id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.19 Rolnummer: C.02.0518.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-08-01 Raadplegingen: 466 - laatst gezien 2026-07-05 02:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter is niet zonder rechtsmacht wanneer een partij vrijwillig is tussengekomen in het geding, conclusies neemt en zich verdedigt ten aanzien van de andere partijen die tegen haar hebben geconcludeerd nog voor zij tussenkwam in het geding, en de partijen vervolgens voor de rechter verschijnen om een vonnis te vragen zonder op te werpen dat de voortijdige vordering niet ontvankelijk zou zijn
(2)Het O.M. was van mening dat het instellen van een vordering door het neerleggen van een conclusie tegen een derde die (nog) geen partij is, een onregelmatige wijze van rechtsingang uitmaakt, een regel miskent die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass., 30 okt. 1997, AR C.96.0291.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971030.4, nr 437) en de ontoelaatbaarheid van de vordering tot gevolg heeft. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: VORDERING IN RECHTE Burgerlijke zaken Rechtsingang Tussenvordering tussen partijen in het geding Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.809 Tekst van de beslissing Nr. C.02.0518.N 1.WINTERTHUR-EUROPE-VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 1.459, 2.FORTIS AG, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 345.622, 3.S.T. eisers, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.G.F. verweerder, en ten aanzien van AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, tot bindendverklaring opgeroepen partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 11 januari 2000 en op 25 april 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 13 tot en met 16, 700, 706, 807 tot 810, 812, 813, 1042, 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel). Aangevochten beslissingen De appèlrechters heropenen in het bestreden arrest van 11 januari 2000 de debatten op grond dat het hof van beroep zich vragen stelt over de toelaatbaarheid van de vorderingen door de eisers bij conclusies ingesteld tegen verweerder op het ogenblik dat deze nog geen partij was in het geding, en verklaren in het bestreden arrest van 25 april 2000 de door de eisers tegen verweerder ingestelde vorderingen niet toelaatbaar op grond van de overwegingen dat : "
- De procedure Eerste aanleg (...) dat de oorspronkelijke vordering, ingeleid door (tweede en derde eisers) bij dagvaarding op 9 december 1992 betekend aan (eerste eiseres), ertoe strekte veroordeling te bekomen van (eerste eiseres) tot betaling van de som van 209.000 BEF, meer de vergoedende interesten vanaf 31 oktober 1991 aan (tweede eiseres), de som van 15.400 BEF, meer de vergoedende interesten sedert 29 augustus 1991 aan (derde eiser), de gerechtelijke interesten en de kosten uit hoofde van de schadelijke gevolgen van een verkeersongeval van 29 augustus 1991 ; (...) dat (eerste eiseres), bij conclusies op 26 maart 1993 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg neergelegd een vordering instelde lastens (verweerder) waarbij zij veroordeling vorderde van (verweerder) tot betaling van de som van 256.112 BEF, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf de uitbetaling, de gerechtelijke interesten en de kosten ; (...) (tweede eiseres) haar vordering, bij conclusies op 10 november 1993 ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel neergelegd, heeft uitgebreid en (tweede en derde eisers) bij deze conclusies eveneens een vordering ingesteld hebben lastens (verweerder) en de veroordeling vorderden solidair, in solidum of de ene bij gebreke aan de andere van (eerste eiseres) en (verweerder) tot betaling aan (tweede eiseres) van de som van 288.092 BEF, meer de vergoedende interesten sedert 31 oktober 1991, datum van betaling, aan (derde eiser) van de som van 15.400 BEF, meer de vergoedende interesten sedert 29 augustus 1991, de gerechtelijke interesten en de kosten ; (...) dat (verweerder), bij conclusies op 19 april 1994 ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel neergelegd, akte vroeg van zijn vrijwillige tussenkomst in de procedure en de veroordeling vorderde van (eerste eiseres) tot betaling van de som van 115.327 BEF, te vermeerderen met de vergoedende interesten sinds 29 augustus 1991, de