id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.3 Rolnummer: C.02.0406.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2004-12-23 Raadplegingen: 679 - laatst gezien 2026-07-05 00:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een verweerder op hoofdvordering mag niet voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instellen tegen een andere verweerder op hoofdvordering wanneer tussen deze partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren gesteld; dit geldt ook wanneer die vordering tot vrijwaring berust op een feit of een handeling die de oorspronkelijke eiser in de dagvaarding heeft aangevoerd. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: VORDERING IN RECHTE Burgerlijke zaken Eerste aanleg Geen vordering Hoger beroep Tussenvordering tot veroordeling Vrijwaring Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.13,15en Tekst van de beslissing Nr. C.02.0406.N W.A. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DER GRAANMAGAZIJNEN VAN ANTWERPEN, met zetel te 2030 Antwerpen, Haven 49, Boerinnenstraat 2, verweerster,
- AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ C.F.E., naamloze vennootschap, met zetel te 1160, Hermann Debrouxlaan 40-42, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- ACE INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1040 Brussel, Belliardstraat 9-11,
- COMPAGNIE EUROPEENE D'ASSURANCES INDUSTRIELLES, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 40,
- NIEUW ROTTERDAM SCHADE, naamloze vennootschap, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3000 AR Rotterdam (Nederland), Blaak 16,
- LEGAL & GENERAL ASSURANCE SOCIETY Ltd., vennootschap naar Engels recht, met zetel te London EC4N 4 TP (Groot-Britannië), Temple Court 11, Queen Victoria Street,
- COMPAGNIE D'ASSURANCES MARITIMES AERIENNES ET TERRESTRES, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75002 Paris (Frankrijk), rue des Filles Saint-Thomas 9,
- URBAINE U.A.P. BELGISCHE VERZEKERINGS- EN HERVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 1040 Brussel, Belliardstraat 32,
- YASUDA FIRE & MARINE INSURANCE, vennootschap naar Japans recht, met zetel te Tokyo (Japan), 26-1 Nishishinjuku Itchome, Shinjuku-ku,
- GOTHAER VERSICHERUNGSBANK V.V.A.G., vennootschap naar Duits recht, met zetel te BRD-5- Köln (Duitsland), Kaiser-Wilhelm Ring 23-25,
- THE SUMITOMO MARINE & FIRE INSURANCE COMPANY Ltd., vennootschap naar Japans recht, met zetel te Tokyo (Japan), 27-2, Shinkawa 2 Chome, Chuoku,
- ASSITALIA, LE ASSICURAZIONI D'ITALIA S.p.a., vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 00198 Roma (Italië), Corso d'Italia 33,
- CHUBB INSURANCE COMPAGNY OF EUROPE, naamloze vennootschap, met zetel te 1040 Brussel, Meeûplantsoen 35, bus 7,
- INTERLLOYD VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3000 AA Rotterdam (Nederland), Marconistraat 16,
- HANNOVER INTERNATIONAL (BELGIUM), naamloze vennootschap, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 158, bus 8,
- MUTUELLE ELECTRIQUE D'ASSURANCES, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75009 Parijs (Frankrijk), rue Chauchat 6-8, woonst kiezend in België, te 1200 Brussel, Generaal Lartiguelaan 30,
- NORWICH UNION FIRE INSURANCE SOCIETY Ltd., vennootschap naar Engels recht, met zetel te Norwich (Groot-Brittannieë), Surreystreet 14, woonst kiezend in België, te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 21,
- OHRA, naamloze vennootschap, met zetel te 1030 Brussel, Grensstraat 2,
- BLACK SEA AND BALTIC GENERAL INSURANCE COMPANY Ltd., vennootschap naar Engels recht, met zetel te London EC3M, EEY (Groot-Brittannië), Frenchurch Street 106,
- SUN ALLIANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1200 Brussel, Woluwelaan 64, bus 1, verweersters, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 april 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 13, 15, 807 tot 810, 812, tweede lid, en 813 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de tussenvordering van eiser ingesteld tegen tweede verweerster, strekkende tot veroordeling van tweede verweerster tot betaling van een bedrag gelijk aan 9/10de van de bedragen, interesten en gerechtskosten, die eiser aan eerste verweerster en/of haar verzekeraars zou dienen te betalen in uitvoering van het uit te spreken arrest, meer interesten, niet ontvankelijk, op grond van de volgende motieven : "VIII. Exceptie van onontvankelijkheid van de tussenvorderingen van de BVBA Wustefeld Engineering in vereffening en van (eiser) ten laste van (tweede verweerster). (Tweede verweerster) besluit tot de onontvankelijkheid van deze tussenvorderingen, doch zonder dit te motiveren. Deze tussenvorderingen strekken tot veroordeling van de aannemer tot betaling van een bedrag gelijk aan 9/10de van de bedragen, interesten en gerechtskosten, die zij aan (eerste verweerster) en/of haar verzekeraars dienen te betalen in uitvoering van het uit te spreken arrest, te verhogen met de gerechtelijke interesten vanaf de dag van betaling door de architecten tot op de dag der integrale betaling door de aannemer. Gezien het in deze zaak gaat om tussenvorderingen strekkende tot veroordeling en die voor het eerst in (hoger) beroep werden gesteld, en anderzijds de exceptie van onontvankelijkheid van deze tussenvorderingen werd opgeworpen, zijn deze overeenkomstig artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek onontvankelijk, nu deze wetsbepaling uitdrukkelijk bepaalt dat de tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor het eerst in hoger beroep kan plaatsvinden". Grieven Luidens artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek is een tussenvordering iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen erin te betrekken. Overeenkomstig artikel 809 van het Gerechtelijk Wetboek worden, tussen partijen in het geding, de tussenvorderingen ingesteld bij conclusies, die ter griffie worden neergelegd en aan de overige partijen worden overgelegd zoals bepaald is in de artikelen 742 tot 746 van het Gerechtelijk Wetboek. Een tussenvordering tussen procespartijen kan, overeenkomstig de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berust op een feit of een handeling in de dagvaarding aangevoerd of wanneer zij een verweer tegen de hoofdvordering oplevert