id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.20 Rolnummer: C.03.0088.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2004-12-23 Raadplegingen: 585 - laatst gezien 2026-07-04 12:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter die overeenkomstig art. 1231, ,§ 1, eerste lid, B.W., zijn matigingsbevoegdheid uitoefent, dient het bedrag van het strafbeding te verminderen tot het bedrag van de potentiële schade, zonder dat het toegekende bedrag minder mag bedragen dan de werkelijk geleden schade
(1).
(1)S. Stijns, "Contractualisering van sancties in het privaatrecht, inzonderheid bij contractuele wanprestatie", R.W. 2001-2002,
(1258)1272, nr 34; P. Wéry, "Les pouvoirs du juge dans la nouvelle loi relative aux clauses pénales", J.T., 2000
(615)617, nr 4 in fine. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Strafbeding Bevoegdheid van de rechter Potentiële schade Werkelijke schade Tekst van de beslissing Nr. C.03.0088.N DIEREN BEVRIJDINGSORGANISATIE ORGANISATION FOR THE PROTECTION OF ANIMALS, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 9000 Gent, Nieuwevaart 245, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen N.R.G. BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1070 Brussel, Internationalelaan 55, bus 19, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet ; de artikelen 1142, 1149, 1150, 1151, 1226, 1229 en 1231, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek (de artikelen 1226 en 1231, ,§1, gewijzigd bij de wet van 23 november 1998). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest ontbindt de overeenkomst van 4 december 1996 ten laste van eiseres en veroordeelt eiseres tot betaling aan verweerster van de som van 1.499,75 euro en tot betaling van de som van 8.948,955 euro op de volgende gronden : 1.
- Beide partijen vorderen de ontbinding van de overeenkomst met betaling van een schadevergoeding lastens de andere partij. Verweerster, die elke tekortkoming in haren hoofde betwist, stelt dat de overeenkomst lastens eiseres dient ontbonden te worden wegens laattijdige betaling van de vervallen facturen. Eiseres stelt daarentegen dat verweerster schromelijk tekort gekomen is aan haar contractuele verplichting om een goed functionerende kopieermachine te hare beschikking te stellen, zodat zij niet gehouden was tot betaling van kwestieuze facturen. Zij stelt dat zij nu eens een defecte kopieermachine huurde en dan weer geen kopieermachine van verweerster in haar bezit had. 1.
- Voor het eerst in haar schrijven van 12 mei 1997, nadat zij werd aangemaand tot betaling van de vervallen factuur, maakte eiseres melding van het feit dat het kopieertoestel defecten vertoonde. Deze bewering, die zonder de minste twijfel voor de noodwendigheden van de zaak geopperd werd, komt niet ernstig over en wordt ontkracht door de elementen van het dossier. In haar eerste brief van 26 april 1997 maakte eiseres de betaling van de achterstallige facturen immers enkel afhankelijk van de teruggave van het in het kader van het eerste contract "teveel betaalde bedrag" en het overbrengen van het toestel naar een andere plaats (de poezenboot). In die brief was er geen sprake van een defect aan of een disfunctie van het toestel, wat zeker het geval zou zijn indien eiseres de factuur wenste te protesteren. Ook in de periode waarin eiseres beweert met het toestel niets dan miserie gekend te hebben, nl. de periode van februari tot mei 1997, bekloeg eiseres zich op geen enkel ogenblik over de gebrekkige of ontoereikende werking van het toestel. Bovendien leert de technische fiche van het toestel dat tussen 26 februari 1997 en 19 maart 1997 met deze kopieermachine meer dan 12.300 kopieën gemaakt werden en op 20 maart 1997 nog eens 3.000 kopieën, zodat eiseres bezwaarlijk kan voorhouden dat ze in het totaal hooguit 2.000 kopieën heeft kunnen nemen. De eindstand dd. 15 mei 1997 toont aan dat met het toestel in drieënhalve maand 44.196 kopieën gemaakt werden, wat in tempore non suspecto nooit werd betwist, terwijl de overeenkomst voorzag in een aantal van 30.000 kopieën per trimester. Beweren dat de werking van het toestel ontoereikend was, mist dan ook elke grond. Het feit dat eiseres werk heeft moeten uitbesteden bij derden bewijst niet noodzakelijk dat het door verweerster ter beschikking gestelde toestel defect was of onvoldoende rendeerde. Werkoverlast en gespecialiseerde opdrachten kunnen er ook aan de basis van liggen. Tot slot bewijzen de regelmatige tussenkomsten van de technische dienst van verweerster evenmin de gebrekkige staat van de kopieermachine. Deze tussenkomsten - eiseres legt dienaangaande drie rapporten voor zijn hoegenaamd niet abnormaal voor een kopieermachine met dergelijke graad van techniciteit. Het is niet ongewoon dat veelvuldig gebruik ervan aanleiding geeft tot technische problemen, die opgelost worden in het kader van het onderhoudscontract. Deze sporadische problemen geven eiseres trouwens niet automatisch het recht om de betaling van de door haar verschuldigde facturen te staken. Van het ter beschikking stellen van een gebrekkige machine is dan ook geen sprake, minstens wordt hiervan het bewijs niet geleverd. Meer nog, verweerster stelde alles in het werk om eiseres te helpen bij het zoeken naar een oplossing voor de beweerde functionele problemen. Zo stelde zij bij het schrijven van 10 juni 1997 voor om bij het drukken van de volgende editie van het door eiseres uitgegeven tijdschrift een technicus af te vaardigen, doch eiseres is hier niet op ingegaan. Van een aan verweerster toerekenbare disfunctie is dan ook geen sprake. 1.
