id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041008.5 Rolnummer: C.03.0275.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 534 - laatst gezien 2026-07-05 01:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Niet ontvankelijk is het cassatieberoep tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel ingesteld door de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek en door de Belgische Staat, die geen partij waren, noch in de procedure voor de Raad voor de Mededinging, noch in deze voor dat hof
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: ECONOMIE Raad voor de mededinging Arrest van het hof van beroep te Brussel Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek Belgische Staat Geen partij Cassatieberoep Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Raad voor de mededinging Arrest van het hof van beroep te Brussel Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek Belgische Staat Geen partij Cassatieberoep Ontvankelijkheid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Dubrulle, Cass., 8 okt. 2004, AR C.03.0275.N, A.C., 2004, nr ... . Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: ECONOMIE Raad voor de mededinging Arrest van het hof van beroep te Brussel Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek Belgische Staat Geen partij Cassatieberoep Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Raad voor de mededinging Arrest van het hof van beroep te Brussel Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek Belgische Staat Geen partij Cassatieberoep Ontvankelijkheid Nota: C.03.0275.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal Dubrulle Bij beslissing van 13 november 2001 verklaarde de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging het verzoek van de B.V.B.A. Daems Racing tot het nemen van voorlopige maatregelen ontvankelijk en deels gegrond. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 juni 2002 werd vastgesteld dat het hoger beroep van de B.V.B.A. Daems Racing zonder voorwerp was geworden en werd, op het incidenteel hoger beroep van de V.Z.W. Vlaamse Autosportfederatie, de beroepen beslissing tenietgedaan en beslist dat er geen aanleiding bestond om op grond van de elementen van het onderzoek voorlopige maatregelen te nemen. De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek en de Belgische Staat hebben op 6 juni 2003 een cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest (en voeren tot staving hiervan een enig middel aan, afgeleid uit de schending van de artikelen 1, littera a, en 2, ,§1, van de Wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, zoals gecoördineerd op 1 juli 1999). De tweede verweerster, de V.Z.W. Vlaamse Autosportfederatie, werpt tegen dit cassatieberoep een grond van niet ontvankelijkheid op doordat deze eisers geen partij waren in het geding. Hierop anticiperend hadden deze eisers in hun voorziening gesteld dat, hoewel ze geen partij waren voor het hof van beroep te Brussel, artikel 43bis, ,§2, achtste lid van de Mededingingswet de minister de mogelijkheid biedt zijn schriftelijke opmerkingen bij de griffie van dat hof in te dienen en dat het feit dat ze daarvan geen gebruik maakten geen afbreuk doet aan hun belang om deze voorziening in te stellen. Het staat buiten betwisting dat tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel, gewezen op een beroep tegen een uitspraak van de Raad voor de Mededinging zoals tegen de beslissingen van de hoven gewezen in alle zaken en in laatste aanleg (art. 609, aanhef en 1°, Ger.W.) - een voorziening in cassatie kan worden ingesteld.
(1)De vraag, die zich ingevolge de aangevoerde grond van niet ontvankelijkheid stelt, is of de eisers wel de vereiste hoedanigheid bezitten om dergelijke voorziening in te stellen. In beginsel bezitten enkel diegenen, die (nog steeds) partij waren in het geding dat aanleiding gaf tot de aangevochten beslissing, de daartoe vereiste hoedanigheid.
(2)Overigens is evenmin ontvankelijk een cassatieberoep dat ingesteld wordt tegen een verweerder die geen partij was bij de bestreden beslissing.
(3)De ter beantwoording van de gestelde vraag relevante wettelijke bepalingen zijn deze vervat in het eerste, het vierde en het achtste lid van de tweede paragraaf van het artikel 43bis van de Mededingingswet, die als volgt luiden: "Het beroep waarin artikel 43 voorziet, kan worden ingesteld door de voor de Raad betrokken partijen, door de indiener van de klacht alsook door elke persoon die een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord. Het beroep kan eveneens door de minister worden ingesteld zonder dat deze een belang moet bewijzen. Op straffe van onontvankelijkheid van het beroep moet de verzoeker, binnen de vijf dagen na de indiening van het verzoekschrift, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, een kopie van het verzoekschrift sturen aan de partijen die in kennis zijn gesteld van de bestreden beslissing zoals blijkt uit de kennisgevingsbrief waarin artikel 40bis voorziet, aan de Raad voor de Mededinging alsook aan de minister indien deze niet de appellant is. De Raad voor de Mededinging en de minister kunnen elk hun schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het Hof van Beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het Hof van Beroep te Brussel stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen." Het eerste lid verleent aldus aan de minister de mogelijkheid, ook al was hij geen partij in de procedure voor de Raad voor de Mededinging, hoger beroep in te stellen, zonder ertoe gehouden te zijn van enig belang te doen blijken. Deze van het Gerechtelijk Wetboek afwijkende bepaling, die aan de eerste eiser de mogelijkheid bood partij te worden in de procedure voor het hof van beroep, werd door hem terzake evenwel niet benut