dan wel strekt tot compensatie. Luidens artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek is tussenkomst de rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Overeenkomstig artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek geschiedt vrijwillige tussenkomst bij verzoekschrift en gedwongen tussenkomst bij dagvaarding. Artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep. Bij exploot van 9 februari 1988 liet eerste verweerster tweede verweerster, eiser en de BVBA Wustefeld Engineering dagvaarden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen teneinde de drie gedaagden in solidum te horen veroordelen tot betaling van 250.000.000 BEF. Voor het eerst in hoger beroep stelde eiser tegen tweede verweerster een tussenvordering in. Deze vordering dient gekwalificeerd te worden als een tussenvordering ingesteld tussen partijen in het geding overeenkomstig de artikelen 809 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, en niet als een vordering tot gedwongen tussenkomst in de zin van de artikelen 15 en 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, nu deze vordering werd ingesteld tussen partijen in het geding en geen derde persoon partij werd in het geding. Deze tussen partijen in het geding ingestelde tussenvordering was ontvankelijk, nu zij berustte op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd, met name op het feit dat tweede verweerster bij de uitvoering van de werken zware fouten had begaan (blz. 1, vierde paragraaf, van de gedinginleidende dagvaarding van eerste verweerster). Door de door eiser tegen tweede verweerster ingestelde vordering als een vordering tot tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling in de zin van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te kwalificeren en de vordering niet ontvankelijk te verklaren op grond dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep, schenden de appèlrechters de artikelen 15 en 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De appèlrechters schenden eveneens de artikelen 13, 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek door de door eiser voor het eerst in hoger beroep ingestelde nieuwe tussenvordering niet ontvankelijk te verklaren zonder te onderzoeken of deze berust op een feit of een handeling in de dagvaarding aangevoerd, een verweer tegen de hoofdvordering oplevert dan wel strekt tot compensatie.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; artikel 6, ,§ 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist dat eiser fouten heeft begaan bij de berekening van de silo's, beslist dat deze fouten in oorzakelijk verband staan met de door eerste verweerster en haar verzekeraars geleden schade, verklaart de vorderingen die eerste verweerster en derde tot twintigste verweersters instelden tegen eiser gegrond, en veroordeelt eiser tot betaling van een schadevergoeding van 3.775.418,55 euro (152.300.000 BEF), meer interesten aan derde tot twintigste verweersters, van 3.586.404,55 euro (144.675.201 BEF), meer interesten aan eerste verweerster, en tot betaling van de interesten op 3.775.418,38 euro (152.300.000 BEF) vanaf 24 juni 1986 tot 9 januari 1989 aan eerste verweerster, op grond van de volgende motieven : "Omtrent de oorzaken van de schade besluit de gerechtsdeskundige op pagina 95 van zijn verslag (punt 12.2). 'Rekening houdende met de waargenomen schade, met berekening zoals ze klaarblijkelijk uitgevoerd werd, met de uitvoering zoals ze gebeurde en met de uitbating van de silo, in aanmerking nemende de toelichtingen en het verweer van partijen, ben ik van mening dat tot het ontstaan van de schade bijgedragen hebben :
- De berekening van de silo's...
- De uitvoering van de silo's waarbij de plannen niet werden gevolgd... en
- De duidelijke tekortkoming bij het uitoefenen van de controle op betonneringswerkzaamheden, voornamelijk voor wat betreft de diameter en de tussenafstand van de staven'. De berekening van de silo's. Als medeoorzaak van de vastgestelde gebreken aan de silo's in kwestie weerhoudt het deskundigenverslag een ontoereikende berekening van de silo's. De ontoereikende berekening van de silo's resulteerde volgens de gerechtsdeskundige in een 'te lichte wapening'. Bij de berekening van deze wapening werd, volgens de gerechtsdeskundige, meer bepaald geen rekening gehouden met de toen reeds gekende zaken zoals de ontoereikendheid van de simpele theorie van J., de temperatuursinvloeden, de invloed van het niet vrijstaan van de silo's en de krappe dikte van 16 cm van de betonnen silowanden, die zelfs bij glijbekisting behouden bleef (nr. 8.22 p. 67 verslag gerechtsdeskundige). Voornoemde besluiten van het deskundigenverslag worden voldoende gemotiveerd, door de toetsing van de objectief vastgestelde gebreken en berekeningen van de silo's door (eiser), aan objectieve en ten tijde van het concept gekende normen voor de bouw van silo's voor de opslag van graanproducten, alsmede aan de opdracht van de bouwheer. De technische opmerkingen met betrekking tot voornoemde besluiten van de gerechtsdeskundige, zoals geformuleerd in de besluiten van (eiser), werden reeds door de gerechtsdeskundige op voldoende wijze beantwoord in zijn verslag, zodat het (hof van beroep) hiernaar verwijst. De architectuurplannen met nummers 1 tot en met 7, allen daterende van 12 december 1974 en ondertekend door ingenieur-architect P. G., bevatten geen fouten omtrent een te lichte wapening. De gerechtsdeskundige stelt immers in punt 2.10 op pagina 16 van zijn verslag dat zij van geen belang zijn om de kwaliteit van de betonstudie te beoordelen. De te lichte berekening van de wapening volgt echter uit de berekeningsnota's, met ondermeer nota 735/2, van (eiser) waarnaar de gerechtdeskundige op pagina 23 van zijn verslag verwijst, en waarbij geen rekening gehouden werd met de norm DIN 1055 van 1964 noch met temperatuurinvloeden, noch met het niet vrijstaan van de silo's, noch met de krappe wanddikte. Gezien de uitvoeringsplannen en de wapeningsstaten vanaf de aanvang der werken overgemaakt werden aan de aannemer en overeenkomstig de vordering van deze werken, zoals bepaald in het lastenboek en het aannemingscontract zelf dateert van 1 oktober 1975, was alleen (eiser) bezig met de berekeningen van de wapening en