gerechtelijke interesten en de kosten ; (...) dat de (in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij), bij conclusies op 15 juli 1994 ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel neergelegd, akte vroeg van haar vrijwillige tussenkomst en de veroordeling vorderde van (eerste eiseres) tot betaling van de som van 50.140 BEF te vermeerderen met de vergoedende interesten sinds 5 december 1991, de gerechtelijke interesten en de kosten ; (...) dat het bestreden vonnis alle ingestelde vorderingen ontvankelijk verklaarde maar enkel de tegen (eerste eiseres) gerichte vorderingen gegrond verklaarde ; Beroep (...) dat (eerste eiseres) om de hervorming van dit vonnis vraagt, dat zij het (hof van beroep) vraagt de lastens haar ingestelde vorderingen als ongegrond af te wijzen en haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren en bijgevolg (verweerder) te veroordelen tot betaling van de som van 256.112 BEF, te vermeerderen met de vergoedende interesten sinds de uitbetaling, de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten ; (...) dat (tweede en derde eisers) om de bevestiging van het bestreden vonnis vragen en in ondergeschikte orde, voor zover het (hof van beroep) zou oordelen dat het hoger beroep van (eerste eiseres) gegrond is, incidenteel hoger beroep aantekenen en de veroordeling vorderen van (eerste eiseres) en (verweerder) tot betaling solidair, in solidum of de ene bij gebreke aan de ander, aan (tweede eiseres) van de som 288.092 BEF, meer de vergoedende interesten sedert 31 oktober 1991, datum van betaling en aan (derde eiser) van de som van 15.400 BEF, meer de vergoedende interesten sedert 29 augustus 1991, de gerechtelijke interesten en de kosten ; (...) dat de (in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) om de bevestiging van het bestreden vonnis vraagt ; (...) dat (verweerder) eveneens om de bevestiging van het bestreden vonnis vraagt en vraagt dat de door (tweede en derde eisers) ingestelde incidentele beroepen als ongegrond zouden worden afgewezen.
- Beoordeling 3.
- De vorderingen van (de eisers) lastens (verweerder). (...) dat (de eisers) lastens (verweerder) een vordering hebben ingesteld op het ogenblik dat (verweerder) geen partij was in het geding ; (...) dat de rechter, behoudens wettelijke uitzonderingen die hier niet terzake zijn zonder rechtsmacht is om uitspraak te doen over een vordering die bij hem ingesteld wordt tegen een persoon die geen partij is in het geding ; dat deze regel van openbare orde is ; (...) dat noch artikel 864 Ger. W., noch artikel 867 Ger. W. terzake van toepassing zijn ; dat het immers niet gaat om een verzuimde of onregelmatig verrichte vorm van een proceshandeling maar over het feit dat een vordering wordt tegen iemand die geen partij is in het geding ; (...) dat de door (de eisers) lastens (verweerder) ingestelde vorderingen dan ook als niet toelaatbaar dienen te worden afgewezen ; dat de eerste rechter deze vorderingen ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard en het bestreden vonnis op dit vlak dient hervormd te worden". Grieven
- Eerste onderdeel Artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. Deze regel met betrekking tot de rechtsingang ressorteert onder de gerechtelijke organisatie en raakt derhalve de openbare orde. Terzake werd de hoofdvordering, dit is de vordering van tweede en derde eisers tegen eerste eiseres bij dagvaarding gebracht voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, zodat de rechtsingang regelmatig verlopen was. Verweerder kwam in het geding tussen bij verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van 19 april
- Over de regelmatigheid van deze tussenkomst overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 16, 812 en 813 van het Gerechtelijk Wetboek bestond er geen betwisting. Uit deze vaststellingen blijkt dat de rechtsingang regelmatig verlopen is en dat de eerste rechter derhalve rechtsmacht had om uitspraak te doen over het gehele tussen partijen bestaande geschil. Minstens moet aangenomen worden dat de rechtsingang gebeurde door vrijwillige verschijning van de partijen overeenkomstig artikel 706 van het Gerechtelijk Wetboek, nu alle partijen de rechter vroegen uitspraak te doen over het gehele tussen partijen bestaande geschil. De vaststelling dat eerste eiseres bij conclusie van 26 maart 1993 en tweede en derde eisers bij