is sedert 25 maart 2001
(36).
- Het gegeven dat het vonnis van de rechtbank te Bergen dateert van 2 oktober 2000 en feiten beoordeelde van 1 juni 1999, en alles zich dus in de tijd afspeelde voordat het Schengen-acquis uitwerking had in Noorwegen, lijkt mij geen obstakel te zijn om de redenering te kunnen verder zetten. De tenuitvoerlegging van de straf, als dwingende voorwaarde voor de toepassing van artikel 54, zal zich in voorliggend geval hoe dan ook uitgestrekt hebben over een periode tot na 25 maart
- Hoger werd bovendien reeds verwezen naar een geval waarin een Duitse rechter rekening hield met een transactie afgesloten voor de inwerkingtreding van de overeenkomst van 19 juni 1990
(37). Het Oberlandesgericht van Saarbrücken
(38)van zijn kant oordeelde dat artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst als een procesrechtelijke norm moest worden beschouwd, wat impliceert dat deze bepaling onmiddellijke toepassing dient te krijgen en dus ook van toepassing is op feiten gepleegd voor de inwerkingtreding ervan. 13. Ander delicaat punt is dat in het geval van eiser de materiële feiten die werden voorgelegd aan de strafrechter in België en diegene welke werden voorgelegd aan de Noorse rechter niet volledig congruent zijn. Alleen de drugstrafiek hoger beschreven sub II.3 is gemeenschappelijk. De Noorse rechter sprak eiser immers vrij voor inbreuken op de drugswetgeving gepleegd in Noorwegen (invoer) op 24 maart 1999 en op 14 april 1999, terwijl de Belgische rechter, en dit is belangrijker, hem bovendien ook veroordeelde voor feiten van het witwassen van drugsgelden tussen 2 mei 1999 en 6 mei 1999
(39). De Belgische rechter oordeelde dat de ten laste gelegde feiten zich vermengden als zijnde gepleegd met eenzelfde strafbaar opzet. De verschillende gedragingen van eiser werden bijgevolg als één juridisch feit beschouwd. Uw Hof oordeelde reeds eerder dat het bij artikel 45 van de Wet van 11 juli 1994 gewijzigde artikel 65 van het Strafwetboek niet speelt ten aanzien van buitenlandse strafrechtelijke veroordelingen
(40)zodat de rechtspraak van voorheen, die inhield dat het verval van de strafvordering ingevolge het 'ne bis in idem' niet gold voor buitenlandse veroordelingen, onverminderd van toepassing blijft. Rijst dan de vraag, voor zover artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst wel zou toegepast worden, dit tot gevolg kan hebben dat de strafvordering door het aannemen van eenheid van opzet ook voor feit van witwassen niet ontvankelijk wordt? Het is duidelijk dat dit de vraag behelst naar de inhoud en draagwijdte die moet gegeven worden aan de uitdrukking 'dezelfde feiten' zoals die voorkomt in dat artikel
- Dient hieraan de uitleg te worden gegeven dat onder 'dezelfde feiten' ook dienen te worden begrepen verschillende feiten die door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus één feit opleveren, in welk geval het artikel 54, voor zover het toepasbaar wordt geacht, ook zou inhouden dat het misdrijf van witwassen in België niet meer vervolgbaar wordt? Voor zover men zou aannemen dat door eenheid van opzet verbonden feiten nooit kunnen voldoen aan de inhoud van de term 'dezelfde feiten' uit de Overeenkomst is een voorwaarde van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst niet vervuld en zou dit artikel alleszins de vervolgbaarheid van het misdrijf van witwassen in België niet kunnen verhinderen.
- De rechtsgrondslag voor het volledige Schengen-acquis werd vastgesteld bij Besluit 199/436/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen
(41). Overeenkomstig artikel 2, in samenhang gelezen met bijlage A, zijn de artikelen 31 en 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie de rechtsgrondslag van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst; de artikelen 30, 31 en 34 zijn de grondslag van het artikel 71 van de Overeenkomst van 19 juni 1990. Een en ander impliceert dat de prejudiciële procedure bepaald bij artikel 35 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ook van toepassing is ten aanzien van de artikelen 54 en 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Naar aanleiding van het Verdrag van Amsterdam heeft België verklaard de bevoegdheid van het Europese Hof te aanvaarden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 35, lid 2 en lid 3, onder b
(42). Dit betekent dat alle Belgische rechtscolleges overeenkomstig artikel 35 van het Verdrag van de Europese Unie een prejudiciële vraag kunnen stellen aan het Europees Hof van Justitie met betrekking tot artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst
(43). België heeft zich bij het afleggen van de verklaring evenwel het recht voorbehouden om in het nationale recht te bepalen dat een nationale rechterlijke instantie waarvan volgens het nationale recht de beslissingen niet meer vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag die in een bij die instantie aanhangige zaak wordt opgeworpen in verband met de geldigheid of de uitlegging van een besluit als bedoeld in artikel 35, lid 1, voor te leggen aan het Hof van Justitie
(44). Vermits dit nog niet in het nationale positieve recht werd uitgewerkt is Uw Hof dus niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen
(45). 15. Volledigheidshalve kan er aan toe gevoegd worden dat artikel 9.2 van de Overeenkomst van 18 mei 1999
(46)voorziet dat ook Noorwegen het recht heeft memories of schriftelijke opmerkingen voor te leggen aan het Hof van Justitie in gevallen waarin een vraagstuk door een rechter van een lidstaat aan het Hof is voorgelegd met verzoek om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van een der in artikel 2 bedoelde bepalingen. 16. Samenvattend kan gesteld worden dat uit het vorige volgt dat Uw Hof niet langer en louter op basis van zijn rechtspraak het door eiser voorgestelde middel kan verwerpen. De vraag of hogere bevindingen al voldoende zijn om een andere jurisprudentie te creëren kan open blijven omwille van het gegeven dat de problematiek van de werking van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst in de voorliggende casus omwille van een aantal randproblemen niet in zijn zuivere vorm is gesteld. Ik concludeer dan ook tot het opschorten van de uitspraak over het cassatieberoep van eiser sub II en tot het stellen van de zich opdringende prejudiciële vragen. Een eerste vraag moet betrekking hebben op de toepasselijkheid van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst op een Noors vonnis daterend van voor het tijdstip waarop het Schengenacquis in Noorwegen toepasselijk was
(47); een tweede vraag, in zoverre het antwoord op de eerste positief is, zal onvermijdelijk betrekking hebben op de werking van artikel 54 gelezen in samenhang met artikel 71 en peilen naar de mogelijkheid om strafbare feiten van uitvoer en invoer van verdovende middelen te vervolgen en als afzonderlijke feiten te beschouwen indien zij in verschillende overeenkomstsluitende landen zijn begaan; de derde vraag tenslotte, in zoverre het antwoord op de tweede negatief is, kan niet anders dan betrekking hebben op notie van 'dezelfde feiten' uit artikel 54
(48), en meer bepaald geconcretiseerd naar de casus toe: blijft de werking van artikel 54 ook gelden, na een eerdere veroordeling door een Noorse rechtbank wegens inbreuken op de drugswetgeving, op zulke wijze dat een Belgische rechter verhinderd wordt, na aanneming van eenheid van opzet tussen inbreuken op de drugswetgeving en strafbare feiten van witwassen, een straf op te leggen?
(49)___________________________
(1)Memorie in cassatie van (V.), sub I b: 'gronden tot vernietiging'.
(2)Cass., 29 juni 1999, AR P.99.0754.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990629.4, nr. 408.
(3)Cass., 27 november 2001, AR P.01.1220.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011127.6
(4)J.ROZIE, T. Strafr. 2000, 103.
(5)Wet 13 mei 1999, B.S. 22 april 2000.
(6)In de voorliggende casus is het Verdrag van 25 mei 1987 echter irrelevant vermits Noorwegen geen lid is van de Europese Unie.
(7)Cass., 27 november 2001, AR P.01.1220.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011127.6
(8)Een andere toepassing waarbij aldus voorrang werd gegeven aan het Verdrag van 20 december 1988 tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen vindt men terug in het arrest van 26 februari 2002, AR P.01.1473.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020226.29
(9)Ministeriële Omzendbrief met betrekking tot de uitlevering en de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen van 19 juni 1990, B.S. 2 juni 1995.
(10)A. DE NAUW, Drugs, Algemene Practische Rechtsverzameling, Gent, Story-Scientia, 1998, p. 98, nrs. 192 e.v.
(11)W. MAHIEU, De Schengenovereenkomst en het beginsel non bis in idem in drugzaken, noot onder cass., 29 juni 1999, R.W. 2000-2001, 125.
(12)Conclusie van Advocaat-generaal D. RUIZ-JARABO COLOMER bij het arrest van het Hof van Justitie van 11 februari 2003, T. Strafr. 2004, 41.
(13)W. MAHIEU, l.c., 126.
(14)W. F. VAN HATTUM, Grensoverschrijdende drugshandel in de Schengenstaten: geen 'status aparte', Panopticon 2001, 248-249.
(15)W.MAHIEU, l.c., 127; W.F. VAN HATTUM, l.c., 256-257.
(16)W. F. VAN HATTUM, zoals aangehaald door T. ONGENA, De 'ne bis in idem'-regel en de Schengenlanden, NJW 2003, nr. 37, 765.
(17)W. F. VAN HATTUM, W. F. VAN HATTUM, Grensoverschrijdende drugshandel in de Schengenstaten: geen 'status aparte', Panopticon 2001, 256.
(18)W. MAHIEU, l.c., 126.
(19)Interministeriële omzendbrief van 10 december 1998 over de gevolgen van de Schengen-overeenkomst in het domein van de grenscontrole en de politiële en gerechtelijke samenwerking, B.S. 29 januari 1999, 2714.
(20)J.M. SJ\CRONA en A.M.M. ORIE, Internationaal Strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Kluwer, Deventer, 2002,
(421)430. De auteurs menen dat de Belgische rechtsleer die het standpunt van de dubbele berechting onderschrijft, argumenteert op grond van het onderscheid tussen materiële gedraging en juridische kwalificatie.
(21)W. MAHIEU, l.c., 127.
(22)Corr. Eupen, 3 april 1996, R.D.P. 1996, 1159.
(23)S. BRAMMERTZ, Trafic de stupéfiants et valeur internationale des jugements repressifs à la lumière de Schengen, R.D.P. 1996, 1063; F. THOMAS, Internationale rechtshulp in strafzaken, Algemene Practische rechtsverzameling, Gent, Story-Scientia, 1998, nr. 111, p. 82.
(24)Bundesgerichtshof, 3 november 2000, 2 StR 274/00 en NJW 2001, 692.