de vermelding ervan op de uitvoeringsplannen en de wapeningsstaten, zodat hij als ingenieur-architect diende te weten dat de simpele theorie van J. ontoereikend was en dat hij voor de berekening van de wapening diende rekening te houden met de invloeden van de temperatuur en het niet vrijstaan van de silo's en met de krappe dikte van de betonwanden van 16 cm die hij bij een uitvoering met glijbekisting bleef aanhouden. Deze elementen waren reeds gekend op het ogenblik van de berekeningen door de ingenieur-architect in kwestie. Dat hij met het voorgaande geen rekening hield blijkt uit de vaststellingen van de gerechtsdeskundige. Ter illustratie kan verwezen worden naar plan nummer 114 'snede wanden van + 9,50 m tot + 45,50 m' dat dateert van 21 januari 1976 en dat alleen (eiser) als 'architect' vermeldt in de betreffende rubriek (stuk 2bis CFE). De uitvoeringsplannen 109, 110 dateren volgens het deskundigenverslag (punt nr. 2.10 p. 16) van na 22 mei 1975 zodat zij werden opgesteld door (eiser), wat eveneens geldt voor de staalborderellen of wapeningstaten die dateren van 28 januari
- Uit het voorgaande blijkt dan ook dat (eiser) de eerste verplichting van het onderdeel 'directie en controle der werken', namelijk het opstellen der uitvoeringsplannen en borderellen, als architect niet naar behoren heeft uitgevoerd en hij alleen verantwoordelijk is voor de te lichte berekening van de wapening. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling van de gerechtsdeskundige (8.10 p. 64 van zijn verslag) dat (eiser) bewezen heeft dat de plannen niet foutief waren en dat het mogelijk was voor de aannemer om de juiste bewapening te kennen via de borderellen en de plannen nummers 111 en
- Uit nader onderzoek blijkt dat deze vaststelling te maken heeft met de onduidelijkheid van deze plannen doch niets te maken heeft met de te lichte wapening van het geheel, rekening houdend met voornoemde gekende factoren. IV. De aanwending door de (eerste verweerster) van de silo's. De foutieve aanwending door (eerste verweerster) van de silo's in kwestie, is niet bewezen. Dat een foutieve aanwending dan bovendien nog de schade zouden kunnen veroorzaken, is evenmin met zekerheid vast te stellen uitgaande van de bevindingen van de gerechtsdeskundige. De gerechtsdeskundige heeft het immers op pagina 64 van zijn verslag (punt 8.13) enkel over een mogelijkheid dat barsten werden veroorzaakt door het opslaan van bepaalde goederen waar hij uitdrukkelijk stelt : 'Ik noteer niet dat (eerste verweerster) door het stockeren van tapioca-pellets fouten gemaakt heeft die barsten van de silo als gevolg hebben, maar wel dat het mogelijk is dat, door het stockeren van een opslaggoed bestaande uit 20 pct. pellets en 80 pct. meel, de eerste barsten ontstonden in die silo's waarin dit gebeurde. Het gaat dus om een mogelijkheid en niet om een zekerheid'. Verder besluit de gerechtsdeskundige op pagina 68 (punt 8.22 in fine) : 'Het is mogelijk dat het (eenmalig ?) stockeren van pellets met 80 pct. meel en het stockeren van allerhande andere goederen (zie ,§ 9.5) in de silo's waar zulks gebeurde, de eerste barsten hebben doen ontstaan door overdreven brugvorming, eigen aan dit materiaal'. Dat (eerste verweerster) de temperatuur in de silo's hoger liet oplopen dan 20° C kan evenmin als een foutieve aanwending van de silo's bestempeld worden nu noch uit het aannemingscontract, noch uit de architectenovereenkomst, noch uit het lastenboek blijkt dat de silo's enkel dienden te worden ontworpen voor een temperatuur tot maximum 20° C. Verder besluit de gerechtsdeskundige onderaan punt 8.14 op pagina 65 van zijn verslag : 'Wat men aan (eerste verweerster) mogelijk kan verwijten, begrijp ik niet. (Eerste verweerster) ontwierp de silo's toch niet en goed ontworpen en goed uitgevoerde silo's vergen geen bescherming en zeker niet in de eerste tien jaar', waarmee de gerechtsdeskundige antwoordt op het verwijt aan het adres van (eerste verweerster) dat zij onvoldoende bescherming liet aanbrengen op de silowanden. V. Het oorzakelijk verband tussen de contractuele fouten van (eiser) en de schade aan de silo's. Uit het onderzoek van het deskundigenverslag en van de andere stukken van het dossier komt onomstotelijk vast te staan dat de tekortkomingen van (eiser) bij het ontwerp van de wapening van de betonwanden van de silo's en bij de uitoefening van zijn controleverplichtingen, in oorzakelijk verband staan met de schade zoals die werd vastgesteld door de gerechtsdeskundige. Volgens de reeds aangehaalde besluiten van het deskundigenverslag (nrs. 8.22 en 12.2 deskundigenverslag) hebben tot het ontstaan van de schade zoals die concreet werd vastgesteld en omschreven door de gerechtsdeskundige, bijgedragen : - de ontoereikende berekening van de silo's, die resulteerde in een te lichte wapening ; - de uitvoering van de silo's waarbij de plannen niet werden gevolgd ; - de duidelijke tekortkoming bij de uitoefening van de controle op de betonneringswerkzaamheden ; Zonder een te lichte wapening van de silowanden en mits de controle van de dikte van het wapeningsmetaal en de onderlinge afstand, zouden de barsten en andere gebreken aan de silo's zoals die concreet door de gerechtsdeskundige werden vastgesteld en beschreven, zich niet hebben voorgedaan. Een tijdige ontdekking tijdens de uitvoering van de controlewerkzaamheden, ten tijde van de constructie van elke silo, zou de gebreken dan reeds aan het licht hebben gebracht, waardoor de aannemer tijdig kon worden verwittigd en opgedragen worden wapening van de voorgeschreven dikte te gebruiken, geplaatst op de voorgeschreven onderlinge afstand, waardoor de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich concreet heeft voorgedaan. Mits het voorschrijven van een voldoende wapening, dit wil zeggen aangepast aan de op het ogenblik van het ontwerp van de wapening gekende elementen als de temperatuur in de silo's, het feit dat de silo's niet vrij staan en aan de krappe betondikte van de wand, had de schade zich niet voorgedaan zoals thans concreet het geval was. Het voorgaande toont aan dat het oorzakelijk verband tussen de door de gerechtsdeskundige vastgestelde schade en de fouten van (eiser) in de uitoefening van zijn toezichtsverplichtingen als architect, dan ook bewezen is. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de redenering met bijgaande berekeningen door (eiser) in beroepsconclusies gemaakt waardoor het bewijs zou geleverd zijn dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen zijn conceptiefout indien al zou bewezen zijn en de concrete schade aan de silo's. Zonder deze conceptiefout zou, aldus (eiser), de concrete schade zich eveneens hebben voorgedaan, gelet op de gebrekkige uitvoering van de werken door de aannemer en op de foutieve aanwending van de silo's door de bouwheer. Zijn berekeningen die tot voornoemd besluit dienen te leiden, zouden bevestigd worden door het feit dat andere silo's op dezelfde wijze zouden geconcipieerd zijn en desondanks toch geen schade zouden vertonen. Noch de redenering noch de ondersteunende berekeningen van (eiser) kunnen worden gevolgd, niet alleen omdat deze redenering en de berekeningen nooit aan de gerechtsdeskundige werden voorgelegd, doch ook om de hierna volgende redenen. De redenering van (eiser) komt hierop neer dat de beweerde conceptiefouten alleen de maximale spanningsgrens van de wandopening (2.400 kg/cm2) niet in gevaar zouden brengen, daar het totaal van de druktoename volgens de DIN 1055 norm van de gerechtsdeskundige, waarmee hij geen rekening hield, voornoemde grens niet zou bereiken. De ondersteunende berekening van de spanning volgens de DIN 1055 norm, die (eiser) over het hoofd zag, gaat uit van cijfers die duidelijk verschillen van deze op pagina 23 van zijn verslag weerhouden door de gerechtsdeskundige. Bij nader onderzoek (bijlage LXIII deskundigenverslag) blijkt dat de cijfers door (eiser) gebruikt van hemzelf afkomstig zijn en ter kennis werden gebracht aan de gerechtsdeskundige die hierop uitvoerig antwoordde in de punten 5.15 tot en met 5.22 van zijn verslag (p. 44 t/m 47) en dit antwoord opnieuw besloot met de vermelding dat als we de criteria die (eiser) verwaarloosde, wel in rekening brengen - zoals (eiser) dit thans in verband met het oorzakelijk verband doet - dan de wapening die (eiser) tekende, niet volstaat. Bovendien bewijst (eiser) niet dat de silo's van andere opslagbedrijven, waarmee hij de vergelijking maakt en waarvan hij beweert dat deze geen schade zouden vertonen, volgens hetzelfde concept als dit aangewend voor de berekening van de silo's bij (eerste verweerster) zouden opgericht zijn. Uit het deskundigenverslag en uit het voorgaande blijkt dan ook duidelijk dat zonder de contractuele fouten van (eiser), meer bepaald de conceptiefout en zonder de foutieve tekortkoming in de controle, de schade zich niet zou hebben voorgedaan, zoals deze zich concreet voordoet, zodat het oorzakelijk verband tussen deze contractuele fouten en de schadelijke gevolgen, zoals die hierna worden aangehouden, dan ook bewezen is". Grieven De appèlrechters beslissen dat de ontoereikende berekening van de silo's door eiser mede-oorzaak is van de vastgestelde gebreken. De appèlrechters nemen de besluiten van de gerechtsdeskundige over dat bij de berekening van de wapening geen rekening gehouden werd met de toen reeds gekende zaken zoals de ontoereikendheid van de simpele theorie van J., de temperatuursinvloeden, de invloed van het niet vrijstaan van de silo's en de krappe dikte van 16 cm van de betonnen silowanden, die zelfs bij glijbekisting behouden bleef. De appèlrechters overwegen dat de besluiten van de deskundige voldoende gemotiveerd worden en dat de technische opmerkingen met betrekking tot voornoemde besluiten van de gerechtsdeskundige, zoals geformuleerd in de besluiten van eiser, reeds op voldoende wijze door de gerechtsdeskundige in zijn verslag beantwoord werden. Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed moet zijn. Dit houdt in dat de feitenrechter dient te antwoorden op de door partijen aangevoerde middelen. Wanneer in conclusie precieze grieven worden aangevoerd tegen een deskundigenverslag, is de beslissing die zich ertoe beperkt het besluit van dat verslag te bekrachtigen, niet regelmatig gemotiveerd. Indien evenwel het deskundigenverslag een antwoord bevat op de bezwaren van partijen, motiveert de rechter die het definitief besluit van de deskundige zonder verdere motieven overneemt, zijn beslissing wel regelmatig. Deze laatste regel is in strijd met de vereisten van een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6, ,§1, EVRM. De rechter dient immers de essentiële vragen die hem worden voorgelegd te behandelen en kan niet volstaan door zonder meer de conclusies van de deskundige over te nemen indien zijn bevindingen in een precies verweer door partijen werden aangevochten. 2.
- Eerste onderdeel De gerechtsdeskundige nam aan dat eiser onvoldoende rekening gehouden had met het feit dat de simpele theorie van J. ontoereikend was voor de berekening van de silo's. Dit besluit wordt door de appèlrechters overgenomen. Eiser voerde in dit verband op blz. 20 van zijn syntheseconclusie aan dat de gerechtsdeskundige nergens verantwoordt waarom deze in 1974 algemeen aanvaarde theorie ontoereikend zou zijn en dat een conceptiefout afleiden uit een dergelijke algemene, niet gemotiveerde bewering, uiteraard niet kan (blz. 20-21 van de syntheseconclusie van eiser, ingediend ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 5 augustus 1999). De appèlrechters laten na dit concreet verweer te beantwoorden en schenden derhalve de artikelen 149 van de Grondwet en 6, ,§1, EVRM. In de mate de appèlrechters oordelen dat de deskundige dit verweer in zijn verslag beantwoordt heeft, geven zij van dit verslag een interpretatie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en schenden zij de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre geoordeeld zou worden dat het deskundigenverslag het door eiser gevoerde verweer wel beantwoordt, schenden de appèlrechters niettemin de motiveringsverplichting zoals vervat in artikel 6, ,§1, EVRM. De appèlrechters laten immers na een essentieel onderdeel van het verweer van eiser in hun arrest te bespreken. 2.
- Tweede onderdeel De deskundige was nog van oordeel dat eiser bij de berekening van de silo's onvoldoende rekening had gehouden met de temperatuursinvloeden. Ook dit besluit wordt door de appèlrechters overgenomen. Op blz. 20 van zijn verslag, onder randnummer 2.
