← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art.341

Fiches 4 - 5 De bodemrechter stelt op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt; de gevolgen die hij daaruit afleidt als feitelijke vermoedens worden aan zijn oordeel en beleid overgelaten en het is niet vereist dat die vermoedens noodzakelijk uit die feiten volgen; het Hof gaat slechts na of de rechter het rechtsbegrip "feitelijke vermoedens" niet heeft miskend en meer bepaald of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft gemaakt die op grond van die feiten geenszins kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Cass., 28 jan. 1999, AR F.98.0097.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990128.15, nr 52; Cass., 22 maart 2001, AR F.99.0132.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010322.5, nr 156. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Vermoedens Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Vermoedens Feitelijke vermoedens Onaantastbare beoordeling door de bodemrechter Hof van Cassatie Toetsing Wettelijke bepalingen:

Art.340

Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Vermoedens Feitelijke vermoedens Inkomstenbelastingen Aanslagprocedure Onaantastbare beoordeling door de bodemrechter Hof van Cassatie Toetsing Wettelijke bepalingen:

Art.340Fiches 6 - 8 Concl.

adv.-gen. m.o. D. THIJS, Cass., 22 okt. 2004, AR F.03.0028.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Wettelijk vermoeden Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Vermoedens Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Vermoedens Feitelijke vermoedens Onaantastbare beoordeling door de bodemrechter Hof van Cassatie Toetsing Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Vermoedens Feitelijke vermoedens Inkomstenbelastingen Aanslagprocedure Onaantastbare beoordeling door de bodemrechter Hof van Cassatie Toetsing Nota: F.03.0028.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:

  1. Eisers werden over de aanslagjaren 1993, 1994 en 1995 belast op grond van tekenen en indiciën waarbij het weerhouden een indiciair tekort belast werd als bezoldiging werkend vennoot met toepassing van een belastingvermeerdering wegens gebrek aan voorafbetalingen en een belastingverhoging van respectievelijk 1O % (aj. 1993) en 2O % (aj. 1994 en 1995). Bij het thans bestreden arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 11 maart 2OO3 werd de fiscale voorziening van eisers verworpen. De appelrechters oordeelden dat het indiciair tekort terecht werd belast als bezoldigingen van een werkend vennoot nu de belastingplichtige werkend vennoot is, en dat eisers ten onrechte de opgelegde belastingverhoging en vermeerdering wegens gebrek aan voorafbetalingen betwisten.
  2. In het tweede onderdeel van het tweede middel voeren eisers vooreerst schending aan van een aantal bepalingen van het W.I.B. 1992, waaronder artikel 341, argumenterend dat "het hof van beroep, dat bij het bestreden arrest zonder meer besluit dat het indiciair tekort te kwalificeren is als een beroepsinkomen, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt"(tekstmarkering toegevoegd). Ook deze grief berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag. Het arrest heeft immers niet geoordeeld dat het indiciair tekort op grond van artikel 341 W.I.B. 1992 "per definitie" of "zonder meer" als een beroepsinkomen moet worden gekwalificeerd, nu het slechts tot die bevinding is gekomen op grond van het gegeven dat eiser werkend vennoot is. De onder het onderdeel aangevoerde schending van artikel 157 W.I.B. 1992 is niet ontvankelijk, nu de grief volkomen is afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van de fiscale wetsbepalingen waarvan hoger sprake. Tenslotte voeren eisers schending aan van de bewijsregels inzake het bewijs door vermoedens, stellende dat het hof van beroep op grond der gedane feitelijke vaststellingen niet wettig kon besluiten dat het indiciair tekort als een beroepsinkomen moest aanzien worden. Overeenkomstig de rechtspraak van Uw Hof stelt de bodemrechter op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt; de gevolgen die hij daaruit afleidt als feitelijke vermoedens worden aan zijn oordeel en beleid overgelaten en het is niet vereist dat die vermoedens noodzakelijk uit die feiten volgen; het is voldoende dat ze eruit kunnen volgen (Cass., 22 maart 2OO1, A.C., 2OO1, nr. 156). Uw Hof gaat slechts na of de rechter het rechtsbegrip "feitelijke vermoedens" niet heeft miskend of gedenatureerd en meer bepaald of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft gemaakt die op grond van die feiten geenszins kunnen worden verantwoord (Cass., 28 januari 1999, A.C., 1999, nr. 52; Cass., 21 december 199O, A.C., 1989-9O, nr. 218; Cass., 22 maart 199O, A.C., 1989-9O, nr. 441). Uit het feitelijk gegeven dat eiser werkend vennoot was, vermochten de appelrechters af leiden dat de belastbare inkomsten die op grond van de vastgestelde indiciaire tekorten zijn bepaald, bezoldigingen van werkend vennoot uitmaken. De grief kan zodoende niet worden aangenomen.