(4). Van de hem door het achtste lid geboden kans maakte hij evenmin gebruik. Uit deze aan de minister door de wet verleende mogelijkheden kan evenwel niet worden afgeleid dat hij ook steeds een voorziening in cassatie tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel zou kunnen instellen. Tegen deze opvatting van eisers geldt namelijk: - dat de van het gemeen recht afwijkende bepaling van het eerste lid van het artikel 43 bis, ,§2 - onder de uitsluitende titel "Hoger beroep" van Afdeling 9 - niet kan worden uitgebreid tot een ander rechtsmiddel, waarnaar dit artikel niet verwijst; - dat de termen zelf van het voormelde achtste lid uitsluiten dat de minister enkel omwille van de hem geboden mogelijkheid opmerkingen te formuleren als van rechtswege partij in het geding zou dienen te worden aangezien, nu de griffier deze opmerkingen, in voorkomend geval ter kennis brengt van "van de partijen", wat betekent dat de minister zelf geen partij is; - dat, zoals reeds vermeld
(5), de wetgever door de wijziging, in 1999, van de procedureregels overigens heeft willen voorkomen dat de minister automatisch als procespartij zou worden aangezien; - dat het voormelde achtste lid de mogelijkheid tot het formuleren van opmerkingen niet alleen biedt aan de minister, doch ook en in dezelfde voorwaarden aan de Raad voor de Mededinging zelf, terwijl het uiteraard volstrekt uitgesloten is dat deze een cassatieberoep tegen zijn eigen beslissing zou instellen; - dat de besproken mogelijkheid geen andere draagwijdte heeft dan te beletten dat het hof van beroep eenzijdig zou worden ingelicht, nu in het verleden meer dan eens is gebleken dat de minister of zijn administratie en de raad onderling afwijkende standpunten innamen
(6). Tweede eiser, de Belgische Staat, die evenmin partij was, wordt in de voormelde wetsbepalingen zelfs niet vernoemd. Er bestaat derhalve geen enkele reden om in dezen af te wijken van de constante rechtspraak van het Hof
(7): cassatieberoep is niet ontvankelijk wanneer de eiser geen partij is in de bestreden beslissing. Conclusie : verwerping. ___________________________
(1)Van Gerven, W., Gyselen, L., Maresceau, M., Stuyck, J. en Steenbergen, J., Handels- en economisch recht, Deel 2, Mededingingsrecht, B. Kartelrecht, in: Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XIII, Antwerpen, E. Story-Scientia, 1996, 994, nr. 825 en 1000, nr. 829; Steenlant, J., De nieuwe wet tot bescherming van de economische mededinging, T.P.R., 1992, 384; Vandermeersch, D., De mededingingswet, Kluwer Rechtswetenschappen, 1994, 258, nr. 23-08; Verougstraete, I., Institutionele wijzigingen, in: De hervormde Belgische mededingingswet, Stuyck, J. en Wytinck, P. (eds.), Kluwer, 35.
(2)Cass., 6 nov. 1974, A.C., 1975, 312; 25 okt. 1979, ibid., 1979-80, nr. 139; 17 feb. 1984, ibid., 1983-84, nr. 341; 1 maart 1999, A.R. S.99.0156.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000214.11, nr. 120; 3 juni 1999 (Ver.K.), A.R. C.98.0559.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990603.6, nr. 331 (eiser was een minister); Fettweis, A., Manuel de procédure civile, tweede editie, nr. 847: R.P.D.B., D.IX, v° Pourvoi en cassation en matière civile, nr. 142.
(3)Cass., 9 sept. 1993, A.R. 9608, nr. 339 en 5 juni 2000, A.R. S.99.0165.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000605.2, nr. 342.
(4)Hierbij dient te worden opgemerkt dat de wijzigingswetten de procedureregels betreffende het hoger beroep ingrijpend hebben gewijzigd, onder meer doordat niet meer is voorzien dat het hoger beroep is gericht tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken. Waar het standpunt van de Raad kan afwijken van dat van de minister, die in hoedanigheid van procespartij tussenkomt in het geding, heeft de wetgever willen voorkomen dat de minister automatisch als procespartij zou worden aangezien; zie desbetreffend Vandermeersch, D., Allcock, S., De wijzigingen in de mededingingswet met betrekking tot restrictieve mededingingspraktijken, in: De hervormde Belgische mededingingswet, Stuyck, J. Wytinck, P. (eds.), Kluwer, 162.
(5)Zie vorige voetnoot.
(6)Verougstraete, I., Institutionele wijzigingen, in: De hervormde Belgische mededingingswet, Stuyck, J. Wytinck, P. (eds.), Kluwer, 28, nr. 21.
(7)Zie voetnoot
- Tekst van de beslissing Nr. C.03.0275.N
- MINISTER VAN ECONOMIE EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK, belast met het grootstedenbeleid, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, de Meeussquare 23,
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economische Zaken en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het grootstedenbeleid, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, de Meeussquare 23, eisers, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- DAEMS RACING, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met vennootschapszetel te 2440 Geel, Liessel 19, verweerster,
- VLAAMSE AUTOSPORTFEDERATIE, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Gentsebaan 48, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- RAAD VOOR DE MEDEDINGING, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, de Meeussquare 23, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Beslissing van het Hof Over de door tweede verweerster opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : de eisers waren geen partij in het geding : Overwegende dat het cassatieberoep alleen openstaat voor wie partij was in het geding dat geleid heeft tot de beslissing waartegen cassatieberoep wordt ingesteld; Overwegende dat bij het hof van beroep een beroep was ingesteld in een geschil tussen de eerste en de tweede verweerster, tegen een beslissing van de voorzitter van de Raad voor de Mededinging ; Dat de eisers geen partij waren, noch in de procedure voor de Raad voor de Mededinging, noch in deze voor het hof van beroep ; Dat hieruit volgt dat het cassatieberoep van de eisers niet ontvankelijk is ; Dat het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd tweeëndertig euro negentig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd tachtig euro zesentwintig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van acht oktober tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041008.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990603.6 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000214.11 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000605.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div