- overwoog de deskundige dat het normaal is dat het opslaggoed in silo's voor zaden een temperatuur heeft die begrepen is tussen 23° C en 28° C en zelfs kan oplopen tot 35° C. De deskundige overwoog dat het element temperatuur een zeer belangrijke gegeven is bij de berekening van de silo's. Hij berekende vervolgens de staalspanning die door voornoemde temperaturen kan ontstaan en besloot dat eiser onvoldoende rekening had gehouden met de als gevolg van deze temperaturen optredende staalspanning. Eiser voerde in dit verband aan dat partijen overeengekomen waren dat de temperatuur in de silo's lager moest zijn dan 20° C en dat de producten twee maal per week in beweging gebracht moesten worden, zodat de berekening door de deskundige van de staalspanning op grond van verkeerde gegevens gebeurd was. Op blz. 84 van zijn eindverslag erkent de deskundige dat partijen op 25 oktober 1974 tijdens een werkvergadering, die duidelijk voor het ontwerpen van de silo's gehouden werd, afgesproken hadden dat de temperaturen in de silo's, lager moest zijn dat 20° C en dat de producten twee maal per week in beweging gebracht moesten worden. De deskundige overweegt nog dat eerste verweerster hem zelf meedeelde dat de temperatuur normaal 23 tot 28° C bedraagt en occasioneel kan oplopen tot 35° C. De deskundige besluit dat eerste verweerster de silo op dit punt niet volgens de overeenkomst heeft uitgebaat. In zijn eindbesluiten op blz. 94 van het verslag houdt de deskundige evenwel geen rekening met zijn eigen vaststelling dat de partijen overeenkwamen dat de temperatuur in de silo's niet hoger mocht oplopen dan 20° C en besluit hij dat eiser een ontoereikende berekening van de silo's maakte op grond dat hij onvoldoende rekening hield met de temperatuursinvloeden, zonder evenwel zijn berekeningen aangepast te hebben aan het door hem vastgestelde gegeven dat partijen overeenkwamen dat de temperatuur niet hoger mocht oplopen dan 20° C. In zijn syntheseconclusie, ingediend ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 5 augustus 1999, voerde eiser in dit verband het volgende verweer aan : "5.
- Wat de temperatuursinvloeden betreft gaat de deskundige voorbij aan het feit dat voor de conceptie met (eerste verweerster) overeengekomen werd dat de temperatuur in de silo's nooit hoger zou oplopen dan 20° C. De deskundige stelt daarover : 'Indien het correct zou zijn dat (eiser) en (eerste verweerster) overeenkwamen de binnentemperatuur te beperken tot 20° C dan zal de temperatuurberekening wel gunstiger uitvallen. In die onderstelling berekent (eiser) een temperatuurval van 11,43° C wat 545 kg/cm2 trek geeft aan de koude zijde. Ik kan mij echter moeilijk voorstellen dat (eerste verweerster) contractueel of op een andere wijze op 25.10.74 zou overeengekomen zijn dat de temperatuur van het opgeslagen goed nooit 20° C zou overschrijden. Immers het was (eerste verweerster) zelf die mij mededeelde dat de temperatuur in dergelijke silo's normaal 23 tot 28° C bedraagt en occasioneel kan oplopen tot 35° C' (punt 5.17 van het verslag van de gerechtsdeskundige). Naderhand moest de gerechtsdeskundige toegeven dat wel degelijk de afspraak werd gemaakt dat de temperatuur in de silo's tot 20° C zou worden beperkt (bijlage LXII en p. 84 van het verslag). Zo schrijft hij (p. 84) : 'Inderdaad werd op 25.10.74 tijdens een werkvergadering, die duidelijk voor het ontwerpen van silo's gehouden werd, afgesproken dat de temperatuur in de silo's lager moest zijn dan 20° C en dat de producten tweemaal per week in beweging gebracht worden. Zie bijlage LXII. Nu (eerste verweerster) mij zelf mededeelde dat de temperatuur normaal 23 tot 28° C bedraagt en occasioneel kan oplopen tot 35° C heeft (eerste verweerster) de silo op dit punt niet volgens de overeenkomst uitgebaat'. De gevolgtrekking die daar logisch uit voortvloeit, nl. geen berekeningsfout tengevolge van temperatuurverschillen, en dus geen fouten in de conceptie neemt de deskundige, totaal ongemotiveerd, niet. Want in zijn verslag (punt 2.17, p. 20) erkent de deskundige dat 'de invloed van de temperatuur zeer groot is' en dat de temperatuursinvloed bij een vrijstaande cylinder een bijkomende staalspanning van 1.908 kg/cm2 veroorzaakt aan de buitenkant. De deskundige schrijft dat indien wordt aangenomen dat 2.400 kg/cm² toelaatbaar is, er een ontoelaatbare toename is van 1.094 of 4.
- Die is volledig toe te schrijven aan de temperatuursverschillen (verslag nr. 2.19, p. 22-23). Dit essentieel element in verband met de temperatuursschommelingen werd in de conclusie niet corrigerend verrekend (zie ook p. 23 van het verslag, onder nr. 2.19). Geresumeerd. (Eiser) beoogt een spanning toe te laten van 1.400 kg/cm². Er zou volgens de DIN 1055 norm een spanning kunnen optreden van 1.586 kg/cm², wat concluderenden hieronder betwisten en preciseren. De toelaatbare spanning is 2.400 kg/cm². De spanning bedraagt echter 3.494 kg/cm² door temperatuursschommelingen. Echter deze omstandigheid, waardoor de 2.400 kg/cm² regel wordt overschreden, is te wijten aan het optreden zelf van (eerste verweerster) en niet aan concluderende partijen" (blz. 21-22 van de syntheseconclusie van eiser). De appèlrechters beslissen dat eiser een fout beging die in oorzakelijk verband staat met de schade door onvoldoende rekening gehouden te hebben met de temperatuursinvloeden. De appèlrechters overwegen enerzijds, bij de beoordeling van de fout van eiser, dat de besluiten van de deskundige voldoende gemotiveerd worden en dat de technische opmerkingen met betrekking tot de besluiten van de deskundige, zoals geformuleerd in de besluiten van eiser, door de deskundige op voldoende wijze beantwoord werden in zijn verslag, zodat het hof van beroep hiernaar verwijst, doch overwegen anderzijds, bij de beoordeling of eerste verweerster een fout beging, dat noch uit het aannemingscontract, noch uit de architectenovereenkomst, noch uit het lastenboek blijkt dat de silo's enkel dienden te worden ontworpen voor een temperatuur tot maximum 20° C. Aldus nemen de appèlrechters enerzijds het besluit van de deskundige over dat er tussen partijen was overeengekomen dat de temperatuur in de silo's lager moest zijn dan 20° C, doch beslissen zij anderzijds dat een dergelijke overeenkomst tussen partijen niet bestond. Het bestreden arrest bevat dan ook tegenstrijdige motieven en schendt derhalve artikel 149 van de Grondwet. Door verder na te laten het concrete verweer van eiser te beantwoorden dat op een werkvergadering, die gehouden werd voor het ontwerpen van de silo's, tussen partijen afgesproken was dat de temperatuur in de silo's niet hoger mocht oplopen dan 20° C, dat dit feit door de deskundige werd aangenomen doch dat hij naliet met dit gegeven rekening te houden in zijn conclusie, schenden de appèlrechters de artikelen 149 van de Grondwet en 6, ,§1, EVRM. Door tenslotte te oordelen dat noch uit het aannemingscontract, noch uit de architectenovereenkomst, noch uit het lastenboek blijkt dat de silo's enkel dienden te worden ontworpen voor een temperatuur tot maximum 20° C en dat er derhalve op dit punt geen overeenkomst tussen partijen bestond, schenden de appèlrechters de bewijskracht van het deskundigenverslag, waarin op blz. 84 werd vastgesteld dat op 25 oktober 1974 tijdens een werkvergadering, die duidelijk voor het ontwerpen van de silo's gehouden werd, afgesproken werd dat de temperaturen in de silo's lager moest zijn dan 20° C en dat de producten twee maal per week in beweging gebracht moesten worden, en schenden zij eveneens de bewijskracht van het verslag van de werkvergadering van 25 oktober 1974, opgenomen in bijlage LXII van het deskundigenverslag, waarin hetzelfde wordt bevestigd (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). 2.
