← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041019.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041019.6 Rolnummer: P.04.1045.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 492 - laatst gezien 2026-07-05 00:21 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 77bis, ,§ 1, Vreemdelingenwet is niet enkel van toepassing op vreemdelingen die gedurende min of meer lange tijd in het Rijk verblijven, maar geldt ook ten aanzien van vreemdelingen die op doorreis zijn en dit van zodra er sprake is van een zekere onvrijheid of onvrijwilligheid

(1).
(1)Zie Cass., 22 juni 1999, AR P.99.0611.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990622.7, nr
  1. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: VREEMDELINGEN Artikel 77bis, ,§ 1, Vreemdelingenwet Vreemdelingen op doorreis Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - Art.77bis,§1 Tekst van de beslissing Nr. P.04.1045.N
  2. S. M., alias K. M.,
  3. R. N.,
  4. M. N.,
  5. H. A., met als raadslieden Mr. Annelies Lambrecht, advocaat bij de balie te Antwerpen en Mr. Geert Dewispelaere, advocaat bij de balie te Gent,
  6. M. E., eisers, beklaagden, tegen
  7. CENTRUM VOOR GELIJKHEID VAN KANSEN EN BESTRIJDING VAN RACISME, autonome openbare dienst, met zetel te Brussel, Wetstraat 155,
  8. PAG-ASA, vzw, met zetel te Brussel, Cellebroerstraat 16b, verweerders, burgerlijke partijen. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 26 mei 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Dirk Debruyne heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser H. A. stelt in een memorie middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De eiser S. M. stelt in een memorie grieven voor. IV. Beslissing van het Hof A. Afstand Overwegende dat de eiser M. E. afstand doet van zijn cassatieberoep; B. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser S. M. Overwegende dat de memorie ter griffie is ontvangen buiten de termijn bepaald bij artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; Dat de memorie niet ontvankelijk is; C. Onderzoek van het middel van de eiser H. A. Overwegende dat artikel 77bis, ,§ 1, Vreemdelingenwet bepaalt: "Hij die, op welke manier ook, ertoe bijdraagt, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een vreemdeling het Koninkrijk binnenkomt, er via doorreist of er verblijft, wanneer hij daarbij: 1° ten opzichte van de vreemdeling direct of indirect gebruik maakt van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige andere vorm van dwang; 2° of misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin de vreemdeling verkeert ten gevolge van een onwettige of precaire administratieve toestand, of van zijn staat van minderjarigheid of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid; wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro"; Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, dit artikel niet enkel van toepassing is op vreemdelingen die gedurende min of meer lange tijd in het Rijk verblijven, maar ook geldt ten aanzien van vreemdelingen die op doorreis zijn en dit van zodra er sprake is van een zekere onvrijheid, of onvrijwilligheid; Dat het aan de rechter staat daarover te oordelen; Dat het middel faalt naar recht; D. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat, wat de beslissing op de strafvordering betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent de eiser M. E. akte van de afstand; Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van vierhonderd tweeëntwintig euro achtenzeventig cent, waarvan
  9. op het cassatieberoep van S. M. : honderd dertien euro zesenveertig cent verschuldigd,
  10. op het cassatieberoep van R. N. : zevenenzeventig euro drieëndertig cent verschuldigd,
  11. op het cassatieberoep van M. N. : zevenenzeventig euro drieëndertig cent verschuldigd,
  12. op het cassatieberoep van H. A. : zevenenzeventig euro drieëndertig cent verschuldigd en
  13. op het cassatieberoep van M. E. : zevenenzeventig euro drieëndertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van negentien oktober tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041019.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990622.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.