← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art.27

Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In cassatie - Burgerlijke zaken Vrije woorden: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In cassatie - Burgerlijke zaken Memorie van antwoord Andere taal dan deze van de rechtspleging Wettelijke bepalingen:

Art.27

Fiches 3 - 4 Een derde kan een beroep doen op het bestaan van een overeenkomst en op de gevolgen ervan tussen de contractspartijen als verweermiddel tegen een vordering die een van de partijen tegen hem richt

(1); hij kan evenwel de verbindende kracht van een overeenkomst waarin hij geen partij is niet inroepen om zijn plichten ten aanzien van een van de contractanten te beperken
(2).
(1)Cass., 9 mei 2003, AR C.00.0010.N, nr ....
(2)Zie Cass., 9 sept. 1999, AR C.97.0354.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990909.4, nr 448. Het O.M. was van oordeel dat verweerster (een derde) niet de tenuitvoerlegging van de overeenkomst vorderde doch zich enkel verweerde tegen de schadevordering en concludeerde dus tot verwerping. Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Overeenkomst Derden Wettelijke bepalingen:

Art.1165Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v.

derden Vrije woorden: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Wettelijke bepalingen:

Art.1165

Tekst van de beslissing Nr.C.03.0284.N ARGRO, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 8850 Ardooie, Tombrugstraat 11, ingeschreven in het handelsregister te Brugge, nummer 700.721, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen EUTRACO-EAST, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 8800 Beveren-Roeselaere, Industrieweg 35, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1121, 1165, 1315, 1316, 1319, 1320, 1322, 1349, 1353 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 702, 3°, 870 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 17.1, 2 en 4, 18, 23 en 27 van het verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962 ; het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 9 december 2002 verklaart het Hof van Beroep te Gent verweersters hoger beroep ontvankelijk en grotendeels gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, waarbij de eerste rechter onder meer eiseres' vordering gegrond verklaarde, in al zijn beschikkingen, behalve waar het de onderscheiden vorderingen ontvankelijk verklaart en, verder opnieuw recht doende, wijst eiseres' vordering lastens verweerster af als ongegrond, verklaart verweersters vordering tegen eiseres grotendeels gegrond en veroordeelt haar tot betaling van 45.160,17 euro, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet op 42.794 euro vanaf 5 november 1997, verklaart de vrijwaringsvordering vanwege verweerster ten laste van de Litouwse vennootschap Kilometras U.A.B. ongegrond en veroordeelt eiseres tot haar eigen gerechtskosten en tot deze van verweerster. Deze beslissing is gestoeld op volgende gronden : "II Ten gronde : vordering van de NV Argro Verwijzend naar de Incoterm 'CIP' die de koopverkoopovereenkomst beheerst, houdt de NV Eutraco-East terecht voor dat de NV Argro geen schade bewijst. A. Op de CMR-vrachtbrief staat 'CIP St. Petersburg' ; in volle tekst luidt deze incoterm 'carriage insurance paid to St. Petersburg'. De Incoterm regelt in eerste