(25)Bundesgerichtshof, 28 februari 2001,2 StR 458/00 en BGHSt 46, 307; in dezelfde zin, weliswaar 'biter dicta': Bundesgerichtshof, 19 november 2002, 1 StR 346/02.
(26)W. SCHOMBURG en O. LAGODNY, Internationale Rechtshilfe in Strafsachen, München, C.H. Beck'sche Verlagsbuchhandlung, 1998, 968-969.
(27)Hoge Raad, 13 december 1994, NJ 1995, NR. 252; zie ook: C. VAN DEN WYNGAERT en G. STESSENS, The international non bis in idem principle: resolving some of the unanswered questions, I.C.L.Q., 1999, 779.
(28)PB. C. 24 januari 2004, nr. 21/14.
(29)Zie ook: B DE GRYSE, Het beginsel ne bis in idem in de Schengenuitvoeringsovereenkomst, T. Strafr. 2004,
(61)63.
(30)Memorie in cassatie van (V.), beschikkend gedeelte.
(31)Het zogenaamde 'Schengenprotocol' tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie.
(32)PB. L. 10 november 1997, nr. 340.
(33)PB L. 10 juli 1999, nr. 176/1.
(34)Artikel 1 van het Besluit gelezen in samenhang met bijlage A.
(35)PB L. 10 juli 1999, nr. 176/36.
(36)PB. L. 09 december 2000, nr. 309
(37)Zie nummer 9 supra alsmede voetnoot 26.
(38)OLG Saarbrücken, 16 december 1996, NStZ 1997, 245 en StV 1997, 359 met noot W. SCHOMBURG
(39)Dit witwassen had klaarblijkelijk betrekking op gelden die voortkwamen uit een eerdere drugstransactie naar Noorwegen op 13 april 1999 en waaraan hij niet deelnam (PV 103256/00 van 25 april 2000, st. 908) en waarvan hij alleszins werd vrijgesproken (tenlastelegging posten III a tot en met III d van het vonnis van 2 oktober 2000 van de rechtbank te Bergen).
(40)Cass., 28 maart 2001, AR. P.99.1759.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010328.8, nr. 173; Cass., 17 september 2002, AR P.02.469.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020917.12.
(41)PB. L. 10 juli 1999, nr. 176/17.
(42)PB. C. 10 november 1997, nr. 340/308; PB. C. 1 mei 1999, nr. 120/24.
(43)K. LENAERTS en D. ARTS, Europees Procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2003, nr. 652; T. ONGENA, l.c., 763, voetnoot 19.
(44)Pb. C. 1 mei 1999, nr. 120/24.
(45)W. F. VAN HATTUM pleit er alleszins voor om het Belgische standpunt aan een bovenstatelijk oordeel te onderwerpen: W.F. VAN HATTUM, l.c., 258.
(46)Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de republiek IJsland en het koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, PB L. 10 juli 1999, nr. 176/36.
(47)Cfr. Supra sub II.12.
(48)cfr. Supra sub II.13.
(49)Deze derde vraag is echter niet meer 'prejudicieel'. Het Hof van Cassatie heeft het antwoord op deze vraag immers niet nodig om te kunnen oordelen over de voorziening van eiser sub II. Slechts in het geval dat het Hof de eerste twee prejudiciële vragen zou stellen en het Hof van Justitie daarop zou antwoorden dat artikel 54 zijn volle uitwerking behoudt zal de problematiek van de derde vraag moeten opgelost worden, na cassatie, door de verwijzingsrechter nadat deze zal vastgesteld hebben dat aan de voorwaarden van de exceptie van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst is voldaan. Tekst van de beslissing Nr. P.04.0265.N I H. J. F., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Polski Royer, advocaat bij de balie te Hasselt. II V. E. L. H., eiser, beklaagde, gedetineerd, met als raadsman Mr. Tom Vrebos, advocaat bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 9 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft als volgt geconcludeerd: "Parket van het Hof van Cassatie Zaak P.04.0265.N Zitting 2° Kamer 05.10.2004 CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE Inzake: I H. J. II V. E. L. Eisers, beklaagden I H. J. 1. Met bevestiging van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 19.03.2003 veroordeelden de appèlrechters eiser tot een hoofdgevangenisstraf van 2 jaar en tot een geldboete van EUR 9.915,74 of 3m vervangende gevangenisstraf voor verschillende inbreuken op de drugswetgeving gepleegd op 22.03.1999 en 13.04.1999. 2. Het eerste middel voert een schending van artikel 6 EVRM en van artikel 97 GW aan doordat de appèlrechters niet hebben geantwoord op het verzoek van eiser tot het horen van een getuige à décharge. In de mate een schending wordt aangevoerd van artikel 97 GW is het middel niet ontvankelijk vermits dit artikel, dat bepaalt dat alleen Belgen minister kunnen zijn, vreemd is aan de motiveringsplicht van vonnissen. Verder dient er vastgesteld te worden dat de appèlrechters hun oordeel dat eiser schuldig is aan de ten laste gelegde feiten baseren op het dagboek van H., de herkenning door C., de weigering tot confrontatie met C. en de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van eiser. Op die wijze sluiten ze de noodzaak uit om enige getuige te horen ten einde hun innerlijke overtuiging te vormen, zodat het middel niet kan aangenomen worden. 3. Het tweede middel voert aan dat het verzoek tot het opleggen van een werkstraf zonder voldoende motivering werd afgewezen. Het komt mij voor dat ook dit middel niet kan aangenomen worden: met expliciete overname van de redengeving van de eerste rechter, die ter zake stelde dat uit de door eiser voorgebrachte doktersattesten blijkt dat er ernstig moet getwijfeld worden aan de geschiktheid tot het verrichten van enige arbeid in hoofde van eiser, motiveren de appèlrechters immers hun beslissing. Het cassatieberoep van eiser sub I dient aldus te worden verworpen. II V. E. L. 1. Eiser sub II werd vervolgd wegens inbreuken op drugswetgeving, meer bepaald om te Antwerpen en bij samenhang elders in het rijk, als dader of mededader, op 31 mei 1999 1.952 kg cannabis in bezit te hebben gehad en uitgevoerd te hebben, 5 kg amfetamine en 5.129 pillen MDMA uitgevoerd te hebben, beide misdrijven een daad zijnde van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, en tenslotte om tussen 2 en 6 mei 1999 210.000 Noorse Kronen witgewassen te hebben, dit alles in staat van wettelijke herhaling. 