id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041015.4 Rolnummer: C.02.0014.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-06-30 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-07-03 14:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche De enkele omstandigheid dat een persoon, enerzijds, oprichter en bestuurder is van een vennootschap en, anderzijds, de echtgenoot is van de instrumenterende notaris, impliceert niet dat, wanneer die persoon de vennootschap niet vertegenwoordigt bij het verlijden van de akte, deze notaris een akte heeft verleden waarbij zijn echtgenoot partij was of waarin enige bepaling in zijn voordeel of dat van zijn echtgenoot voorkomt
(1).
(1)Zie cass., 17 juni 1987, A.C., 1986-87, AR 5341, nr
- Thesaurus CAS: NOTARIS Vrije woorden: NOTARIS Notarisakte Partij Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1803 - Art.8,eerstel Tekst van de beslissing Nr. C.02.0014.N N.L.C., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Bronstraat 5, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer 296.380, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.G.I. verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 16 oktober 2000 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen ©û de artikelen 6, inzonderheid eerste lid, 3¡ã, en 8, inzonderheid eerste lid, van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt zoals van kracht v¨®¨®r de wijziging bij wet van 4 mei 1999 ; ©û de artikelen 1382 en1383 van het Burgerlijk Wetboek ; ©û de artikelen 17 en 1072, inzonderheid eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van eiseres ongegrond en de oorspronkelijke vordering van eiseres tegen verweerster strekkende tot uitdrijving en tot betaling van een bezettingsvergoeding ontoelaatbaar wegens onrechtmatig belang en verklaart omwille van dit onrechtmatig belang, de vordering van verweerster tegen eiseres strekkende tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep gegrond ten belope van 50.000 BEF. Het bestreden vonnis laat die beslissingen op volgende motieven steunen : ¡°De toelaatbaarheid van de oorspronkelijke vordering : Bij openbare verkoop door notaris C. werd het onroerend goed toegewezen via commandverklaring aan de NV Copeva. Uit de akte van oprichting dd. 14 april 1989 blijkt dat de echtgenote van notaris C., D. V.B., oprichtster was van de NV Copeva. Zij was tevens benoemd voor een periode van zes jaar, samen met de heer V.H. en met de NV Novotext, als bestuurster van de NV Copeva. Uit het formulier I/B ¡®Verzoek tot inschrijving door een kapitaalvennootschap¡° blijkt dat mevrouw V.B.D. bestuurster is van de NV Novotext. Op 26 juli 1994 ging de NV Copeva over tot aanmaning van (verweerster). Deze aanmaningsbrief werd ondertekend door notaris C. Het is duidelijk dat notaris C. de akte heeft verleden met schending van de artikelen 6, 3¡ã en 8 van de Notariswet van 16 maart 1803, gezien hij, echtgenoot zijnde van D. V.B., een rechtstreeks, persoonlijk en actueel belang had in de NV Copeva. Een vordering die wordt ingesteld om voordeel te bekomen uit een transactie met schending van de artikelen 6 en 8 van de Notariswet, die van openbare orde zijn, is niet rechtmatig en kan niet toegelaten worden. Het geding werd in graad van beroep hernomen door de BVBA NLC, die het onroerend goed op 28 april 1998 van de NV Copeva gekocht heeft tegen de prijs van 2.500.000 BEF. De gedingherneming verandert echter niets aan het onrechtmatig karakter waarmee de vordering ab initio is aangetast. Het incidenteel beroep is derhalve gegrond. De oorspronkelijke vordering is ontoelaatbaar. Gelet op de niet-toelaatbaarheid van de oorspronkelijke vordering, is het hoger beroep ongegrond. C. De tegeneis van (verweerster) (Verweerster) vordert en schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep ten belope van 100.000 BEF. Het doel van het procesrecht houdt de effectuering in van rechtmatige aanspraken. In casu wordt door (verweerster) terecht gesteld dat zij sedert 1994 geplaagd werd door procedures om haar uit haar woonplaats te krijgen, terwijl de procedure van meet af aan uitging van een partij die een onrechtmatig belang nastreefde. Deze procedure is tergend en roekeloos gezien zij aangewend wordt als drukkingsmiddel om voordelen te bekomen uit een transactie welke afgesloten werd met schending van de Notariswet. (Eiseres) wordt derhalve veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ten belope van ex aequo et bono 50.000 BEF meer de gerechtelijke intresten vanaf 27 november 1995 (datum besluiten) onder afwijzing van het meergevorderde¡é. Grieven Artikel 6, 