  3. Ten overvloede weze opgemerkt dat in de rechtspraak en rechtsleer herhaaldelijk gediscussieerd werd over de vraag of een indiciair tekort wijst op een supplementair bedrijfsinkomen, dan wel op een supplementair inkomen van onbepaalde oorsprong (cfr. A. TIBERGHIEN, Handboek voor fiscaal recht, 1999, nr. 1725 en de aldaar opgenomen verwijzingen). Uw Hof oordeelde in dit verband niet alleen dat de belastbare inkomsten die vastgesteld worden op grond van tekenen en indiciën inkomsten zijn van het belastbaar tijdperk, maar ook dat deze inkomsten bedrijfsinkomsten zijn. In diverse arresten stelde Uw Hof met name dat "krachtens artikel 247 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, de uitgaven, bestedingen, investeringen en toenamen van vermogen vastgesteld tijdens een belastbaar tijdperk, die zijn aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, geacht worden, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige, voort te komen uit belastbare inkomsten, te weten (of dit is uit) bedrijfsinkomsten verkregen tijdens het belastbaar tijdperk (Cass., 26 april 2OO1, A.R. nr. F.99.O164.N, onuitg.; Cass., 2 januari 1997, A.R. nr. F.96.OO74.F, A.C., 1997, nr. 3; Cass., 8 oktober 1993, A.R. nr. F.1972.N, inzake PRINZIE, onuitg. (zie afschrift in bijlage aan st. 9 van het procedurebundel); Cass., 4 januari 1991, A.R. nr. F.18O3.N, A.C., 1991, nr. 255; Cass., 21 december 1982, A.C., 1982-83, nr. 242; F.J.F., 1983, nr. 68; Cass., 22 november 1966, Pas., 1967, I, 382). Verwijzend naar deze cassatierechtspraak neemt de Administratie aan dat het bestaan van een indiciair tekort met toepassing van artikel 157 van voormeld wetboek aanleiding kan geven tot de toepassing van een belastingvermeerdering wegens geen of ontoereikende voorafbetalingen (Vr. nr. 133O van 21 april 1998, DIDDEN, Vr. en Antw. Kamer, 1997-98, 19954). In antwoord op een parlementaire vraag van senator Peeters (nr. 135 van 14 maart 1983, Bull. Bel., 1983, nr. 619, p. 1822) antwoordde de Minister van Financiën dat voor belastingplichtigen die een beroepswerkzaamheid uitoefenen waarvan het bedrag van de inkomsten niet met zekerheid kan worden bepaald (bijvoorbeeld bij kelners, dienstboden) de meerinkomsten geacht worden uit die beroepswerkzaamheid voort te vloeien. In andere gevallen van loontrekkers of gepensioneerden worden de bevonden meerinkomsten geacht "gezamenlijk belastbare inkomsten van onbepaalde oorsprong " te zijn. De fiscale behandeling van een belastingplichtige met een zelfstandige beroepswerkzaamheid kwam reeds aan bod in een parlementaire vraag van
  4. Wanneer de belastingplichtige een zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefent, moet volgens de Minister worden aangenomen dat de aldus vastgestelde meerinkomsten voortvloeien uit die werkzaamheid, behoudens indien het tegendeel door de belastingplichtige of de administratie aan de hand van wel bepaalde feitelijke gegevens wordt bewezen (Parl. Vr. nr. 11 van 9 november 1976, DE VIDTS, Vr. en Antw. Kamer, 1976-77, 213, Bull. Bel., 1976, 548, p. 327). De rechtsleer is van oordeel dat niet automatisch mag worden aangenomen dat de belastbare inkomsten die vastgesteld worden op grond van tekenen en indiciën bedrijfsinkomsten zijn. Een dergelijke interpretatie zou volgens de auteurs geen steun vinden in de tekst van de wet of in de voorbereidende werken (Zie o.m. M. BALTUS, "L'étonnante extension du champ d'application de la présomption légale attachée aux signes et indices d'aisance", J.D.F., 1997, 