← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041018.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041018.4 Rolnummer: C.03.0575.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2004-12-17 Raadplegingen: 652 - laatst gezien 2026-07-05 02:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een akte van rechtspleging moet worden geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist van de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld

(1).
(1)Cass., 29 mei 1995, AR C.94.0389.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950529.17, nr
  1. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Algemeen Vrije woorden: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Algemeen Akte van de rechtspleging Taal van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt.24en40, Fiches 2 - 3 Wanneer de akte van hoger beroep de uiteenzetting van de grieven in de taal van de rechtspleging vermeldt en de akte tevens argumenten ter ondersteuning van de grieven bevat, behoren zij tot de grieven die in het debat worden gebracht en waarvan geïntimeerde kennis moet kunnen nemen in de taal van de rechtspleging. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Burgerlijke zaken Vrije woorden: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Burgerlijke zaken Eentaligheid van de akte Vermelding van de grieven Middel tot staving van grieven Aanhaling in een andere taal Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt.24en40, Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Taal Eentaligheid van de akte Vermelding van de grieven Anderstalige aanhaling Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt.24en40, Tekst van de beslissing Nr. C.03.0575.N.-
  2. DFDS TRANSPORT, naamloze vennootschap, met zetel te 2850 Boom, Industrieterrein Krekelenberg, Industrieweg 8, ingeschreven in het K.B.O. onder het nummer 0404.507.618,
  3. DFDS A/S, vennootschap naar Deens recht, met zetel te Kopenhagen (Denemarken), Sankt Annaeplads 30 eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen INTRAKA, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2460 Kasterlee, Kleinrees 76, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van september 2004 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 2, 24 en 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest van 2 juni 2003 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep, door eiseressen ingesteld en gekend onder het algemeen rolnummer AR 780/00, onontvankelijk wegens nietigheid van het inleidend verzoekschrift, na te hebben geoordeeld : "I. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen B. Van het principaal hoger beroep AR 780/00
  4. Door het hof (van beroep) werd vastgesteld, dat het verzoekschrift in hoger beroep d.d. 24 maart 2000 uitgaande van (eiseressen), citaten bevat in de Engelse taal zonder vertaling. Ter zitting werd dit ambtshalve opgeworpen. (Eiseressen) werden gewezen op de nietigheid die dienaangaande voorzien is in artikel 40 van de Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken. (Eiseressen) hebben zich daarop mondeling verdedigd.
  5. De stelling van (eiseressen), dat 'met deze citaten geen rekening dient gehouden te worden', gaat evenwel niet op. Een akte van rechtspleging die niet overeenkomstig de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken werd opgesteld, kan niet aan de sanctie van nietigheid ontkomen door 'over de tekstgedeelten in een vreemde taal te lezen'. Hoogstens kan de stelling van (eiseressen) in die zin geïnterpreteerd worden, dat er een 'voorbeeldfunctie' van de Engelse tekst wordt ingeroepen. Met andere woorden dat deze tekst louter illustratief zou zijn en niet behoort tot de argumentatie als een noodzakelijk element ter ondersteuning van deze laatste. In zulk geval dient evenwel de zakelijke inhoud van het citaat aanwezig te zijn in de overige tekst, anders kan het illustratief karakter niet werken. Dit zal hieronder onderzocht worden.
  6. Het hof (van beroep) stelt vast dat : - op pagina 3 van het verzoekschrift een citaat staat in het Engels, zonder vertaling maar met de zakelijke inhoud ervan juist daarvoor weergegeven (hetgeen dus geen probleem vormt), - op pagina 3-4 van het verzoekschrift een uitgebreid citaat staat in het Engels, zonder vertaling en dit terwijl de zakelijke inhoud ervan niet werd weergegeven. Meer bepaald situeert dit laatste citaat zich in de volgende alinea's van de tekst van het verzoekschrift : 'Er kan eveneens worden verwezen naar de verklaring van de heer Blockx in het schaderapport Broeckx & C° van 12 oktober 1992 (pag. 9)' : 'Volgt het citaat in de Engelse taal'. Uit deze feitelijke gegevens blijkt dus zeer duidelijk dat DFDS geen losinstructies heeft gegeven aan de BVBA Intraka.