3¡ã, van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt (zoals van kracht v¨®¨®r de wijziging bij wet van 4 mei 1999) bepaalt dat het de notaris verboden is ¡°zich van een stroman te bedienen voor handelingen die hij niet zelf mag verrichten¡é. Onder de bedoelde verboden handelingen zijn onder meer begrepen de handelingen bedoeld in artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet. Voormeld artikel 8, eerste lid, verbiedt aan de notarissen ¡°akten te verlijden waarin zij zelf, hun echtgenoot of hun bloed- of aanverwanten, in de rechte lijn zonder onderscheid van graad, en in de zijlijn tot en met de graad van oom en neef, partij zijn of waarin enige bepaling te hunnen voordele voorkomt¡é. Uit artikel 8, eerste lid, van de wet op het notarisambt (zoals van kracht v¨®¨®r de wijzigende wet van 4 mei 1999) vloeit aldus voort dat een notaris onder meer geen akte mag verlijden waarin zijn echtgenote partij is. Als partij dient te worden beschouwd elke persoon die bij de akte verschijnt en handelt voor zichzelf of voor een ander. Wanneer een vennootschap partij is bij de akte, moet ook de bestuurder die de vennootschap bij die akte vertegenwoordigt als een partij in de zin van artikel 8, eerste lid, worden beschouwd. De overige bestuurders die de vennootschap niet bij de akte vertegenwoordigen, kunnen echter geenszins als partij bij de akte worden aangezien. Het is de notaris aldus in de regel niet verboden een akte te verlijden voor een vennootschap waarin zijn echtgenote bestuurster is, op voorwaarde dat zij de vennootschap bij de akte niet vertegenwoordigt. Uit artikel 8, eerste lid, van de wet op het notarisambt (zoals van kracht v¨®¨®r de wijzigende wet van 4 mei 1999) vloeit eveneens voort dat een notaris geen akte mag verlijden waarin een beding voorkomt dat aan hemzelf of aan zijn echtgenote een voordeel verschaft. Hieronder wordt niet elk beding bedoeld dat op de ene of andere manier de notaris of zijn echtgenote aanbelangt, maar wel elk beding dat aan de notaris of zijn echtgenote een persoonlijk en rechtstreeks belang, van pecuniaire of morele aard, verschaft. De omstandigheid van oprichter of bestuurder van een naamloze vennootschap te zijn, laat niet toe te stellen dat de toewijzing van een openbare verkoop aan die vennootschap een persoonlijk en rechtstreeks belang voor de oprichter of bestuurder oplevert. De naamloze vennootschap heeft immers een eigen rechtspersoonlijkheid en haar oprichters of bestuurders zijn in de regel niet persoonlijk gehouden door de handelingen van de vennootschap. Het verlijden van een akte voor een vennootschap waarin de echtgenote van de notaris bestuurster is, komt aldus in de regel niet neer op het verschaffen van een rechtstreeks en persoonlijk belang voor de echtgenote bestuurster en a fortiori niet voor de notaris zelf. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat notaris C. het onroerend goed waarin verweerster woonde, bij openbare verkoop via commandverklaring had toegewezen aan de NV Copeva, rechtsvoorgangster van eiseres. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt weliswaar dat de echtgenote van notaris C., mevrouw D. V.B., de NV Copeva had opgericht en er bestuurster van was. Het vonnis stelt echter niet vast dat mevrouw V.B. de vennootschap Copeva had vertegenwoordigd, noch bij de eerste toewijs aan de heer H., noch bij de commandverklaring ten voordele van de NV Copeva. Het belang van de notaris kon bijgevolg niet gesteund zijn op de eerste door artikel 8, eerste lid, van de Notariswet geviseerde situatie waarbij de echtgenote van de notaris partij zou zijn geweest bij de akte van toewijs aan de NV Copeva. Het bestreden vonnis kon evenmin uit de enkele omstandigheid dat mevrouw V.B. oprichtster en bestuurster was van de NV Copeva (alsook van de NV Novotext), die via commandverklaring eigenares werd van het kwestieuze onroerend goed, enig belang zoals bedoeld in de tweede door artikel 8, eerste lid, van de Notariswet geviseerde situatie afleiden in hoofde van mevrouw V.B. en dus evenmin in hoofde van haar echtgenoot, notaris. Het enkele feit dat de notaris na de aankoop door de NV Copeva de aanmaningsbrief heeft ondertekend die deze vennootschap aan verweerster heeft gericht, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Die omstandigheid impliceert immers geenszins dat de notaris bij de kwestieuze toewijs enig belang had dat hem krachtens de wet op het notarisambt verbood de akte van toewijs (en ook de akte van commandverklaring) te verlijden. Bij afwezigheid van enige door artikel 8, eerste lid, van de Notariswet verboden handeling, kon aan notaris C. bijgevolg uiteraard evenmin worden verweten het in artikel 6, 3¡ã, van de Notariswet vervatte verbod om via een stroman een verboden handeling te verrichten, te hebben overschreden. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, door op grond van de vaststelling dat notaris C. de echtgenoot was van mevrouw V.B., die oprichtster en bestuurster was van de vennootschap Copeva, dewelke na openbare verkoop en via commandverklaring eigenares is geworden van het onroerend goed waarin verweerster woonde, te oordelen dat notaris C. een rechtstreeks en persoonlijk belang had in de NV Copeva en dat de door hem verleden akte van toewijs bijgevolg in strijd was met de artikelen 6, 3¡ã, en 8 van de Notariswet, en door op grond van deze beoordeling te besluiten dat de NV Copeva met haar vordering tot uitdrijving van verweerster een onrechtmatig belang nastreefde en de vordering van eiseres om die reden ontoelaatbaar te verklaren, schending inhoudt van de artikelen 6, inzonderheid eerste lid, 3¡ã, en 8, inzonderheid eerste lid, van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt (zoals van toepassing v¨®¨®r de wijzigende wet van 4 mei 1999) en van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek krachtens hetwelk het voor het instellen van een rechtsvordering vereiste belang ¡°rechtmatig¡é moet zijn. Hieruit volgt tevens dat het bestreden vonnis door op grond van de voormelde onwettige beoordeling van de strijdigheid van de akte van toewijs met de notariswet en van het hierop gesteunde onrechtmatig belang in hoofde van eiseres, te oordelen dat het hoger beroep van eiseres tergend en roekeloos was en eiseres bijgevolg tot een schadevergoeding van 50.000 BEF te veroordelen, bij gebrek aan wettig vastgestelde fout bij het instellen van het hoger beroep, schending inhoudt van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en 1072, inzonderheid eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 8, eerste lid, van de Wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, de notarissen geen akten mogen verlijden, waarin zij zelf, hun echtgenoot of hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zonder onderscheid en in de zijlijn tot en met de graad van oom en neef, partij zijn of waarin enige bepaling te hunnen voordele voorkomt ; Dat de enkele omstandigheid dat een persoon, enerzijds, oprichter en bestuurder is van een vennootschap en, anderzijds, de echtgenoot is van de instrumenterende notaris, niet impliceert, wanneer die persoon de vennootschap niet vertegenwoordigt bij het verlijden van de akte, dat deze notaris een akte heeft verleden waarbij zijn echtgenoot partij was of waarin enige bepaling in zijn eigen voordeel of dat van zijn echtgenoot voorkomt ; Overwegende dat de app¨¨lrechters vaststellen dat :
- de NV Copeva eigenares was geworden van het onroerend goed gelegen te Turnhout, Molenstraat 33, blijkens proces-verbaal van definitieve toewijs van notaris C. te Vosselaar op datum van 20 juni 1994, gevolgd door een commandverklaring opgemaakt door dezelfde notaris op 21 juni 1994 en waaruit blijkt dat voormeld goed werd aangekocht in openbare verkoop na beslag, door Mevrouw K. voor en in naam van de NV Copeva tegen de prijs van 2.850.000 BEF ;
- uit de akte van oprichting van 14 april 1989 blijkt dat de echtgenote van notaris C., D. V.B., oprichtster was van de NV Copeva en dat zij tevens samen met V.H. en met de NV Novotext ¨C waarvan blijkt dat zij bestuurster is ¨C voor een periode van zes jaar was benoemd als bestuurster van de NV Copeva ; Dat de app¨¨lrechters op grond van deze vaststellingen oordelen dat notaris C., als echtgenoot van D. V.B., ¡°een rechtstreeks, persoonlijk en actueel belang had in de NV Copeva¡é, zodat hij de akte, waarop eiseres zich beroept, heeft verleden met schending van de artikelen 6.3¡ã en 8 van de Wet van 16 maart 1803 op het Notarisambt ; Dat zij vervolgens oordelen dat de vordering, waarbij eiseres het voordeel wenst te bekomen van een transactie die strijdig is met voormelde wetsbepalingen die van openbare orde zijn, niet regelmatig is en niet kan worden toegelaten ; Overwegende dat de app¨¨lrechters door te oordelen dat notaris C., als echtgenoot van D. V.B., een rechtstreeks, persoonlijk en actueel belang had in de NV Copeva en op grond hiervan de vordering van eiseres als onontvankelijk af te wijzen, artikel 8 van de Wet van 16 maart 1803 op het Notarisambt schenden ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, zitting houdende in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van hoofdgriffier Etienne Sluys. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041015.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div