- Tevergeefs voert eiseres, verwijzend naar haar schrijven van 14 augustus 1997, aan dat verweerster tekort gekomen is aan haar plicht tot vervanging van het toestel, dat deze op 15 mei 1997 bij haar had weggehaald. Geen enkel dossierelement toont aan dat verweerster na 15 mei 1997 een nieuw toestel heeft aangeboden ter vervanging van het teruggenomen kopieerapparaat, ook niet het schrijven van 19 juni 1997, waarin eiseres een nieuw toestel weigerde. Uit dit schrijven, waarin gerefereerd wordt naar de vervanging van het toestel op 4 december 1996, kan niet ten genoege van recht afgeleid worden dat verweerster in vervanging van het teruggehaalde toestel een nieuw kopieermachine aanbood. In tegendeel uit de samenlezing van de briefwisseling van partijen blijkt enkel dat eiseres de wens had uitgedrukt om het bewuste kopieertoestel te verhuizen naar de "poezenboot" ; verzoek waarop verweerster is ingegaan (zie verhuisopdracht en schrijven van 10 juni 1997) en waartoe zij op 15 mei 1997 het toestel afhaalde. Toen evenwel bleek dat dit toestel niet kon gedeponeerd worden op de poezenboot zonder speciale apparatuur, werd het toestel in het magazijn van verweerster ondergebracht in afwachting van het akkoord van eiseres met het bestek, houdende de huurprijs voor de speciale apparatuur nodig om het kopieertoestel aan boord van de poezenboot te brengen. Aangezien deze naliet haar akkoord hiermee te betuigen, is de machine in het magazijn van verweerster blijven staan, reden waarom verweerster eiseres bij aangetekend schrijven van 27 juni 1997 in gebreke stelde om het toestel aan te nemen op zijn nieuwe plaats van bestemming. Het is slechts na deze ingebrekestelling en meer bepaald bij schrijven van 14 augustus 1997 dat eiseres gewag maakte van de vervanging van de teruggehaalde kopieermachine. Op 3 september 1997 sprak de raadsman van verweerster de beweringen van eiseres tegen en kwalificeerde de brief van 14 augustus 1997 als een poging om haar verplichting tot betaling te ontlopen. Het feit dat eiseres na 15 mei 1997 niet meer beschikte over een kopieertoestel is dan ook uitsluitend te wijten aan het stilzitten van eiseres zelf. De tegeneis strekkende tot ontbinding van de overeenkomst lastens verweerster is bijgevolg ongegrond. 1.
- Eiseres betwist niet dat de facturen met nr. 95876293, 95639026 en 97802153 onbetaald zijn gebleven. Zij weigert factuur nr. 95876293 dd. 4 maart 1997 ten bedrage van 48.400 BEF (1.199, 80 euro) te betalen omdat de kopieermachine over de periode van februari tot mei niet naar behoren functioneerde. Om de hiervoor uiteengezette redenen weigert eiseres ten onrechte betaling van deze factuur.... Factuur nr. 97802153 dd. 4 juni 1997 voor een bedrag van 12.100 BEF (299,95 euro) is dan wel weer verschuldigd. Het feit dat eiseres in de maanden juni tot en met augustus 1997 niet kon beschikken over een kopieermachine, is zoals hiervoor werd uiteengezet, uitsluitend aan eiseres toe te schrijven. Eiseres, die naliet voormelde twee facturen te betalen, kwam tekort aan haar betaalverplichting, reden waarom de overeenkomst te haren laste dient ontbonden te worden. ... Verweerster vordert betaling van een verbrekingsvergoeding van 561.000 BEF (13.906,82 euro), zijnde 85 pct. van de nog te vervallen huurgelden. De contractueel bedongen verbrekingsvergoeding van 85 pct. komt buitensporig voor ten aanzien van de potentiële schade zoals die bij de ondertekening van de overeenkomst kan worden voorzien. Het als strafbeding overeengekomen bedrag mag echter slechts een forfaitaire vergoeding zijn voor de schade die de schuldeiser kan lijden ten gevolge van het niet-nakomen van de verbintenis door zijn schuldenaar. Kwestieus schadebeding is ongenuanceerd, voorziet niet in een degressief percentage, houdt geen rekening met de omvang van de nog te vervallen huurtermijnen, en voorziet niet in een maximumbegrenzing. Het houdt bovendien geen rekening met de economische residuwaarde van het kopieertoestel dat door verweerster werd teruggenomen. Een dergelijk beding vertoont geen enkel vast verband met de schadeposten die verweerster opsomt. Aangezien het strafbeding kennelijk het bedrag te boven gaat dat partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden, bestaat er aanleiding tot de straf, die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom, te verminderen tot 361.000 BEF (8.498,95 euro), zijnde een billijke en passende vergoeding voor de schade die verweerster geleden heeft ingevolge de vroegtijdige ontbinding van de overeenkomst. Grieven