  7. De Engelse tekst is hier niet louter 'illustratief' te noemen. Het betreft hier noch min, noch meer, een verder uitwerken van een stelling. Zonder het citaat zou de juist erop volgende tekst ('Uit deze feitelijke gegevens ...') immers een losse bewering inhouden. Het citaat behoort met andere woorden tot de argumentatie van (eiseressen). (Eiseressen) hebben zelfs in de Engelse tekst een bepaalde zin onderlijnd om er de nadruk op te leggen. Dit onderlijnen komt niet origineel voor in het door (eiseressen) neergelegde stuk met betrekking tot deze uitspraak. Deze handelwijze laat elke twijfel over de bedoeling van (eiseressen) om met dit citaat te argumenteren wegvallen. Het kan daarbij nogmaals benadrukt worden dat de zakelijke inhoud van dit citaat niet werd weergegeven. De zakelijke inhoud van dit citaat is meer bepaald niet : 'DFDS heeft geen losinstructies gegeven aan de BVBA Intraka'. Dit laatste is een gevolgtrekking die een voorafgaande lezing van het citaat nodig heeft.
  8. De argumentatie van (eiseressen) berust aldus mede op dit citaat (p. 3-4 van het verzoekschrift) in de Engelse taal, terwijl de inhoud van het citaat niet in de Nederlandse taal, taal van de rechtspleging is weergegeven. Omdat de voormelde argumentatie in het Engels is gesteld, zonder vertaling of weergave van de zakelijke inhoud in het Nederlands, is het verzoekschrift niet geheel in de taal der rechtspleging opgesteld en schendt het derhalve het artikel 24juncto, artikel 2, van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Deze wetsschending heeft tot gevolg, krachtens artikel 40, eerste lid, van dezelfde wet, dat het verzoekschrift nietig is, zowel naar de inhoud als naar de vorm.
  9. Om reden van nietigheid van het verzoekschrift is bijgevolg het hoger beroep AR 780/00 onontvankelijk". Grieven
  10. Eerste onderdeel Luidens artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor al de rechtscolleges in hoger beroep, voor de rechtspleging, de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld, hetzij te dezen overeenkomstig artikel 2, van voornoemde wet, het Nederlands. Uit voorgaande bepaling volgt dat de beroepsakte, die wordt neergelegd in een geschil, waarin door de rechter in eerste aanleg een vonnis in het Nederlands werd gewezen, zelf in het Nederlands zal moeten worden gesteld. Een akte wordt evenwel geacht aan deze voorwaarde te voldoen, zelfs indien zij anderstalige vermeldingen bevat, indien alle vermeldingen, vereist voor haar regelmatigheid, in de taal van de rechtspleging werden gesteld. Uit artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de akte van hoger beroep, met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep bij conclusie wordt ingesteld, op straffe van nietigheid vermeldt : de dag, de maand en het jaar, de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de eiser in hoger beroep, de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep, de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen, de rechter in hoger beroep, de plaats waar de gedaagde in hoger beroep akte moet laten nemen van zijn verklaring van verschijning, de uiteenzetting van de grieven, de plaats, de dag en het uur van verschijning, tenzij hoger beroep is ingesteld bij aangetekend schrijven. De akte vermeldt eventueel ook de naam van de advocaat van de eiser in hoger beroep. Andere vermeldingen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en zodoende ook niet vereist voor de rechtsgeldigheid van de akte van hoger beroep. Voor de nakoming van de verplichting om de uiteenzetting van de grieven te vermelden is het noodzakelijk maar voldoende dat de appellant zijn bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt ; die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusies voor te bereiden en om de appèlrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan. Die verplichting houdt niet in dat ook de middelen tot staving van de grieven moeten worden vermeld. Uit het voorgaande volgt dat het voor de eentaligheid van de beroepsakte noodzakelijk is, maar tevens volstaat, dat de grieven tegen de aangevochten beslissing worden gesteld in de taal waarin de beroepen beslissing werd gewezen. Hieruit volgt dat in zoverre het hof van beroep oordeelt dat alle beschouwingen of elementen, die de argumentatie van de appellant uitmaken en/of ter ondersteuning van die argumentatie worden aangevoerd in de akte tot hoger beroep, dienen gesteld te zijn in de taal van de rechtspleging, ongeacht of het hier een op straffe van nietigheid voorgeschreven grief betreft dan wel een middel of een argument ter ondersteuning van die grief uitmaakt, doet het hof van beroep uitspraak in miskenning van artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, waaruit volgt dat enkel de uiteenzetting van de grieven op straffe van nietigheid in de beroepsakte dient te worden vermeld en derhalve vereist is voor de regelmatigheid van de beroepsakte (schending van artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek), evenals van de Taalwet, waaraan is voldaan zodra blijkt dat alle vermeldingen, vereist voor haar regelmatigheid, in de taal van de rechtspleging werden gesteld (schending van artikelen 2, 24 en 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken).