2. Het bestreden arrest van het Hof van beroep te Antwerpen bevestigde het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 19 maart 2003 waarbij eiser bij toepassing van artikel 65 SWB werd veroordeeld, in staat van wettelijke herhaling, tot één straf, namelijk een hoofdgevangenisstraf van 1jaar en een geldboete van EUR 9.915,74 of 3m vervangende gevangenisstraf. 3. Eiser beriep zich voor de feitenrechters op artikel 54 van de Schengenovereenkomst van 19.06.1990 en het daarin vervatte beginsel non bis in idem om te concluderen tot de niet ontvankelijkheid van de strafvordering, zich baserend op een vonnis daterend van 02 oktober 2000 en gewezen door een rechtbank te Bergen in Noorwegen dat hem voor dezelfde feiten veroordeelde. Uit het tijdens de procedure in eerste aanleg voorgelegde Noorse vonnis bleek dat eiser aldaar veroordeeld werd, wegens invoer op 01 juni 1999 van 5,080 kg amfetamine, 1,952 kg hasj, 5.129 tabletten MDMA en 1.965 tabletten Diazepam, tot een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van 490 dagen voorarrest. Afgezien van de tabletten Diazepam kan gesteld worden dat eiser in Noorwegen vervolgd en veroordeeld werd voor de invoer van een partij drugs die het voorwerp uitmaakt van een thans strafrechtelijk vervolgde uitvoer uit België. Uit de stukken blijkt evenwel niet dat eiser aantoonde dat het buitenlandse vonnis waar hij zijn exceptie op steunde, conform artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, onherroepelijk was en dat de straf daadwerkelijk ten uitvoer werd gelegd, dan wel was ondergaan. 4. De feitenrechters onderzochten de exceptie van eiser evenwel niet in de diepte. Met overname van de beweegredenen van de eerste rechter oordeelden de appèlrechters immers dat een veroordeling in Noorwegen de vervolging en de veroordeling van eiser in België niet in de weg stond. Zij oordeelden dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem ter zake geen toepassing kan vinden vermits dit slechts geldt ten aanzien van strafvonnissen die in een zelfde staat zijn tot stand gekomen. Het artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19.06.1990 kon niet toegepast worden ingevolge het bepaalde in de artikelen 36.2a (
- i)van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 30.03.1961 (opgemaakt te New York) en 22.2a (
- i)van het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 21.02.1971 (opgemaakt te Wenen), wat trouwens zou volgen uit de tekst van artikel 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst zelf. Dit belette evenwel niet dat de appèlrechters, met overname zowel van de door de eerste rechter uitgesproken straffen (strafkeuze en strafmaat) als van de door de eerste rechter aangehaalde redenen, oordeelden dat er rekening diende te worden gehouden met de in Noorwegen opgelopen veroordeling en het aldaar gedeeltelijk ondergaan van de straf. 5. Het enige middel dat door eiser wordt voorgesteld voert de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem door de niet naleving (schending) van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst dat ook zulk beginsel bevat. 6. Het oordeel van de appèlrechters ligt volledig in de lijn van de rechtsspraak van Uw Hof. Reeds meermaals oordeelde Uw Hof dat ongeacht het in artikel 54 van de Schengenovereenkomst vervatte 'non bis in idem-beginsel' uit de bepalingen van artikel 71 van die overeenkomst, van artikel 36.2.a (
- i)van het Enkelvoudig Verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen en van artikel 22.2.a (
- i)van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen volgt dat de op het grondgebied van verschillende overeenkomstsluitende partijen gepleegde feiten, wat de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen betreft, afzonderlijke misdrijven zijn die afzonderlijk worden bestraft. Het artikel 71 van de Schengenovereenkomst zelf, dat bepaalt dat de overeenkomstsluitende partijen zich ertoe verbinden, met inachtneming van de bestaande verdragen van de Verenigde Naties, alle maatregelen treffen die met het oog op het tegengaan van de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen vereist zijn, is daarbij de sleutel om van artikel 54 van de Schengenovereenkomst af te wijken en voorrang te verlenen aan artikel 36.2.a (
- i)van het Enkelvoudig verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen dat bepaalt dat elk van de in het verdrag opgesomde strafbare feiten als afzonderlijke feiten worden beschouwd indien deze in verschillende landen zijn begaan. Artikel 22.2.a(