- Eerste onderdeel Volgens artikel 1231, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar, de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom verminderen wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden. In geval van herziening kan de rechter de schuldenaar niet veroordelen tot een kleinere geldsom dan bij gebrek aan strafbeding verschuldigd zou zijn geweest. Wanneer de rechter, in geval van herziening, de bedongen vergoedingen herleidt tot de werkelijk geleden schade, dan kan hij die schade enkel ex aequo et bono ramen mits hij de reden aangeeft waarom de door de schuldeiser voorgestelde berekeningswijze niet kan worden aangenomen en tevens vaststelt dat het niet mogelijk is om de schade anders te beoordelen. De appèlrechter stelt vast dat het bedrag van het strafbeding kennelijk het bedrag te boven gaat dat partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet uitvoering van de overeenkomst te vergoeden en beslist dat er aanleiding toe bestaat die straf te verminderen tot 361.000 BEF (8.948,95 euro), zijnde een billijke en passende vergoeding voor de schade die verweerster geleden heeft ingevolge de vroegtijdige ontbinding van de overeenkomst. De appèlrechter heeft aldus de vergoeding voor de werkelijk geleden schade ex aequo et bono begroot zonder vast te stellen dat het niet mogelijk is die schade op vaste gegevens te berekenen. De appèlrechter heeft de bestreden beslissing aldus niet wettelijk gerechtvaardigd (schending van de artikelen 1142, 1149, 1150, 1151, 1226, 1229 en 1231, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek).
- Tweede onderdeel De appèlrechter beslist dat de door verweerster contractueel bedongen verbrekingsvergoeding van 561.000 BEF (13.906,82 euro), zijnde 85 pct. van de nog te vervallen huurgelden, buitensporig voorkomt ten aanzien van de potentiële schade zoals die bij de ondertekening van de overeenkomst kan worden voorzien, dat het schadebeding ongenuanceerd is, niet voorziet in een degressief percentage, geen rekening houdt met de omvang van de nog te vervallen huurtermijnen, geen maximumbegrenzing voorziet, geen rekening houdt met de economische residuwaarde van het door verweerster teruggenomen kopieertoestel en geen enkel vast verband vertoont met de door verweerster opgesomde schadeposten. De appèlrechter beslist vervolgens dat, aangezien het bedrag van het strafbeding kennelijk het bedrag te boven gaat dat partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet uitvoering van de overeenkomst te vergoeden, er aanleiding toe bestaat die straf te verminderen tot 361.000 BEF (8.948,95 euro), zijnde een billijke en passende vergoeding voor de schade die verweerster geleden heeft ingevolge de vroegtijdige ontbinding van de overeenkomst. Deze motivering toont niet aan op welke feiten de rechter steunt om eiseres te veroordelen tot het bedrag van 361.000 BEF (8.948,95 euro) nu het bestreden arrest geen enkel element weergeeft waaruit de schade van verweerster zou kunnen bestaan maar enkel vaststelt dat het bedrag van het door verweerster gevorderde strafbeding buitensporig is en geen enkel vast verband vertoont met de schadeposten die verweerster opsomt. Het bestreden arrest dat enkel de gegevens vermeldt die aantonen dat het schadebeding buitensporig is, stelt het Hof niet in staat de wettelijkheid na te gaan van de beslissing waarbij de vergoeding voor verweerster zonder meer bepaald wordt op 361.000 BEF (8.948,95 euro) (schending van de artikelen 149 van de Grondwet en 1231, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 1231, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de rechter ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom kan verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden ; Dat luidens het tweede lid van die bepaling, de rechter de schuldenaar niet kan veroordelen tot een kleinere geldsom dan bij gebrek aan strafbeding verschuldigd zou zijn geweest ; Overwegende dat de rechter die aldus zijn matigingsbevoegdheid uitoefent, het bedrag van het strafbeding dient te verminderen tot het bedrag van de potentiële schade, zonder dat het toegekende bedrag echter minder mag bedragen dan de werkelijk geleden schade ; Overwegende dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de rechter op grond van artikel 1231, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek verplicht is het bedrag van het strafbeding te verminderen tot de werkelijk geleden schade, berust op een onjuiste rechtsopvatting ; Dat het onderdeel faalt naar recht ; Tweede onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest vaststelt dat een verbrekings-vergoeding van 85 pct. van te vervallen huurgelden wordt gevraagd en aangeeft, op grond van concrete gegevens, waarom het gevorderd bedrag buitensporig was ; Dat de voorhanden zijnde gegevens, anders dan het onderdeel aanvoert, toelaten de wettigheid van de beslissing te toetsen ; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende, voor het overige, dat het onderdeel afgeleid is uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de motiveringsplicht ; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd achtentachtig euro twee cent jegens de eisende partij en op de som van honderd negenenzestig euro zesenzeventig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.20 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div