conclusie van 10 november 1993 vorderingen instelden tegen verweerder op een ogenblik dat deze nog niet vrijwillig was tussengekomen en derhalve nog geen partij was in het geding, doet geen afbreuk aan de regelmatigheid van de rechtsingang. De eerste rechter was immers regelmatig geadieerd door de dagvaarding en het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst. De vraag naar de ontvankelijkheid van de door eisers tegen verweerder ingestelde incidentele vorderingen raakt de openbare orde niet. Verweerder betwistte de ontvankelijkheid van de tegen hem ingestelde vorderingen niet. Verweerder vroeg in zijn verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst immers niet enkel aan de eerste rechter uitspraak te doen over de door hem tegen eerste eiseres ingestelde vordering, maar vroeg tevens de door eisers tegen hem ingestelde vorderingen te verwerpen. Verweerder vroeg de eerste rechter derhalve uitspraak te doen over de gehele betwisting die tussen partijen bestond, met inbegrip van de vorderingen die eisers tegen verweerder hadden ingesteld. Door de debatten te heropenen en partijen uit te nodigen om te concluderen over de ontvankelijkheid van de vorderingen van de eisers tegen verweerder en door vervolgens de vorderingen die de eisers voor de eerste rechter tegen verweerders instelden niet ontvankelijk te verklaren, werpen de appèlrechters een betwisting op die tussen partijen niet bestond, en die de openbare orde niet raakt, noch van dwingend recht is en schenden zij het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding, het beschikkingsbeginsel genoemd, onder meer verwoord in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Door verder te beslissen dat de vorderingen die door de eisers werden ingesteld tegen verweerder niet toelaatbaar zijn op grond dat zij werden ingesteld op het ogenblik dat verweerder geen partij was in het geding en de rechter zonder rechtsmacht is om uitspraak te doen over een vordering die bij hem ingesteld wordt tegen een persoon die geen partij is in geding, hoewel de rechtsingang op regelmatige wijze bij dagvaarding en verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst gebeurde en alle partijen vonnis vroegen over het gehele geschil, met inbegrip van de vorderingen die de eisers tegen verweerder instelden, schenden de appèlrechters de artikelen 13 tot en met 16, 700, 706, 812 en 813 van het Gerechtelijk Wetboek.
- Tweede onderdeel Luidens het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding, het beschikkingsbeginsel, onder meer verwoord in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen de partijen in een burgerlijk geschil zelf de grenzen ervan en komt het de rechter niet toe ambtshalve een geschilpunt, door de conclusies van partijen uitgesloten, op te werpen dat de openbare orde niet raakt, noch van dwingend recht is. De eisers stelden voor de eerste rechter bij conclusies van 26 maart 1993 (eerste eiseres) en van 10 november 1993 (tweede en derde eisers) vorderingen in tegen verweerder op het ogenblik dat deze nog geen partij was in het geding. Verweerder vroeg immers pas op 19 april 1994 akte van zijn vrijwillige tussenkomst in de procedure. De eerste rechter verklaarde alle ingestelde vorderingen ontvankelijk en verklaarde de tegen eerste eiseres ingestelde vorderingen gegrond. Eerste eiseres stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de eerste rechter en vroeg in hoger beroep ondermeer haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren en bijgevolg verweerder te horen veroordelen tot betaling van de som van 256.112 BEF, te vermeerderen met de vergoedende interesten sinds de uitbetaling, de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten. Eerste eiseres stelde aldus in hoger beroep een (nieuwe) vordering in tegen verweerder, die op dat ogenblik zonder enige twijfel partij was in het geding. Tweede en derde eisers vroegen in hoger beroep in ondergeschikte orde de veroordeling van verweerder tot betaling aan tweede eiseres van een bedrag van 288.092 BEF, meer de vergoedende interesten, en tot betaling aan derde eiser van een bedrag van 15.400 BEF, meer de vergoedende interesten, de gerechtelijke interesten en de kosten. Tweede en derde eisers stelden derhalve in hoger beroep (nieuwe) vorderingen in tegen verweerder, die op dat ogenblik zonder enige twijfel partij was in het geding. De