- i)van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen bevat een gelijkaardige bepaling. 7. In de rechtsleer werd de vraag gesteld of de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen inzake de toepassing van het beginsel ne bis in idem, gedaan te Brussel op 25 mei 1987 , niet van die aard was dat Uw Hof zijn rechtspraak zou moeten herzien . Immers bevat deze overeenkomst een bepaling die bijna identiek is aan artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, zonder dat ze een bepaling bevat analoog aan die van artikel 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en zonder dat België een verklaring heeft afgelegd om in bepaalde gevallen af te wijken van het 'ne bis in idem'-beginsel. Met het arrest van 27 november 2001 besliste Uw Hof echter dat de overeenkomst van 25 mei 1987 geen toepassing vindt op (deze) drugsdelicten . Hieruit volgt dat zelfs bij ontstentenis van een bepaling, gelijkaardig aan artikel 71 van de Schengenovereenkomst, en die expliciet verwijst naar de bestaande Verdragen van de Verenigde Naties, Uw Hof het principe 'lex specialis derogat legi generali' steeds heeft toepast . 8. Het arrest van 29 juni 1999, waarvan de zienswijze aansluit bij de teneur van de Ministeriële Omzendbrief van 24 april 1995 en aansluit bij een zekere rechtsleer , werd in de rechtsleer gecontesteerd, minstens zeer kritisch onthaald . Een aantal terechte overwegingen en beschouwingen werden geformuleerd, echter doorgaans alle van rechtspolitieke aard. Termen als de harmonisering van het recht, de grensoverschrijdende samenwerking, en het creëren van een gemeenschappelijke juridische ruimte waren niet uit de lucht en er werd melding gemaakt van het beginsel van rechtszekerheid en van wederzijds vertrouwen . Er werd eveneens gewezen op de bedoeling van de Schengenlanden om met artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst een eigen beleid uit te werken binnen de Schengenruimte met een eigen visie inzake internationale strafvordering , en er werd geargumenteerd dat een uitzondering betreffende grensoverschrijdende drugshandel niet kon . Argumenten van rechtstechnische aard, evenwel niet alle even overtuigend, tegen een beperkte interpretatie van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en dus tegen de zienswijze van Uw Hof waarbij deze bepaling inzake drugs buiten werking wordt gesteld, werden gevonden in het gegeven dat België geen enkel voorbehoud heeft uitgedrukt conform artikel 55 van de Schengenuitvoerings-overeenkomst . De bestreden visie zou uitgaan van een verkeerde interpretatie van artikel 36.2.a (
- i)van het Enkelvoudig Verdrag van 1961 , en van een onjuiste uitleg van artikel 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst . Luidens zijn noot over Uw arrest van 29 juni 1999 vindt W. MAHIEU ook argumenten voor zijn van Uw arrest afwijkende zienswijze in de omzendbrief van 10 december 1998 waaruit zou blijken dat uit artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst volgt dat bij gelijkheid van feiten dit artikel van toepassing is ten opzichte van in het buitenland uitgesproken vonnissen aangaande feiten die op het Belgische grondgebied zijn gepleegd. Dezelfde auteur oordeelt dat de artikelen 70 tot 76 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst geen specifieke procedureregels bevatten en eerder aanbevelingen zijn, en er slechts in artikel 71.2, waar niet verwezen wordt naar de verdragen van de Verenigde Naties, sprake is van strafrechtelijke initiatieven . Nog voor Uw Hof de gelegenheid kreeg ter zake een standpunt in te nemen had een lagere feitenrechter een ruime interpretatie gegeven aan artikel 54 van Schengenuitvoeringsovereenkomst, wat door bepaalde auteurs werd onderschreven . 9. In andere landen waar de Schengenuitvoeringsovereenkomst eveneens van kracht is, en waar de Verdragen van de Verenigde Naties ook van toepassing zijn, lijkt de (schaarse) jurisprudentie het standpunt van Uw Hof evenmin te delen. Bij arrest van 3 november 2000 heeft het Duitse Bundesgerichtshof op grond van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst rekening gehouden met een vonnis van een Belgische rechter . Hetzelfde Hof oordeelde dat een strafvordering, in Duitsland uitgeoefend met betrekking tot de invoer van cocaïne in Duitsland, mogelijks vervallen was doordat een buitenlandse rechterlijke beslissing vrijspraak had verleend voor uitvoer van cocaïne uit Nederland. De verwijzingsrechter, in casu het Landesgericht, diende dan maar uit te maken of het dezelfde feiten betrof . Tevens in Duitsland was er al een casus waarin men oordeelde dat een transactie, en dan nog daterend van voor het inwerkingtreden van de overeenkomst van 19 juni 1990, grond was om artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst te kunnen toepassen . Ook in Nederland lijkt de Hoge Raad aan artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst zijn volle uitwerking te geven . Het Italiaanse Tribunale Penale van Bologna dat diende te oordelen over een drugstrafiek van Nederland naar Italië stelde zich de vraag of het rekening diende te houden met een buitenvervolgingstelling in Nederland, die zelf gebaseerd was op de vervolgingen ingesteld in Italië. De Italiaanse feitenrechter besloot om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie ten einde te weten of artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van toepassing is wanneer de rechter in de ene staat in zijn beslissing verklaart dat de strafzaak is beëindigd, zonder enig oordeel over de grond van de zaak en op basis van de veronderstelling dat de zaak reeds in een andere staat wordt vervolgd. In alle geval blijkt hier uit dat het Tribunale in kwestie uitgaat van een volledige werking van het artikel 54. 10. De vraag rijst thans of, in het licht van de voorgaande beschouwingen, Uw Hof zijn standpunt niet zou dienen te herzien. Inzonderheid het gegeven dat de hoogste gerechtshoven van enerzijds België, en anderzijds Nederland en Duitsland, niet op dezelfde lijn staan, baart zorgen en doet in het licht van de hoger vermelde beschouwingen van criminele politiek vragen rijzen . Het is in deze context dat ik geneigd zou zijn in te gaan op het verzoek van eiser om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Evenwel dienen eerst nog een aantal bijkomende problemen in beschouwing te worden genomen vermits het vraagstuk naar de werking van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst zich in voorliggend geval niet zuiver stelt. 