23O-231; G. GEMIS, noot onder Antwerpen, 19 maart 1985, A.F.T., 1986, 133; W. HUBER, "Bewijs en verweer bij indiciaire taxatie", A.F.T., 1996, nr. 4, 1O). Auteur Luc MAES ontleedt de geciteerde cassatierechtspraak rekening houdend met de evolutie van ons belastingstelsel. Wanneer de administratie gebruik maakt van de taxatie volgens tekenen en indiciën, maakt zij een globale raming van het belastbaar inkomen. De belastbare grondslag waarop rijksinwoners belast worden bestaat uit verschillende inkomstencategorieën, met name de onroerende, de roerende, de diverse en de bedrijfsinkomsten (artikel 6 W.I.B.). De belastbare grondslag die op grond van indiciën wordt vastgesteld, omvat bijgevolg de totaliteit van de inkomsten, zonder dat het nog nodig is om de aard van de betrokken inkomsten aan te duiden. Sinds de ingrijpende fiscale hervorming van de inkomstenbelastingen in 1962 bestaat er in de personenbelasting nog maar één grondslag, namelijk het netto globaal inkomen. De cassatierechtspraak die het vastgesteld meerinkomen zonder meer als een bedrijfsinkomen bestempelt, zou volgens de auteur te wijten zijn aan de vele arresten die werden gewezen betreffende het cedulaire belastingstelsel. In dat stelsel kon de indiciaire taxatie aangewend worden om de belastbare grondslag te bepalen in de bedrijfsbelasting, zodat de uitgevoerde raming dan ook een bedrijfsinkomen opleverde. Maar na de hervorming van 1962 zou de automatische kwalificatie als bedrijfsinkomen niet meer mogelijk zijn (L. MAES, "Recente ontwikkelingen in de taxatie volgens tekenen en indiciën", in Liber Amicorum Albert Tiberghien, 1984, 288; L. MAES, "de aanslag op grond van tekenen en indiciën. Evolutie van de indiciaire belastingheffing in 5O jaar", T.F.R., 1988, 229-23O). "Slechts in één geval zou men (volgens deze auteur) kunnen beschouwen dat het vermoedelijk meerinkomen voortvloeit uit de beroepsactiviteit, namelijk als het vast en zeker is dat de belastingplichtige enkel en alleen zijn beroepsactiviteit heeft uitgeoefend, geen occassionele prestaties heeft verricht en uit geen enkele andere bron inkomsten heeft behaald" (L. MAES, o.c., T.F.R., 1988, 23O, randnr. 24, in fine). Ik kan mij aansluiten bij dit standpunt dat door de administratie in de praktijk gevolgd wordt en de toetsing door de fiscale kamers van de hoven van beroep in de regel kon doorstaan (cfr. Gent, 25 oktober 2OO1, inzake BOTHUYNE Jackie en TAELMAN Ingrid, nr. 1997/FR/95, gewezen in een casus waarbij de administratie, zoals ten deze, de niet aangeven inkomsten als bedrijfsinkomsten kwalificeert omdat de belastingplichtigen enkel inkomsten heeft als werkend vennoot hadden aangegeven, hetgeen volgens het Hof het causaal verband verklaart dat de administratie legt tussen het indiciair tekort en de aangegeven inkomsten; In dezelfde zin: Gent, 19 januari 2OOO, bijl. 2 aan st. 9 van de procedurebundel; Antwerpen, 18 februari 1997, laatste bijl. aan st. 9 van de procedurebundel; Antwerpen, 14 september 1993, F.J.F., nr. 94/63). De fiscale wetgeving belet overigens niet dat de fiscale administratie bij de taxatie kan gebruik maken van de verschillende bewijsmiddelen die haar ter beschikking staan. In de gevallen waarin de administatie het bestaan heeft aangetoond van een indiciair tekort op grond van artikel 341 W.I.B. 1992, is zij gerechtigd bij toepassing van artikel 34O W.I.B. 1992 het bewijs te leveren dat de aldus vastgestelde inkomsten voortkomen van een beroepsinkomen. Uit het feitelijk gegeven dat