appèlrechters dienden te onderzoeken of deze nieuwe vorderingen ontvankelijk waren. In hoger beroep is een vordering nieuw en niet toelaatbaar indien zij ertoe strekt een veroordeling te verkrijgen op grond van een vordering die niet bij de eerste rechter aanhangig werd gemaakt of waarover hij zich niet heeft uitgesproken, en die evenmin virtueel begrepen is in de vordering waarover de eerste rechter zich heeft uitgesproken of die bij hem aanhangig werd gemaakt. Uit de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek volgt verder dat tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep kunnen worden ingesteld wanneer zij beantwoorden aan de voorwaarden die in die wetsbepalingen zijn gesteld voor de ontvankelijkheid van nieuwe vorderingen, dit is berusten op een feit of een handeling in de dagvaarding aangevoerd, ofwel wanneer zij een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken of strekken tot compensatie. De bepalingen van de artikelen 807 tot 810 van het Gerechtelijk Wetboek zijn niet van openbare orde, noch van dwingend recht. Verweerder betwistte op geen enkel ogenblik, ook niet na de heropening van de debatten, de ontvankelijkheid van de voor de appèlrechters tegen hem ingestelde vorderingen. Door de debatten te heropenen en partijen uit te nodigen om te concluderen over de ontvankelijkheid van de vorderingen die de eisers in hoger beroep tegen verweerder instelden en door vervolgens deze vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, werpen de appèlrechters een betwisting op die door de partijen in conclusie werd uitgesloten, en die de openbare orde niet raakt, noch van dwingend recht is, en schenden zij derhalve het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding, het beschikkingsbeginsel genoemd, onder meer verwoord in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Door verder te beslissen dat de vorderingen die de eisers in hoger beroep tegen verweerder instelden niet ontvankelijk zijn, zonder na te gaan of die vorderingen berusten op een feit of een handeling in de dagvaarding aangevoerd, ofwel een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken, dan wel strekken tot compensatie, schenden de appèlrechters de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre de appèlrechters beslissen dat de vorderingen die de eisers in hoger beroep tegen verweerder instelden niet ontvankelijk zijn op grond dat zij werden ingesteld tegen een persoon die geen partij was in het geding, schenden zij de bewijskracht van de conclusie met verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst van verweerder van 19 april 1994, van het verzoekschrift tot hoger beroep van eerste eiseres van 19 april 1995 en van de "beroepsconclusie" van tweede en derde eisers, waaruit blijkt dat de vorderingen die in hoger beroep tegen verweerder werden ingesteld, wel degelijk werden ingesteld tegen een persoon die partij was in het geding (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat de rechter niet zonder rechtsmacht is wanneer een partij vrijwillig is tussengekomen in het geding, conclusies neemt ten aanzien van de andere partijen en zich verdedigt ten aanzien van de andere partijen die tegen hem nog voor hij tussenkwam in het geding hebben geconcludeerd, en de betrokken partijen vervolgens voor de rechter verschijnen om een vonnis te vragen zonder op te werpen dat de voortijdige vordering niet ontvankelijk zou zijn ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat de eisers voor de eerste rechter vorderingen hebben ingesteld tegen verweerder op het ogenblik dat verweerder nog geen partij was in het geding ; dat het arrest oordeelt dat de rechter zonder rechtsmacht is om uitspraak te doen over een vordering die bij hem is ingesteld tegen een persoon die geen partij is in het geding ; Overwegende evenwel dat eveneens blijkt dat verweerder vrijwillig voor de eerste rechter is tussengekomen nadat conclusies tegen hem waren genomen en dat hij geconcludeerd heeft zonder op te komen tegen de ontvankelijkheid van de vorderingen tegen hem gericht ; dat de partijen voor de eerste rechter tijdens de pleidooien hun standpunt hebben gehandhaafd ; Dat het arrest zodoende zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt de bestreden arresten ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971030.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div