11. De rechterlijke beslissing die in casu een hinderpaal zou kunnen zijn voor de vervolging en veroordeling in België werd gewezen door een Noorse rechtbank. Ofschoon Noorwegen geen lid is van de Europese Unie, is de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 daar van toepassing. Met het Protocol nr. 2 van 2 oktober 1997 werd het Schengenacquis geïncorporeerd in de Europese Unie . Bij besluit 1999/453/EG van de raad van 20 mei 1999 werd vastgelegd wat precies tot het Schengenacquis behoorde . Hieruit blijkt dat de overeenkomst van 19 juni 1990 tot het Schengen-acquis behoort . Artikel 6 van het Protocol nr. 2 van 2 oktober 1997 voorziet ook in het feit dat met IJsland en Noorwegen een overeenkomst diende te worden afgesloten omtrent de wijze en de procedures voor het betrekken van deze landen bij de verdere ontwikkeling van het Schengenacquis. Dit resulteerde in de Overeenkomst van 18 mei 1999 tussen de Raad van de Europese Unie, de republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengen-acquis. Overeenkomstig artikel 2.1 van die overeenkomst blijkt dat onder meer de bepalingen van artikel 54 en 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst zullen worden uitgevoerd en toegepast door IJsland en Noorwegen; wat voor Noorwegen effectief het geval is sedert 25 maart 2001 . 12. Het gegeven dat het vonnis van de rechtbank te Bergen dateert van 2 oktober 2000 en feiten beoordeelde van 1 juni 1999, en alles zich dus in de tijd afspeelde voordat het Schengen-acquis uitwerking had in Noorwegen, lijkt mij geen obstakel te zijn om de redenering te kunnen verder zetten. De tenuitvoerlegging van de straf, als dwingende voorwaarde voor de toepassing van artikel 54, zal zich in voorliggend geval hoe dan ook uitgestrekt hebben over een periode tot na 25 maart 2001. Hoger werd bovendien reeds verwezen naar een geval waarin een Duitse rechter rekening hield met een transactie afgesloten voor de inwerkingtreding van de overeenkomst van 19 juni 1990 . Het Oberlandesgericht van Saarbrücken van zijn kant oordeelde dat artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst als een procesrechtelijke norm moest worden beschouwd, wat impliceert dat deze bepaling onmiddellijke toepassing dient te krijgen en dus ook van toepassing is op feiten gepleegd voor de inwerkingtreding ervan. 13. Ander delicaat punt is dat in het geval van eiser de materiële feiten die werden voorgelegd aan de strafrechter in België en diegene welke werden voorgelegd aan de Noorse rechter niet volledig congruent zijn. Alleen de drugstrafiek hoger beschreven sub II.3 is gemeenschappelijk. De Noorse rechter sprak eiser immers vrij voor inbreuken op de drugswetgeving gepleegd in Noorwegen (invoer) op 24 maart 1999 en op 14 april 1999, terwijl de Belgische rechter, en dit is belangrijker, hem bovendien ook veroordeelde voor feiten van het witwassen van drugsgelden tussen 2 mei 1999 en 6 mei 1999 . De Belgische rechter oordeelde dat de ten laste gelegde feiten zich vermengden als zijnde gepleegd met eenzelfde strafbaar opzet. De verschillende gedragingen van eiser werden bijgevolg als één juridisch feit beschouwd. Uw Hof oordeelde reeds eerder dat het bij artikel 45 van de Wet van 11 juli 1994 gewijzigde artikel 65 van het Strafwetboek niet speelt ten aanzien van buitenlandse strafrechtelijke veroordelingen zodat de rechtspraak van voorheen, die inhield dat het verval van de strafvordering ingevolge het 'ne bis in idem' niet gold voor buitenlandse veroordelingen, onverminderd van toepassing blijft. Rijst dan de vraag, voor zover artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst wel zou toegepast worden, dit tot gevolg kan hebben dat de strafvordering door het aannemen van eenheid van opzet ook voor feit van witwassen niet ontvankelijk wordt? Het is duidelijk dat dit de vraag behelst naar de inhoud en draagwijdte die moet gegeven worden aan de uitdrukking 'dezelfde feiten' zoals die voorkomt in dat artikel 54. Dient hieraan de uitleg te worden gegeven dat onder 'dezelfde feiten' ook dienen te worden begrepen verschillende feiten die door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus één feit opleveren, in welk geval het artikel 54, voor zover het toepasbaar wordt geacht, ook zou inhouden dat het misdrijf van witwassen in België niet meer vervolgbaar wordt? Voor zover men zou aannemen dat door eenheid van opzet verbonden feiten nooit kunnen voldoen aan de inhoud van de term 'dezelfde feiten' uit de Overeenkomst is een voorwaarde van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst niet vervuld en zou dit artikel alleszins de vervolgbaarheid van het misdrijf van witwassen in België niet kunnen verhinderen. 