belastingplichtige blijkens de fiscale aangiften werkend vennoot is, kan bij wijze van feitelijke vermoedens worden afgeleid dat de te verantwoorden inkomsten behaald werden in het kader van die beroepsactiviteit. In een arrest van 4 mei 2OOO stelde Uw Hof "dat (de) belastingvermeerdering (wegens gebrek aan of onvoldoende voorafbetalingen) ook geldt indien de in het vermelde art. 89, ,§ 1, W.I.B. bedoelde winsten, bezoldigingen en baten, blijken uit een krachtens art. 247 van het W.I.B. 1964 (thans art. 341 W.I.B. 1992) vastgesteld indiciair tekort" (Cass., 4 mei 2OOO, A.C., 2OOO, nr. 272). Uit deze rechtspraak blijkt dat eens de belastbare basis is vastgesteld via tekenen en indiciën en voor zover de inkomsten een zekere kwalificatie krijgen, dienen aan de aldus vastgestelde inkomsten dezelfde rechtsgevolgen te worden gehecht als aan inkomsten met dezelfde kwalificatie die op een andere wijze wettelijk zouden zijn aangetoond (H. SYMOENS, "Belastingvermeerdering op inkomsten vastgesteld volgens tekenen en indiciën", T.F.R., juni 2OOO, nr. 184, 639). Gelet op de uitdrukkelijke verwijzing van artikel 157 W.I.B. 1992 naar welbepaalde categorieën van beroepsinkomsten, kan m.i. bij gebreke aan een uitdrukkelijke kwalificatie van de indiciaire belastbare grondslag als één van die categorieën geen belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen worden toegepast. Nu in casu niet werd betwist dat eiser in cassatie een werkend vennoot is, terwijl uit niets blijkt dat hij een andere activiteit zou hebben uitgeoefend tijdens de kwestieuze belastbare tijdperken, vermocht de administratie op grond van feitelijke vermoedens (artikel 34O W.I.B.) het indiciair tekort te kwalificeren als bezoldigingen van werkend vennoot onderworpen aan vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen. Tenslotte dient de aandacht te worden gevestigd op de context van artikel 341 W.I.B. 1992 dat de fiscale administratie toelaat tot belastingheffing over te gaan in de gevallen waarin de belastingplichtige uitgaven heeft gedaan die hij op grond van de door hem aangegeven inkomsten niet had kunnen doen. Wil het belastingbestuur op een efficiënte wijze gebruik kunnen maken van de indiciaire taxatiemethode om de belastingheffing zo dicht mogelijk te laten aansluiten bij de realiteit, veronderstelt zulks dat zij in het kader van het wettelijk vermoeden dat door deze wetsbepaling wordt ingesteld, over de mogelijkheid beschikt het indiciair tekort een zekere kwalificatie te geven, en dit inzonderheid kan belasten als winst, baten of bezoldigingen van bestuurders en werkende vennoten als de elementen daartoe voorhanden zijn (cfr. supra). De belastingplichtige die bedoelde inkomsten heeft verzwegen, die niet alleen onderworpen zijn aan belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetaling maar ook onderhevig zijn aan sociale lasten, zal er immers geen belang bij hebben in het kader van een indiciaire taxatie op een inkomen van onbepaalde oorsprong de ware aard van de ontdoken inkomsten, waarmee de niet gerechtvaardigde uitgaven werden gedaan, vrij te geven. Anderzijds beschikt de belastingplichtige die indiciair wordt belast op winsten, baten of bezoldigingen van bestuurder en werkende vennoten, uiteraard over de mogelijkheid de kwalificatie van de inkomsten te betwisten en kan hij door middel van positieve en controleerbare gegevens aantonen dat de te rechtvaardigen uitgaven werden gedaan met inkomsten die niet voortspruiten uit zijn zelfstandige beroepsactiviteit.