- Derde onderdeel Eiser voerde in conclusie nog aan dat de deskundige voor zijn berekeningen vertrok van een inwendige wrijvingshoek van 25° terwijl de afspraak was dat de wrijvingshoek 35° en meer diende te zijn. Daarbij werd verwezen naar de overeenkomst met betrekking tot de mechanische en electrische installatie waarin deze waarden uitdrukkelijk vermeld stonden. Eiser voerde eveneens aan dat de DIN-norm niet zonder meer als toepasselijke rechtsnorm kon aanzien worden, gegeven de contractuele afspraken, onder meer wat de opgeslagen materialen betreft. Eiser voerde meer bepaald aan dat : "5.
- Voorts hield de gerechtsdeskundige bij zijn controle geen rekening met het feit dat de silo's, conform het akkoord met de bouwheer, berekend werden voor materialen met een inwendige wrijvingshoek van minimaal 30°, een wandwrijving van 15° of meer en een soortgelijk gewicht van 800 kg/m³. Deze basisgegevens werden herhaalde malen aan (eerste verweerster) meegedeeld (zie punt 2.9 van de opmerkingen van de concluderende partijen in bijlage LXIII van het deskundig verslag waar o.m. verwezen werd naar een brief van 8 oktober 1979) zonder betwisting. Verder blijkt dat (eerste verweerster) materialen heeft opgeslagen die contractueel niet waren voorzien (zie lijst van toelaatbare producten, p. 87, deskundig verslag). De exploitatie van de silo beantwoordde niet aan de economische doelstelling waarvoor ze contractueel berekend werden. Waar de berekening uitging van een soortgelijk gewicht van 800 kg/m³ een wrijvingshoek van minstens 30°, was het de afspraak met de bouwheer dat de silo's bij de werkelijke exploitatie slechts gebruikt zouden worden voor materialen met een soortgelijk gewicht van 750 kg/m³ en een wrijvingshoek van 35° en meer. Dat wordt bevestigd door de overeenkomsten met betrekking tot de mechanische en elektrische installatie, waarin deze waarden uitdrukkelijk vermeld staan. Het spreekt daarbij voor zich dat men het transportsysteem dat naar de silo's leidt en de silo's zelf voor éénzelfde materialen beoogt te gebruiken. De gerechtsdeskundige daarentegen gaat bij zijn berekeningen uit van, onder meer, een inwendige wrijvingshoek van 25°. Berekent men de staalspanning overeenkomstig de Duitse DIN-norm 1055 van 1964, uitgaande van de overeengekomen waarden, bekomt men 1.368 kg/cm² op het laagste punt (zie de pagina's 8 en 9 in bijlage LXIII van het deskundig verslag). Toetst men de berekening aan deze DIN-norm, blijkt er dan ook geen conceptiefout te zijn gepleegd. De toelaatbare spanningsgrens is immers 2.400 kg/cm². De concluderende partijen merken bovendien op dat de geciteerde DIN-norm niet zonder meer als een toepasselijke rechtsnorm of als een evident referentiekader kan worden aanzien. Zulks volgt alleen reeds uit het feit dat de met de bouwheer overeengekomen waarden voor de te stockeren materialen niet overeenstemmen met alle waarden die in de DIN-norm worden gehanteerd bij silobouw. De betrokken silo's werden ook niet gebouwd voor alle materialen die in de DIN-norm 1055 opgesomd staan. Het spreekt voor zich dat een contractueel vastgesteld gegeven primeert boven een buitenlandse norm. Het gaat evenmin tegen de regels van de kunst in overeen te komen een silocomplex te bouwen voor een minder grote variatie aan producten dan deze die in een buitenlandse norm worden opgesomd" (blz. 22-23 van de syntheseconclusie van eiser). De appèlrechters laten na dit concreet verweer te beantwoorden en schenden derhalve de artikelen 149 van de Grondwet en 6, ,§1, EVRM. In de mate de appèlrechters oordelen dat de deskundige dit verweer in zijn verslag beantwoord heeft, geven zij van dit verslag een interpretatie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en schenden zij de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre geoordeeld zou worden dat het deskundigenverslag het door eiser gevoerde verweer wel beantwoordt, schenden de appèlrechters niettemin de motiveringsverplichting zoals vervat in artikel 6, ,§1, EVRM. De appèlrechters laten immers na een essentieel onderdeel van het verweer van eiser in hun arrest te bespreken. 2.
- Vierde onderdeel Eiser voerde in conclusie nog aan dat indien men zich hield aan de afspraken over de toegelaten temperatuur, het feit van de eventuele invloed van een niet vrijstaand gebouw irrelevant was voor de conclusie dat de berekening van de silo's ontoereikend was. Eiser voerde meer bepaald aan dat : "5.