14. De rechtsgrondslag voor het volledige Schengen-acquis werd vastgesteld bij Besluit 199/436/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen . Overeenkomstig artikel 2, in samenhang gelezen met bijlage A, zijn de artikelen 31 en 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie de rechtsgrondslag van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst; de artikelen 30, 31 en 34 zijn de grondslag van het artikel 71 van de Overeenkomst van 19 juni 1990. Een en ander impliceert dat de prejudiciële procedure bepaald bij artikel 35 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ook van toepassing is ten aanzien van de artikelen 54 en 71 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Naar aanleiding van het Verdrag van Amsterdam heeft België verklaard de bevoegdheid van het Europese Hof te aanvaarden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 35, lid 2 en lid 3, onder b . Dit betekent dat alle Belgische rechtscolleges overeenkomstig artikel 35 van het Verdrag van de Europese Unie een prejudiciële vraag kunnen stellen aan het Europees Hof van Justitie met betrekking tot artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst . België heeft zich bij het afleggen van de verklaring evenwel het recht voorbehouden om in het nationale recht te bepalen dat een nationale rechterlijke instantie waarvan volgens het nationale recht de beslissingen niet meer vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag die in een bij die instantie aanhangige zaak wordt opgeworpen in verband met de geldigheid of de uitlegging van een besluit als bedoeld in artikel 35, lid 1, voor te leggen aan het Hof van Justitie . Vermits dit nog niet in het nationale positieve recht werd uitgewerkt is Uw Hof dus niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen . 15. Volledigheidshalve kan er aan toe gevoegd worden dat artikel 9.2 van de Overeenkomst van 18 mei 1999 voorziet dat ook Noorwegen het recht heeft memories of schriftelijke opmerkingen voor te leggen aan het Hof van Justitie in gevallen waarin een vraagstuk door een rechter van een lidstaat aan het Hof is voorgelegd met verzoek om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van een der in artikel 2 bedoelde bepalingen. 16. Samenvattend kan gesteld worden dat uit het vorige volgt dat Uw Hof niet langer en louter op basis van zijn rechtspraak het door eiser voorgestelde middel kan verwerpen. De vraag of hogere bevindingen al voldoende zijn om een andere jurisprudentie te creëren kan open blijven omwille van het gegeven dat de problematiek van de werking van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst in de voorliggende casus omwille van een aantal randproblemen niet in zijn zuivere vorm is gesteld. Ik concludeer dan ook tot het opschorten van de uitspraak over het cassatieberoep van eiser sub II en tot het stellen van de zich opdringende prejudiciële vragen. Een eerste vraag moet betrekking hebben op de toepasselijkheid van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst op een Noors vonnis daterend van voor het tijdstip waarop het Schengenacquis in Noorwegen toepasselijk was ; een tweede vraag, in zoverre het antwoord op de eerste positief is, zal onvermijdelijk betrekking hebben op de werking van artikel 54 gelezen in samenhang met artikel 71 en peilen naar de mogelijkheid om strafbare feiten van uitvoer en invoer van verdovende middelen te vervolgen en als afzonderlijke feiten te beschouwen indien zij in verschillende overeenkomstsluitende landen zijn begaan; de derde vraag tenslotte, in zoverre het antwoord op de tweede negatief is, kan niet anders dan betrekking hebben op notie van 'dezelfde feiten' uit artikel 54 , en meer bepaald geconcretiseerd naar de casus toe: blijft de werking van artikel 54 ook gelden, na een eerdere veroordeling door een Noorse rechtbank wegens inbreuken op de drugswetgeving, op zulke wijze dat een Belgische rechter verhinderd wordt, na aanneming van eenheid van opzet tussen inbreuken op de drugswetgeving en strafbare feiten van witwassen, een straf op te leggen? Gedaan te Brussel op 20 september 2004 M. TIMPERMAN Advocaat-generaal" III. Cassatiemiddelen H. J. stelt in een memorie twee middelen voor. V. E. L. stelt in een memorie een middel voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen van H. J. 1. Eerste middel Overwegende dat de appèlrechters zeggen dat de feiten bewezen zijn door de stukken van het dossier en door het onderzoek van de zaak ter terechtzitting; dat de rechters voorts met vermelding van concrete gegevens waarop zij hun oordeel laten steunen, de hun overgelegde gegevens bespreken en deze als geloofwaardig beoordelen; Overwegende dat de rechters zodoende de noodzaak of het nut van andere onderzoeksverrichtingen om hun overtuiging betreffende de schuld van eiser te vormen, uitsluiten; Dat het middel niet kan worden aangenomen; 2. Tweede middel Overwegende dat artikel 97 Grondwet geen betrekking heeft op de bijzondere motiveringsverplichting met betrekking tot het opleggen of weigeren van een werkstraf; Dat het middel, in zoverre het schending van dat artikel aanvoert, niet ontvankelijk is; Overwegende voor het overige dat de appèlrechters niet alleen zeggen wat het middel vermeldt, maar tevens het geheel van de redenen van het beroepen vonnis bevestigen dat, met betrekking tot de weigering om eiser een werkstraf op te leggen, vaststelt: "uit de door (eiser) zelf voorgebrachte doktersattesten blijkt immers dat ernstig getwijfeld moet worden aan (