  5. In het derde onderdeel van het tweede middel voeren eisers aan dat het arrest niet heeft geantwoord op het in besluiten gevoerd verweer stellende dat in de berichten van wijziging m.b.t. de aanslagjaren 1994 en 1995 diende te zijn gemotiveerd waarom een belastingverhoging van 2O % werd opgelegd nu zulks overeenkomstig artikel 226 K.B./W.I.B. 1992 slechts kan in geval van een tweede overtreding van een onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken. Het onderdeel komt gegrond voor nu het arrest slechts oordeelt dat eisers ten onrechte de opgelegde belastingverhoging betwisten nu, na de vaststelling van een indiciair tekort, de belastingverhoging niet kan worden tenietgedaan. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest in zoverre het uitspraak heeft gedaan over de voor de aanslagjaren 1994 en 1995 opgelegde belastingverhoging. ARREST Tekst van de beslissing Nr. F.03.0028.N
  6. P.J., en zijn echtgenote,
  7. P.M., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de directeur de Directe Belastingen te Antwerpen, eerste directie, Italiëlei 4, bus 2 verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat
  8. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 maart 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Feiten Het bestreden arrest bevestigt een beslissing van de gewestelijke directeur van de directe belastingen die het bezwaar slechts gedeeltelijk inwilligt gericht tegen de indiciaire aanslagen voor het : • aanslagjaar 1993, kohierartikel 759451863 • aanslagjaar 1994, kohierartikel 76548235 • aanslagjaar 1995, kohierartikel 779849810 IV. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. V. Beslissing van het Hof Eerste middel Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel alleen betrekking heeft op de aanslag voor het aanslagjaar 1994 gevestigd onder kohierartikel 76548235 ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat de eisers het vermoeden van artikel 341 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen

(1992)dienen te weerleggen door aan te tonen dat de hogere graad van gegoedheid voorkomt uit inkomsten die verkregen zijn voor het belastbaar tijdperk of uit andere inkomsten dan die welke belastbaar zijn in de inkomstenbelastingen ; Dat de appèlrechters gelet op dit oordeel niet moesten antwoorden op het doelloos geworden verweer waarbij de eisers het indiciair tekort voor het inkomstenjaar 1993 trachtten te verantwoorden door te verwijzen naar een opname op 23 maart 1994, dat wil zeggen na het belastbaar tijdperk, van 211.182 S. bij de bank A. S. in Israël ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 1.1. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel alleen betrekking heeft op de aanslag voor het aanslagjaar 1995 gevestigd onder kohierartikel 779849810 ; Overwegende dat de eisers tot verantwoording van het vastgestelde indiciair tekort aanhaalden dat zij in het jaar 1994 een bedrag van 200.000 dollar hebben geleend van Jenling Trading Ltd en tot bewijs hiervan een bevestiging van de leninggever en een bevestiging van de Kredietbank dat hun rekening voor de tegenwaarde in Belgische frank is gecrediteerd, voorlegden ; Dat de appèlrechters bedoeld verweer verwerpen met de overweging dat de lening van 200.000 dollar niet voldoende is bewezen om als controleerbaar tegenbewijs te gelden ; dat zij daardoor te kennen geven dat de voorgelegde stukken niet van aard zijn het effectief bestaan van de aangevoerde lening geloofwaardig te staven ; Dat de appèlrechters met deze motivering het verweer van de eisers verwerpen, zodoende hun conclusie beantwoorden, en de beslissing regelmatig met redenen omkleden ; Overwegende dat de appèlrechters door hun voormelde beslissing in feite de bewijswaarde van de voorgelegde stukken beoordelen, maar niet oordelen dat een tegenbewijs niet kan worden geleverd aan de hand van een bevestiging van de leninggever of van de bank ; Dat het onderdeel in zoverre het miskenning aanvoert van de regels inzake de bewijsmiddelen, berust op een verkeerde lezing van het arrest ; Overwegende dat de rechter die de bewijswaarde beoordeelt van hem voorgelegde bewijsstukken en beslist dat deze stukken het vereiste bewijs niet bijbrengen, het recht van verdediging niet schendt ; Overwegende dat het onderdeel in zoverre het een schending van artikel 341 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)aanvoert, uitgaat van de vergeefs aangevoerde stelling dat de bewijsstukken die eisers hebben voorgelegd een voldoende bewijs inhouden tot verantwoording van het door de administratie vastgestelde indiciair tekort ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