orde de relatie tussen de koper en de verkoper. De verkoper regelt het vervoer en de verzekering en staat ook in voor de kosten ervan. De verkoper dient ook de goederen af te leveren aan de vervoerder. Het risico van schade of verlies van de te vervoeren goederen gaat over op de koper van zodra de koopwaar aan de vervoerder is afgeleverd voor vervoer ervan. B. Uit wat voorafgaat volgt dat de verkoper de koper kan verplichten de koopwaar te betalen indien de koper er niet in slaagt aan te tonen dat de koopwaar gebrekkig was bij overgang van het risico, met name op het ogenblik dat de vervoerder de koopwaar in ontvangst neemt voor uitvoering van het vervoer ervan. In casu ligt nergens voor dat de NV Argro als verkoper ooit de koper (de firma 'Joint Fruit Company' in Sint-Petersburg) in gebreke heeft gesteld tot betaling van de koopwaar. Uit de op de koopverkoop toepasselijke voorwaarden meer bepaald de Incoterm volgt dat de verkoper betaling kan vorderen van de koper, zelfs wanneer de goederen tijdens het vervoer zijn beschadigd geworden. De koper die de verkoper heeft betaald, kan aanspraak maken op de tussenkomst van de goederenverzekeraar. Er zij vastgesteld dat de NV Argro geen enkele verzekeringspolis desbetreffend voorlegt ; evenmin ligt voor dat ofwel de NV Argro ofwel de firma 'Joint Fruit Company' de goederenverzekeraar heeft aangeschreven ; ... is er wel een goederenverzekering afgesloten ? De goederenverzekeraar kan dan op zijn beurt regres uitoefenen jegens de voor het transport aansprakelijke firma. C. Aldus dringt zich het besluit op dat de NV Argro nog steeds en dit krachtens de koopverkoopovereenkomst van de firma 'Joint Fruit Company' betaling van de koopwaar kan vorderen en dat zij deze vordering in haar patrimonium heeft behouden. De NV Argro heeft aldus geen schade geleden. Minstens moet worden vastgesteld dat er geen oorzakelijk verband is tussen de schade (niet-betaling van de koopwaar door de koper) en de beweerde fout van de vervoerder. Immers de niet-betaling van de factuur maakt de contractuele wanprestatie uit van de koper, de firma 'Joint Fruit Company', waarvoor de vervoerder als dusdanig niet dient voor in te staan. Indien de niet-betaling van de factuur zou te wijten zijn aan de afwezigheid van een goederenverzekering, dan is dit de contractuele wanprestatie van de verkoper, waarvoor de vervoerder als dusdanig evenmin dient voor in te staan. D. Ten onrechte werpt de NV Argro op dat de koopverkoopovereenkomst en meer bepaald de Incoterm een 'res inter alios acta' zou zijn, waarmee de vervoerder niets zou mee te maken hebben. Vooreerst zij er vastgesteld dat de Incoterm CIP uitdrukkelijk staat vermeld op de CMR-vrachtbrief. Vervolgens betekent het beginsel van de niet-tegenwerpelijkheid van de overeenkomst aan derden, dat er in beginsel geen verplichtingen noch rechten voor derden kunnen uit volgen. Wel kan de derde zich op het bestaan ervan beroepen teneinde zijn eigen belangen te vrijwaren. Overigens beroept de NV Argro zich precies op die koopverkoopovereenkomst om voor te houden dat zij schade heeft geleden. Te dezen beroept de NV Eutraco-East zich terecht op de koopverkoopovereenkomst om aan te tonen dat de NV Argro geen schade heeft geleden. E. In deze omstandigheden dienen de aanspraken van de NV Argro te worden afgewezen als ongegrond". Grieven