- de)lichamelijke en geestelijke geschiktheid (van eiser) om arbeid te verrichten"; Overwegende dat de appèlrechters zodoende beknopt maar nauwkeurig, de reden van hun beslissing vermelden; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; B. Onderzoek van het middel van V. E. L. Overwegende dat eiser in België werd vervolgd wegens, enerzijds, uitvoer, bezit, verkoop of te koop stellen van verdovende middelen op 31 mei 1999 en, anderzijds, wegens witwassen tussen 2 en 6 mei 1999 op niet nader te bepalen datum; Dat de appèlrechters wegens eenheid van opzet voor de beide vermengde feiten slechts één straf opleggen; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiser bij vonnis van 2 oktober 2000 van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Bergen (Noorwegen) werd veroordeeld wegens onwettelijke invoer op 1 juni 1999 van de naar aard en hoeveelheid zelfde verdovende middelen als deze vermeld in het bestreden arrest; Dat het middel aanvoert dat de appèlrechters, ingevolge het voormelde vonnis, niet zonder schending van artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990, eiser konden veroordelen wegens bezit of uitvoer van verdovende middelen; Overwegende dat de Schengen-uitvoeringsovereenkomst sinds 25 maart 2001 van toepassing is op Noorwegen; Dat de appèlrechters, met overname van de motieven van de eerste rechter, oordelen dat de veroordeling van eiser in Noorwegen, de vervolging en veroordeling in België niet in de weg staat en vaststellen: "artikel 36.2.a van het Enkelvoudig Verdrag van New York en artikel 22, tweede lid, van het Verdrag van Wenen voorzien immers dat elk van de in deze verdragen opgesomde strafbare feiten, als afzonderlijk strafbaar feit worden beschouwd, indien ze in verschillende landen zijn begaan. De ministeriële Omzendbrief van 24 april 1995 betreffende het akkoord van Schengen bepaalt dat artikel 54 van de Schengen-overeenkomst geen afbreuk doet aan de toepassing van artikel 36 van het Enkelvoudig Verdrag van New York. Dit volgt trouwens uit artikel 71 van de Schengen-overeenkomst zelf, dat uitdrukkelijk verwijst naar de bestaande verdragen gesloten binnen het raam van de Verenigde naties met betrekking tot drugs"; Overwegende dat een eerste vraag rijst of artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst toepassing kan vinden in geval van een onherroepelijk vonnis uit een overeenkomstsluitende partij dat dateert van vóór het van kracht worden van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst op die partij; Dat in zoverre de eerste vraag bevestigend dient te worden beantwoord, een tweede vraag rijst of artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst, in samenhang gelezen met artikel 71 van deze overeenkomst, zo moet begrepen worden dat het met zich meebrengt dat de strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen, indien zij in verschillende overeenkomstsluitende landen zijn begaan, als afzonderlijke strafbare feiten worden beschouwd zodat in elk van die overeenkomstsluitende landen vervolging mogelijk blijft; Overwegende dat blijkens bijlage A van het besluit nr. 1999/436/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen, voor de artikelen 54 en 71 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst de artikelen 34 en 31 respectievelijk 34, 30 en 31 van het verdrag betreffende de Europese Unie de rechtsgrondslag vormen; Overwegende dat België heeft verklaard de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig de bepalingen van artikel 35, lid 2 en lid 3, onder b), van het verdrag betreffende de Europese Unie te aanvaarden; Dat dit in de huidige stand van de rechtspleging met zich meebrengt dat het Hof een prejudiciële vraag moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreffende de uitlegging van de artikelen 54 en 71 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering ten aanzien van H. J. Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep van H. J.; Veroordeelt H. J. in de kosten van zijn cassatieberoep; Gezegde kosten begroot op de som van zesenvijftig euro vier cent verschuldigd. Schort de uitspraak over het cassatieberoep van V. E. L. op totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing over de twee hierna volgende vragen uitspraak zal hebben gedaan: "1. Moet artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 aldus worden uitgelegd dat het voor een Belgische rechtbank toepassing kan vinden ten aanzien van een persoon die in België nà 25 maart 2001 voor een strafrechtbank is vervolgd wegens dezelfde feiten als deze ter zake waarvan hij bij vonnis van een Noorse strafrechtbank op 2 oktober 2000 is berecht en veroordeeld en waarbij de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan, daar waar, ingevolge artikel 2.1 van de overeenkomst van 18 mei 1999 tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengen-acquis, onder meer de bepaling van artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst pas zal worden uitgevoerd en toegepast door Noorwegen met ingang van 25 maart 2001 ?" In zoverre het antwoord op de eerste vraag positief is: "2. Moet artikel 54 van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 gelezen in samenhang met artikel 71 van die overeenkomst aldus worden uitgelegd dat strafbare feiten van bezit ter fine van uitvoer en invoer die betrekking hebben op dezelfde verdovende middelen en psychotropische stoffen van enige aard, cannabis inbegrepen, en die respectievelijk als uit- en invoer vervolgd worden in verschillende landen die de Schengen-uitvoeringsovereenkomst hebben ondertekend of waar het Schengen-acquis uitgevoerd en toegepast wordt, beschouwd worden als 'dezelfde feiten' zoals bedoeld in het vermelde artikel 54 ?" Gelast de overzending aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van een door de voorzitter en de griffier van het Hof ondertekende expeditie van deze beslissing; Houdt in zoverre de beslissing over de kosten aan. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041005.8 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990629.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010328.8 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011127.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020226.29 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020917.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div