  1. Tweede middel 2.
  2. Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters die tot staving van hun beslissing verwijzen naar rechtspraak van het Hof van Cassatie in gelijkaardige zaken, aan deze rechtspraak geen algemene en als regel geldende draagwijdte toekennen ; Overwegende dat de appèlrechters hun beslissing steunen op de eigen uitlegging van de wet, terwijl zij slechts naar de rechtspraak van het Hof verwijzen als toetssteen van hun eigen beslissing ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2.
  3. Tweede onderdeel Overwegende dat artikel 341 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bepaalt dat, behoudens tegenbewijs de raming van de belastbare grondslag mag worden gedaan volgens tekenen en indiciën, waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten ; Dat krachtens die bepaling de uitgaven tijdens een belastbaar tijdperk vastgesteld en aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, worden vermoed voort te komen van belastbare inkomsten ; Dat uit artikel 341 niet volgt dat de belastbare inkomsten die op grond van het vastgestelde indiciair tekort worden vastgesteld, worden vermoed uit een beroepsactiviteit voort te komen ; Dat het aan de administratie, die op grond van het vermoeden vervat in artikel 341 het bestaan van niet aangegeven inkomsten aantoont, behoort het bewijs te leveren dat deze inkomsten een beroepsinkomen uitmaken ; Overwegende dat de administratie dit bewijs kan leveren aan de hand van de bewijsmiddelen die haar krachtens artikel 340 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)ter beschikking staan ; Dat zulks impliceert dat bedoeld bewijs kan geleverd worden op grond van feitelijke vermoedens ; Overwegende dat de bodemrechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt ; dat de gevolgen die hij daaruit afleidt als feitelijke vermoedens aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten en het niet vereist is dat die vermoedens noodzakelijk uit die feiten volgen ; dat het voldoende is dat ze eruit kunnen volgen ; Dat het Hof slechts nagaat of de rechter het rechtsbegrip "feitelijke vermoedens" niet heeft miskend en meer bepaald of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft gemaakt die op grond van die feiten geenszins kunnen worden verantwoord ; Overwegende dat uit het feitelijk gegeven dat eiser werkend vennoot was, de appèlrechters vermochten af leiden dat de belastbare inkomsten die op grond van de vastgestelde indiciaire tekorten werden bepaald, afkomstig zijn van zijn beroepsactiviteit van werkend vennoot ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2.3. Derde onderdeel Overwegende dat de eisers hebben geconcludeerd zoals aangehaald in het onderdeel ; Dat de appèlrechters het bedoelde verweer niet beantwoorden, mitsdien hun beslissing niet regelmatig met redenen omkleden ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de toegepaste belastingverhoging handhaaft ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.18 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091016.3 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141121.4 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150312.11 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151130.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160415.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940412.5 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970102.6 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970217.6 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990128.15 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000927.10 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010322.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010409.3 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010521.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041001.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050106.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081029.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.