  1. Eerste onderdeel Luidens artikel 17.1 van het CMR-Verdrag is de vervoerder aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van goederen, welke ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor de vertraging in de aflevering. De vervoerder is slechts van die aansprakelijkheid ontheven voor zover hij het bewijs levert van het voorhanden zijn van één van de gronden, vermeld in artikel 17.2 en 4 van voormeld verdrag. Zo de vervoerder zich vermag te beroepen op het bestaan van een overeenkomst tussen derden, kan hijzelf hieruit weliswaar geen enkel recht putten. Luidens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten immers enkel gevolgen teweeg tussen contracterende partijen ; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot het voordeel in het geval voorzien bij artikel
  2. Buiten het geval van een beding te zijnen gunste mag een derde zodoende in zijn voordeel niet de tenuitvoerlegging vorderen van verbintenissen die uit een overeenkomst voortvloeien ; evenmin kan hij, om zijn plichten ten aanzien van één van de contractanten te beperken, een overeenkomst waarbij hij geen partij is, als bindend inroepen. Ten slotte zal hij ook het feit van de niet-uitvoering van die overeenkomst dienen te erkennen. Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat de goederen vervoerd werden onder de Incoterm CIP, waarbij koper en verkoper een regeling troffen met betrekking tot het risico der verkochte goederen en de verzekering daarvan, geenszins door de vervoerder kon worden ingeroepen om zijn aansprakelijkheid voor het verlies van of de beschadiging aan de vervoerde goederen jegens zijn medecontractant, met name de afzender, uit te sluiten, op straffe van miskenning van de betrekkelijkheid van die overeenkomst, waaraan hij vreemd was. Evenmin kon het enkele bestaan van die overeenkomst, ongeacht of de koper al dan niet zijn verbintenissen ten aanzien van de verkoper was nagekomen, het besluit wettigen dat de afzender, met name eiseres, door de fout van de vervoerder geen enkele schade had geleden. Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat oordeelt dat verweerster zich terecht kon beroepen op de koop-verkoopovereenkomst die tot stand kwam tussen eiseres en de firma Joint Fruit Company, om aan te tonen dat eiseres geen schade had geleden, inzonderheid gelet op de tussen koper en verkoper overeengekomen risico-verdeling, de mogelijkheid waarover eiseres nog steeds zou beschikken om betaling van de koopwaar vanwege de koper te vorderen en de verplichting tot het afsluiten van een verzekering ten behoeve van de koper, daar waar een derde, buiten het geval van een beding te zijnen gunste, in zijn voordeel niet de tenuitvoerlegging kan vorderen van verbintenissen die uit een overeenkomst voortvloeien, hij zich evenmin kan beroepen op de bedingen van een overeenkomst waaraan hij vreemd is om zijn eigen aansprakelijkheid te beperken of uit te sluiten en hij tenslotte ook gehouden is om het feit van de niet-uitvoering van dergelijke overeenkomst door de contracterende partijen te erkennen, miskent aldus het betrekkelijk karakter van de overeenkomst (schending van de artikelen 1121 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek). In ieder geval kon het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, waaruit bleek dat eiseres op datum van het bestreden arrest geen betaling vanwege de koper bekwam, niet wettig besluiten dat eiseres geen schade had geleden (schending van de artikelen 1315, 1316, 1349, 1353 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 17.1, 2 en 4, 18, 23 en 27 van het verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962).
  3. Tweede onderdeel Blijkens de oorspronkelijke dagvaarding strekte eiseres' vordering tot het bekomen van vergoeding voor de schade geleden ingevolge de beschadigingen aan of het verlies van een lading aardbeien, met een waarde van 43.846,40 U.S. dollar, door verweerster vervoerd over de weg naar Sint-Petersburg, dewelke bij aankomst in Sint-Petersburg ingevolge een gebrek aan koeling bedorven bleken. Luidens artikel 23.1 van het CMR-Verdrag wordt de schadevergoeding berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van de in ontvangstneming wanneer ingevolge de bepalingen van dit verdrag een schadevergoeding voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen ten laste van de vervoerder wordt gebracht. Krachtens punt 2 van voornoemd artikel wordt de waarde van de goederen vastgesteld volgens de beurskoers of, bij gebreke daarvan, volgens de gangbare marktprijs of, bij gebreke van een en ander, volgens de gebruikelijke waarde van goederen van dezelfde aard en kwaliteit. Rekening houdende met de opbrengst van een zogenaamde noodverkoop ter plaatse, waardoor een bedrag van 4.500 dollar kon worden gerecupereerd, raamde eiseres haar totale schade op een bedrag van 39.346,40 U.S. dollar, waarvan zij de veroordeling van verweerster vorderde, bedrag