Vrije woorden: WEGVERKEER -
Artikel 30, ,§ 1, 1° Rijbewijs In het vreemdelingenregister ingeschreven vreemdeling Toepassing Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: VREEMDELINGEN Inschrijving in vreemdelingenregister Rijbewijs Verplichting Fiches 3 - 6 De nieuwe straf die bij een ongewijzigde geldboete niet langer voorziet in een hoofdgevangenisstraf of een vervangende gevangenisstraf, maar enkel in een vervangend verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig is milder dan de vorige straf
Vrije woorden: WEGVERKEER -
2003 Afschaffing van de voorheen bepaalde hoofdgevangenisstraf Mildere straf Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - Artt.30,§1,1 Thesaurus CAS: WEGVERKEER -
- Artikel 69bis Vrije woorden: WEGVERKEER -
2003 Afschaffing van de vervangende gevangenisstraf Vervangend verval van het recht tot sturen Mildere straf Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - Artt.30,§1,1 Tekst van de beslissing Nr. P.04.1027.N H. H., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Bertrand Vrijens, advocaat bij de balie te Gent, ter zitting bijgestaan door Mr. Annik Haegeman, advocaat bij de balie te Gent. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 2 juni 2004 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een grief voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de grief Overwegende dat het bestreden vonnis eiser tot straf veroordeelt wegens: "Te Oostende op 13 september 2002, ingeschreven zijnde in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van een Belgische gemeente en houder van een der volgende in België afgegeven documenten, hetzij een identiteitskaart van Belg of van vreemdeling, hetzij van een getuigschrift van inschrijving in het vreemdelingenregister, op de openbare weg een motorvoertuig te hebben bestuurd zonder houder te zijn van een rijbewijs of het als dusdanig geldend bewijs vereist voor het besturen van dit voertuig, overeenkomstig de bepalingen van het art. 3 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 (art. 21, eerste lid, art. 28, art. 30, ,§ 1, 1° en art. 38, ,§ 1, 5° Wet betreffende de politie over het wegverkeer K.B. 16 maart 1968)"; Overwegende dat eiser schending aanvoert van de artikelen 3, ,§ 2, eerste en tweede lid, koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en van artikel 41, 1, a, verdrag van 8 november 1968 inzake wegverkeer, goedgekeurd bij wet 30 september 1988, op grond dat hij als vreemdeling die een bevel ontving om het land te verlaten, zijn geldig Armeens rijbewijs niet kon inwisselen voor een Belgisch rijbewijs en hij derhalve met zijn Armeens rijbewijs op de openbare weg een motorvoertuig mocht besturen, mitsdien niet wettig kon worden veroordeeld wegens het hem ten laste gelegde feit; Overwegende dat de grief in zoverre hij het Hof wil doen oordelen over feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is, niet ontvankelijk is; Overwegende dat het bestreden vonnis overweegt: "Art. 3, ,§ 2, eerste lid, van het (KB Rijbewijs van 23 maart 1998) bepaalt dat de personen bedoeld in ,§ 1 slechts een motorvoertuig mogen besturen in België op basis van een Belgisch rijbewijs (of op basis van een onder de voorwaarden van art. 27, 2° afgegeven Europees rijbewijs), geldig voor de categorie of subcategorie waartoe het voertuig behoort. De categorieën van personen bedoeld in ,§ 1 betreffen personen ingeschreven in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die houder zijn van een identiteitskaart van Belg of voor vreemdeling, het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, de verblijfskaart van onderdaan van een Lid-Staat van de EEG of een attest van immatriculatie. (Eiser) behoorde op het ogenblik der feiten tot een van deze categorieën gezien hij ingeschreven was in het wachtregister. In die optiek moet hij één van de genoemde documenten in zijn bezit gehad hebben. Het is voor hem uiteraard in deze opportuun te stellen dat hij niet in het bezit is van een dezer documenten doch het feit dat hij in een wachtregister was ingeschreven op datum der feiten impliceert dat hij in het bezit moet zijn geweest van één der genoemde documenten. Op datum der feiten (13 september 2002) was (eiser) reeds bijna drie jaar in België, hij is ingeschreven in België sedert 2 december 1999, datum waarop hij ingeschreven werd in