id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.7 Rolnummer: P.03.0009.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 548 - laatst gezien 2026-07-05 02:21 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Ingevolge de beslissing van het Arbitragehof, kan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van een burgerlijke partij niet afhangen van de voorafgaande betekening ervan
(1).
(1)Arbitragehof nr 120/2004, 30 juni 2004, B.S., 1 okt. 2004, p. 69965. De wettelijke verplichting tot betekening blijft bestaan, maar het Hof zal de niet-betekening door de burgerlijke partij of door een partij die, wat de betekeningsverplichting betreft, door de rechtspraak van het Hof met de burgerlijke partij werd gelijkgesteld, niet langer sanctioneren met de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Deze sanctie van niet-ontvankelijkheid blijft nog bestaan voor het openbaar ministerie, dat verzuimt zijn cassatieberoep te betekenen aan degene tegen wie het gericht is. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Burgerlijke partij Verplichting te betekenen Artikel 418, eerste lid, Sv. Arrest van het Arbitragehof waarbij beslist wordt dat artikel 418, eerste lid, Sv. de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt Verzuim te betekenen Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 418,eerstelid Fiche 2 Uit de uitdrukkelijke verwijzing in het tweede lid van artikel 21bis, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, naar de misdaden bedoeld in het eerste lid, volgt dat het tweede lid enkel betrekking heeft op de misdaden bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379, 380 en 409 Strafwetboek, waarvan een minderjarige slachtoffer is
(1).
(1)VAN DEN WYNGAERT C., Strafrecht, Strafprocesrecht & Internationaal Strafrecht, Maklu, 2003, 687; VANDEMEULEBROECKE O., "La loi du 28 novembre 2000 relative à la protection pénale des mineurs", in MANDOUX P. en KLEES O., (dir), Actualités de droit pénal et de procédure pénale, Bruxelles, Ed. du jeune barreau, 2001, 223; JACOBS A., "La prescription de l'action publique ou quand le temps ne passe plus..." in MANDOUX P. en KLEES O., (dir), Actualités de droit pénal et de procédure pénale, Bruxelles, Ed. du jeune barreau, 2001, 271; DE ROY C., "De strafprocedure en pedoseksuele misdrijven", NjW 2003,
- Vrije woorden: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Misdrijven bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379, 380 en 409 Sw. Artikel 21bis, tweede lid, V.T.Sv. Toepassingsgebied Voorwaarde Tekst van de beslissing Nr. P.03.0009.N
- H. K.,
- H. V., eiseressen, burgerlijke partijen, met als raadslieden Mr. Christine Mussche en Mr. Joachim Meese, advocaten bij de balie te Gent, tegen H. J., verweerder, inverdenkinggestelde. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 28 november 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Voorafgaande rechtspleging Bij arrest van 30 september 2003 heeft het Hof elke verdere beslissing opgeschort tot het Arbitragehof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over de vraag of artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvorder-ing, in samenhang gelezen met artikel 420bis van datzelfde wetboek, de ar-tikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het aan de burgerlijke partij de verplichting oplegt, binnen de termijn bedoeld in voornoemd artikel 420bis, over te gaan tot betekening van het cassatieberoep aan de partij tegen wie het gericht is en tot neerlegging van de stukken waaruit deze betekening blijkt, en dit op straffe van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, terwijl geen gelijkaardige verplichting bestaat voor de inverdenkinggestelde of beklaagde die een cassatieberoep instelt tegen de burgerlijke partij. Bij arrest van 30 juni 2004 heeft het Arbitragehof deze prejudiciële vraag beantwoord en gezegd voor recht dat artikel 418, eerste lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt. III. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. IV. Cassatiemiddelen De eiseressen stellen in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. V. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat ingevolge de beslissing van het Arbitragehof, de ont-vankelijkheid van het cassatieberoep van een burgerlijke partij niet kan afhan-gen van de voorafgaande betekening van het cassatieberoep; Dat het cassatieberoep te dezen derhalve ontvankelijk is, niettegen-staande het ontbreken van de betekening ervan; B. Onderzoek van het middel Overwegende dat artikel 21bis Voorafgaande Titel Wetboek van Straf-vordering bepaalt: "In de gevallen bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379, 380 en 409 van het Strafwetboek, begint de verjaringstermijn van de strafvordering pas te lopen vanaf de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt. In geval van correctionalisering van een misdaad bedoeld in het vorige lid, blijft de verjaringstermijn van de strafvordering die welke is bepaald voor een misdaad"; Overwegende, eensdeels, dat uit de bepaling van het eerste lid van het vermelde artikel dat de verjaring van de strafvordering pas begint te lopen va-naf de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt, volgt dat het enkel betrekking heeft op de daarin vermelde misdrijven in zoverre een minderjarige daarvan slachtoffer is; Overwegende, anderdeels, dat uit de uitdrukkelijke verwijzing in het tweede lid van deze bepaling naar de misdaden bedoeld in het eerste lid, volgt dat het tweede lid enkel betrekking heeft op misdaden bedoeld in de artikelen 372 tot 377, 379, 380 en 409 Strafwetboek waarvan een minderjarige slachtof-fer is; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat "de uitzondering op het principe zoals voorzien in het tweede lid van artikel 21bis van de Vooraf-gaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, krachtens dewelke in geval van correctionalisering van een misdaad, de verjaringstermijn van tien jaar blijft gelden, hier niet van toepassing is, nu deze enkel slaat op misdrijven van seksueel misbruik op minderjarigen", dat zij aldus hun beslissing naar recht verantwoorden; Dat het middel niet kan worden aangenomen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eiseressen in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van honderd en zeven euro achten-twintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, en uitgesproken in openbare terechtzitting van twaalf oktober tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030930.7 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170614.5 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171108.1 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171129.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div