te vermeerderen met de krachtens de CMR-conventie toepasselijke verwijlintresten van 5 pct. vanaf 6 juni 1997, minstens vanaf de formele ingebrekestelling van 4 september 1997, minstens vanaf datum van de dagvaarding tot de datum van uiteindelijke betaling, bedrag waarvan blijkens de vaststellingen van de eerste rechter verweerster allerminst weerlegde dat dit overeenstemde met de gangbare marktprijs van aardbeien (ondermeer sub 5 van het vonnis a quo). Bij haar besluiten, genomen in hoger beroep, verzocht eiseres het hof van beroep voorts uitdrukkelijk om het vonnis van de eerste rechter, waarbij voornoemd hoofdbedrag, vermeerderd met de vergoedende intrest aan 5 pct. vanaf 11 juni 1997, werd toegewezen te bevestigen, aanvoerende op het zevende blad van haar besluiten dat de eerste rechter terecht stelde dat de gangbare marktwaarde van de aardbeien diende te worden vergoed en dat nergens in de briefwisseling tussen eiseres, verweerster en de verzekeringsmaatschappijen omtrent de hoegrootheid van de schade enige opmerking of voorbehoud werd geformuleerd en op pagina 8 van haar besluiten II dat, zoals door de eerste rechter klaar en duidelijk werd gesteld de gangbare marktprijs van de goederen diende te worden betaald en dat zij stukken voorbracht waaruit wel degelijk bleek dat de gevorderde schade de gangbare marktprijs betrof. Eiseres verzocht het hof van beroep zodoende duidelijk om verweerster te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens het verlies van de vervoerde goederen, begroot met inachtneming van hun marktprijs. Hieruit volgt dat in zoverre het hof van beroep stelt dat de schade, waarvan zij vergoeding vorderde, bestond in de niet-betaling van de koopwaar door de koper, wijzigt het aldus het voorwerp van eiseres' vordering (schending van de artikelen 702, 3°, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel). Tevens miskent het hof van beroep aldus eiseres' bewijskracht, gehecht aan de inleidende dagvaarding, evenals aan de in hoger beroep genomen besluiten, inzonderheid het zevende blad van haar eerste besluiten en het achtste blad van haar besluiten II, alwaar zij uitdrukkelijk verklaarde de door haar geleden schade, begroot in functie van de marktwaarde, te vorderen, door hieraan een uitlegging, onverenigbaar met de bewoordingen van de dagvaarding en van voornoemde besluiten, te geven (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Bovendien is het bestreden arrest niet naar recht verantwoord in zoverre het oordeelt dat de schade, geleden door de afzender, niet kan bestaan in het factuurbedrag, ook al zou dit bedrag met de marktwaarde van de vervoerde goederen overeenstemmen (schending van artikel 23.1 en 2 van het verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962). Zodoende kon het hof van beroep de vordering ten aanzien van de vervoerder ook niet wettig verwerpen wegens het ontbreken van oorzakelijk verband tussen de beweerde fout van de vervoerder en de niet-betaling van de factuur door de koper, aldus de bepalingen aangaande het vermoeden van aansprakelijkheid in hoofde van de vervoerder miskennende (schending van de artikelen 17.1, 2 en 4 en 18 van het verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962). IV. Beslissing van het Hof
  4. Eerste onderdeel Overwegende dat verweerster een aantal gronden van niet-ontvankelijkheid opwerpt in een gedeeltelijk in het Frans gestelde memorie van antwoord, waarop het Hof gelet op de schending van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken die hieruit voortvloeit, niet hoeft in te gaan ; Overwegende dat, krachtens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomsten alleen gevolgen teweegbrengen tussen de contracterende partijen ; dat zij aan derden geen nadeel toebrengen en hun slechts tot voordeel strekken in het geval voorzien bij artikel 1121 ; Dat deze bepaling niet belet dat een derde een beroep doet op het bestaan van een overeenkomst en de gevolgen ervan tussen de contractspartijen als verweermiddel tegen een vordering die een van de partijen tegen hem richt ; Dat een derde evenwel de verbindende kracht van een overeenkomst waarin hij geen partij is, niet kan inroepen om zijn plichten ten aanzien van een van de contractanten te beperken ; Overwegende dat de appèlrechter oordeelt op grond van de koopover-eenkomst gesloten tussen eiseres en de Joint Fruit Company dat eiseres nog recht had op betaling van de prijs, ongeacht de fout begaan door verweerster, en dat zij "nog steeds betaling van de koopwaar kan vorderen" ; dat hij aldus ingaat op de vordering van verweerster die de verbindende kracht van de koop had aangevoerd ; Dat hij aldus artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek schendt ; Dat het middel gegrond is ;
  5. Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990909.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130627.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.