- De invloed van het niet vrijstaand gebouw zijn van de cellen, het zogenaamde monolitisme, heeft, volgens de gerechtsdeskundige, spanningsverhoging tot ongeveer 400 kg/cm² tot gevolg (punt 5.19) van het verslag). Vermits de toelaatbare grens van het staal, zoals de plannen voorzien, 2.400 kg/cm² is, heeft het monolitisme dus niet tot gevolg dat een onvoldoende bewapening werd geconcipieerd. Het element 'monolitisme' is terzake irrelevant" (blz. 23 van de syntheseconclusie van eiser). De appèlrechters laten na dit concreet verweer te beantwoorden en schenden derhalve de artikelen 149 van de Grondwet en 6, ,§ 1, EVRM. In de mate de appèlrechters oordelen dat de deskundige dit in zijn verslag beantwoord heeft, geven zij van dit verslag een interpretatie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en schenden zij de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre geoordeeld zou worden dat het deskundigenverslag het door eiser gevoerde verweer wel beantwoordt, schenden de appèlrechters niettemin de motiveringsverplichting zoals vervat in artikel 6, ,§1, EVRM. De appèlrechters laten immers na een essentieel onderdeel van het verweer van eiser in hun arrest te bespreken. 2.
- Vijfde onderdeel Eiser voerde in conclusie nog aan dat, wat de voorgeschreven wanddikte betreft, in conclusie werd aangevoerd dat de aangehaalde "krappe dikte van 16 cm" niet ten laste van de architect kon worden weerhouden daar de deskundige zelf stelde dat "2 cm afwijking in min niet toegelaten is, ook niet bij glijbekisting voor een wand van nominaal 16 cm". Eiser voerde meer bepaald aan dat : "5.
- Wat de voorgeschreven wanddikte van 16 cm betreft, stelt de gerechtsdeskundige zelf dat de betonkalender enerzijds een dikte van 15 cm toelaat (punten 2.21 en 5.4 van het verslag) en anderzijds dat het gebruik van glijbekisting geen speling van 2 cm toelaat (punt 5.4 en 5.14 van het verslag). Volgens deze door de deskundige zelf aangevoerde gegevens is het dan ook onjuist dat geen rekening gehouden werd met enige speling door het gebruik van glijbekisting. Waar '2 cm afwijking in min niet toelaatbaar (is), ook niet bij glijbekisting voor een wand van nominaal 16 cm' (punt 5.14 van het verslag), valt inderdaad niet in te zien waarom een dikte van 16 cm krap zou zijn. De betondikte van 16 cm was bovendien duidelijk voorgeschreven in het lastenboek. De aannemer was, conform dit lastenboek, vrij de eigen uitvoeringswijze te bepalen maar bevestigde uitdrukkelijk in de overeenkomst (zie stuk nr. 3 van het dossier van de concluderende partijen) dat de opgelegde normen technisch haalbaar waren en hij er zich toe verbond ze te verwezenlijken. Waar de aannemer dan voor glijbekisting opteert is het zijn verantwoordelijkheid voldoende speling te voorzien om deze dikte ook effectief te halen" (blz. 23 van de syntheseconclusie van eiser). De appèlrechters laten na dit concreet verweer te beantwoorden en schenden derhalve de artikelen 149 van de Grondwet en 6, ,§1, EVRM. In de mate de appèlrechters oordelen dat de deskundige dit verweer in zijn verslag beantwoord heeft, geven zij van dit verslag een interpretatie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en schenden zij de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre geoordeeld zou worden dat het deskundigenverslag het door eiser gevoerde verweer wel beantwoordt, schenden de appèlrechters niettemin de motiveringsverplichting zoals vervat in artikel 6, ,§1, EVRM. De appèlrechters laten immers na een essentieel onderdeel van het verweer van eiser in hun arrest te bespreken.
- Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist dat eiser fouten heeft begaan die in oorzakelijk verband staan met de door eerste verweerster geleden schade en verwerpt het door eiser gevoerde verweer dat eerste verweerster zelf fouten beging op grond van de volgende motieven : "IV. De aanwending door (eerste verweerster) van de silo's. De foutieve aanwending door (eerste verweerster) van de silo's in kwestie, is niet bewezen. Dat een foutieve aanwending dan bovendien nog de schade zouden kunnen veroorzaken, is evenmin met zekerheid vast te stellen uitgaande van de bevindingen van de gerechtsdeskundige. De gerechtsdeskundige heeft het immers op pagina 64 van zijn verslag (punt 8.13) enkel over een mogelijkheid dat barsten werden veroorzaakt door het opslaan van bepaalde goederen waar hij uitdrukkelijk stelt : 'Ik noteer niet dat (eerste verweerster) door het stockeren van tapioca-pellets fouten gemaakt heeft die barsten van de silo als gevolg hebben, maar wel dat het mogelijk is dat, door het stockeren van een opslaggoed bestaande uit 20 pct. pellets en 80 pct. meel, de eerste barsten ontstonden in die silo's waarin dit gebeurde. Het gaat dus om een mogelijkheid en niet om een zekerheid'. Verder besluit de gerechtsdeskundige op pagina 68 (punt 8.22 in fine) : 'Het is mogelijk dat het (eenmalig ?) stockeren van pellets met 80 pct. meel en het stockeren van allerhande andere goederen (zie ,§ 9.5) in de silo's waar zulks gebeurde, de eerste barsten hebben doen ontstaan door overdreven brugvorming, eigen aan dit materiaal'. Dat (eerste verweerster) de temperatuur in de silo's hoger liet oplopen dan 20° C kan evenmin als een foutieve aanwending van de silo's bestempeld worden nu noch uit het aannemingscontract, noch uit de architectenovereenkomst, noch uit het lastenboek blijkt dat de silo's enkel dienden te worden ontworpen voor een temperatuur tot maximum 20° C. Verder besluit de gerechtsdeskundige onderaan punt 8.14 op pagina 65 van zijn verslag : 'Wat men aan (eerste verweerster) mogelijk kan verwijten, begrijp ik niet. (Eerste verweerster) ontwierp de silo's toch niet en goed ontwerpen en goed uitgevoerde silo's vergen geen bescherming en zeker niet in de eerste tien jaar', waarmee de gerechtsdeskundige antwoordt op het verwijt aan het adres van (eerste verweerster) dat zij onvoldoende bescherming liet aanbrengen op de silowanden". Grieven Eiser voerde in conclusie aan dat eerste verweerster zelf een fout had begaan door in strijd met wat overeengekomen was, de temperatuur in de silo's hoger te laten oplopen dan 20° C, en dat deze fout in oorzakelijk verband stond met de schade. Eiser voerde meer bepaald aan dat : "8.