  11. Tweede onderdeel Blijkens artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek dient de akte van hoger beroep op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven te bevatten. Voor de nakoming van de verplichting om de uiteenzetting van de grieven te vermelden is het noodzakelijk maar voldoende dat de appellant zijn bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt. Die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusies voor te bereiden en om de appèlrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan. Die verplichting houdt niet in dat ook de middelen tot staving van de grieven moeten worden vermeld. Te dezen werd door eiseressen bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 24 maart 2000, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, gewezen door de negende kamer van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen op 12 november 1999 (A.R. 93/13706), waartegen op dat ogenblik reeds hoger beroep werd ingesteld door de NV International Business Machines of Belgium bij deurwaardersexploot, betekend op 10 december
  12. Eiseressen verklaarden tegen deze beslissing hoger beroep in te stellen "voorzover hogervermeld beroep (van de NV IBM) ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard", verklaarden uitdrukkelijk hun beroep te richten tegen de BVBA Intraka, oorspronkelijke verweerster in tussenkomst en vrijwaring, en verzochten het hof van beroep, voorzover het mocht menen het eerste vonnis te moeten hervormen, hun eisen in vrijwaring, ingesteld lastens verweerster, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Zij lieten in de beroepsakte meer bepaald gelden dat de BVBA Intraka solidair aansprakelijk was met hen conform de bepalingen van artikel 34 C.M.R.-verdrag en dat zij bovendien ten opzichte van verweerster als tweede vervoerder beschikten over een verhaalsrecht overeenkomstig artikel 37 C.M.R.-verdrag, nu dit artikel de betaling van een schadevergoeding oplegt ten laste van de vervoerder die de schade heeft veroorzaakt en het vaststaat dat de schade zich had voorgedaan op het moment dat de heer Geudens, zaakvoerder van de BVBA Intraka, met geopende deuren achteruit reed in de losput met lichte helling. Ter staving van deze grief verwezen zij naar de verklaringen van de chauffeur van de vrachtwagen, de heer Blockx, naar het expertiserapport Thomas Howell en naar de verklaring van de heer Blockx in het schaderapport Broeckx & Co van 12 oktober
  13. Laatstgenoemde verklaringen kunnen weliswaar geenszins als grieven tegen het beroepen vonnis worden aangezien, doch maken hoogstens argumenten uit, aangevoerd ter ondersteuning van hun grieven tegen voornoemd vonnis. Deze beschouwingen, waarvan de vermelding geenszins door de wet is voorgeschreven, doen dan ook geenszins afbreuk aan het eentalig karakter van de beroepsakte. Hieruit volgt dat in zoverre het bestreden arrest aldus moet worden gelezen dat het hof van beroep oordeelt dat de beschouwingen, aangevoerd ter staving van een stelling of argumentatie, als een grief zijn te aanzien, miskent het bovendien het begrip "grief" (schending van artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek) en kon het zodoende niet wettig besluiten dat niet was voldaan aan de vereiste van eentaligheid (schending van artikelen 2, 24 en 40 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik van de talen in gerechtszaken). IV. Beslissing van het Hof
  14. Eerste onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de bepalingen, krachtens artikel 40, eerste lid, van dezelfde wet, zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid die van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken, voor al de rechtscolleges in hoger beroep, voor de rechtspleging de taal wordt gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld ; Dat hieruit volgt dat de akte van hoger beroep, bepaald in artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek, moet gesteld worden in de taal van de bestreden beslissing ; Overwegende dat een akte van de rechtspleging moet worden geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld ; Dat, overeenkomstig artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt ; Dat derhalve de akte van hoger beroep de uiteenzetting van de grieven in de taal van de rechtspleging moet vermelden ; Overwegende dat de appellant zelf oordeelt hoe gedetailleerd hij zijn grieven in de akte van hoger beroep uiteenzet ; Dat, wanneer de akte van hoger beroep tevens argumenten ter ondersteuning van de grieven bevat, zij tot de grieven behoren die in het debat worden gebracht en waarvan de geïntimeerde kennis moet kunnen nemen in de taal van de rechtspleging ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de argumenten ter ondersteuning van een grief in de akte van hoger beroep in een andere taal dan die van de rechtspleging mogen worden gesteld, faalt naar recht ;
  15. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat in de akte van hoger beroep de argumenten ter ondersteuning van een grief in een andere taal dan die van de rechtspleging mogen worden gesteld ; Dat uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd en elf euro tweeëndertig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van achttien oktober tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041018.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091116.7 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120105.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190301.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950529.17 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050307.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080606.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.