- Niet enkel stockeerde (eerste verweerster) niet-toegelaten materialen, zij leefde de overeengekomen temperatuur niet na. Zoals reeds gesteld werd op 25 oktober 1974 met de bouwheer overeengekomen dat de temperatuur in de silo's lager moest zijn dan 20° C en de producten, om brugvorming te voorkomen, tweemaal per week in beweging moesten gebracht worden (zie bijlage LXKK bij het verslag van de gerechtsdeskundige ; zie hierboven nr. 5.5.). (Eerste verweerster) deelde de gerechtsdeskundige evenwel mee dat de temperatuur normaal 23 tot 28° C bedraagt en occasioneel kan oplopen tot 35° C (zie p. 84 van het deskundig verslag) Daar er een temperatuurmeter in de silo's was geplaatst kan (eerste verweerster) nochtans alles keurig controleren. 8.
- De gerechtsdeskundige berekende tevens de bijkomende staalspanning, uitgaande van deze temperaturen, en komt tot een extra spanning aan de buitenkant van een vrijstaande silo van 1908 kg/cm² (punt 2.17, p. 21 van het deskundig verslag)" (blz. 32 van de syntheseconclusie van eiser). De appèlrechters verwerpen dit verweer door te overwegen dat het feit dat eerste verweerster de temperatuur in de silo's hoger liet oplopen dan 20° C niet als een foutieve aanwending van de silo's bestempeld kan worden, nu noch uit het aannemingscontract, noch uit de architectenovereenkomst, noch uit het lastenboek blijkt dat de silo's enkel dienden te worden ontworpen voor een temperatuur tot maximum 20° C. De appèlrechters hadden anderzijds, bij de beoordeling van de fout van eiser, de bevindingen van de deskundige overgenomen dat er tussen partijen was overeengekomen dat de temperatuur in de silo's lager moest zijn dan 20° C. Nu de appèlrechters enerzijds beslissen dat er tussen partijen niet was overeengekomen dat de temperatuur niet hoger mocht oplopen dan 20° C en anderzijds beslissen dat een dergelijke overeenkomst tussen partijen wel bestond, berust hun beslissing op tegenstrijdige motieven en schenden zij artikel 149 van de Grondwet. Door verder te oordelen dat het feit dat eerste verweerster de temperatuur in de silo's hoger liet oplopen dan 20° C niet als een foutieve aanwending van de silo's bestempeld kan worden, nu noch uit het aannemingscontract, noch uit de architectenovereenkomst, noch uit het lastenboek blijkt dat de silo's enkel dienden te worden ontworpen voor een temperatuur tot maximum 20° C en er derhalve op dit punt geen overeenkomst tussen partijen bestond, schenden de appèlrechters de bewijskracht van het deskundigenverslag, waarin op blz. 84 werd vastgesteld dat op 25 oktober 1974 tijdens een werkvergadering, die duidelijk voor het ontwerpen van de silo's gehouden werd, afgesproken werd dat de temperaturen in de silo's lager moest zijn dan 20° C en dat de producten twee maal per week in beweging gebracht moesten worden, en schenden zij eveneens de bewijskracht van het verslag van de werkvergadering van 25 oktober 1974, opgenomen in bijlage LXII van het deskundigenverslag, waarin hetzelfde wordt bevestigd (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste middel Overwegende dat, luidens artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek, een tussenvordering iedere vordering is die in de loop van het geding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn, erin te betrekken ; Dat, krachtens artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek, de tussenkomst een rechtspleging is waarbij een derde persoon partij wordt in het geding en ertoe strekt, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen ; Dat, krachtens artikel 813, tweede lid, van hetzelfde wetboek, tussen de partijen in het geding tussenkomst kan worden aangebracht bij gewone conclusies ; Dat, krachtens artikel 812, tweede lid, van hetzelfde wetboek, tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep ; Overwegende dat, uit de samenhang van voormelde bepalingen, volgt dat wanneer een partij in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek uitsluit dat in hoger beroep tussen die partijen een tussenvordering tot veroordeling wordt ingesteld ; Dat deze bepaling aldus uitsluit dat een verweerder op hoofdvordering voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instelt tegen een andere verweerder op hoofdvordering wanneer tussen deze partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren gesteld ; Dat dit ook geldt wanneer die vordering tot vrijwaring berust op een feit of een handeling die de oorspronkelijke eiser in de dagvaarding heeft aangevoerd ; Dat het middel faalt naar recht ;
- Tweede middel in zijn geheel Overwegende dat het door eiser ter griffie van het Hof neergelegde deskundigenverslag niet is geparafeerd door de advocaat die het verzoekschrift tot cassatie heeft neergelegd, zoals vereist door artikel 1098 van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat dit stuk dat niet voldoet aan de vereiste van artikel 1098 van het Gerechtelijk Wetboek, op grond van artikel 1100 van het Gerechtelijk Wetboek, niet in het proces mag worden aangewend ; Overwegende dat het middel, in zoverre het miskenning van de bewijskracht van het deskundigenverslag aanvoert, niet ontvankelijk is ; Overwegende dat voor het overige het middel geheel opkomt tegen het oordeel van appèlrechters dat eiser aansprakelijk is omwille van ontoereikende berekeningen en fouten in de conceptie van de betwiste silo's ; Dat de appèlrechters eisers aansprakelijkheid niet alleen steunen op fouten in de berekening en de conceptie van de silo's, maar eveneens op zijn gebrek aan controle tijdens de uitvoering van de werken ; Dat die zelfstandige niet-bekritiseerde reden de beslissing draagt ; Dat het middel, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien in zoverre bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is ;
- Derde middel Overwegende dat de aangevoerde schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek steunt op de miskenning van de bewijskracht van het verslag van de werkvergadering van 25 oktober 1974 ; Dat bedoeld verslag dat is vermeld als bijlage 4 bij het verzoekschrift in cassatie, niet ter griffie is neergelegd ; Dat het Hof de miskenning van de bewijskracht van een stuk niet kan beoordelen, als dit stuk niet is neergelegd ; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is ; Overwegende verder dat de in het middel aangehaalde redenen van het bestreden arrest de aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering niet bevatten ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend tweehonderd zesentwintig euro eenenzeventig cent jegens de eisende partij, op de som van honderd zestig euro vierenvijftig cent jegens de verwerende partij sub 2 en op de som van honderd zestig euro vierenvijftig cent jegens de verwerende partijen sub 3 tot en met
- Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en vier uitgesproken door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140306.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.20 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070105.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090930.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div