het wachtregister (navolgende Pv's nr. 057891/02 en 055044/03); sinds 2 januari 2000 is hij te Oostende gedomicilieerd; kort na de feiten t.t.z. op 9 december 2002- kreeg hij een speciaal identiteitsbewijs voor vreemdelingen. Het is, mede gelet op de korte uitwijzingsprocedures, onmogelijk dat (eiser) die toen reeds drie jaar in België was, geen document had in de zin van art. 3 ,§ 1, van het KB Rijbewijs. Dit betekent concreet dat zijn (geldig) buitenlands rijbewijs kon omgeruild worden met een Belgisch rijbewijs met vrijstelling van scholing en eventueel ook van examens. Zo hij derhalve een voertuig bestuurt zonder houder te zijn van een Belgisch rijbewijs valt hij onder toepassing van art. 30, ,§ 1, 1° Wegverkeerswet." Overwegende dat, krachtens artikel 21, eerste lid, Wegverkeerswet niemand op de openbare weg een motorvoertuig mag besturen, tenzij hij houder is van en tevens bij zich heeft een rijbewijs in België regelmatig afgegeven, of een buitenlands nationaal of internationaal rijbewijs onder de voorwaarden vastgesteld door de bepalingen die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn, rijbewijs dat geldig is voor de categorie of subcategorie waartoe het voertuig behoort; Dat zowel de Belgen als de vreemdelingen die normaal in België verblijven, houder en in het bezit moeten zijn van een in België regelmatig afgegeven rijbewijs; Overwegende dat krachtens artikel 3, ,§1, 1°, b, koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, een Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen de personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die houder zijn van het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister; Dat krachtens artikel 12, tweede lid, Vreemdelingenwet, de vreemdeling die zich vluchteling verklaart of die vraagt om als vluchteling te worden erkend, wordt ingeschreven in het in artikel 1, eerste lid, 2°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van natuurlijke personen, bedoelde wachtregister; dat krachtens het derde lid van het vermelde wetsartikel de Koning de wijze van inschrijving en het model van de verblijfsvergunning die bij de inschrijving wordt afgegeven en daarvan het bewijs levert bepaalt; Overwegende dat uit de hoger vermelde wetsbepalingen volgt dat aan een vreemdeling die in het wachtregister wordt ingeschreven, een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister wordt afgeleverd; dat die vreemdeling derhalve, zolang die inschrijving in het vreemdelingenregister niet ongedaan is gemaakt en zijn bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister niet is ingetrokken, slechts op de openbare weg een motorvoertuig mag besturen, wanneer hij houder is van, en tevens bij zich heeft, een regelmatig afgegeven Belgisch rijbewijs of een onder de voorwaarden van artikel 27, 2°, afgegeven Europees rijbewijs, dat geldig is voor de categorie of de subcategorie waartoe het voertuig behoort; Overwegende dat het bestreden vonnis met zijn redengeving op grond van de door hem onaantastbaar vastgestelde feitelijke omstandigheden, wettig oordeelt dat eiser zijn Armeens rijbewijs kon inruilen tegen een Belgisch rijbewijs met vrijstelling van de theoretische en praktische examens onder de voorwaarden bepaald in artikel 27, 2°, koninklijk besluit 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs; Dat de grief in zoverre niet kan worden aangenomen; B. Ambtshalve beoordeling Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2, tweede lid, Strafwetboek; - artikel 30, ,§ 1, 1°, Wegverkeerswet, zoals vervangen door artikel 9 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen in zake verkeersveiligheid; - artikel 69bis Wegverkeerswet, zoals vervangen door artikel 9 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen in zake verkeersveiligheid. Overwegende dat, krachtens artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, indien de straf ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast; Overwegende dat, op het ogenblik dat het feit werd gepleegd, het misdrijf een motorvoertuig te besturen zonder houder te zijn van het rijbewijs vereist voor het besturen van dit voertuig, of van het als zodanig geldend bewijs, door de toen toepasselijke versie van artikel 30, ,§ 1, 1°, Wegverkeerswet gestraft werd met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van 200 EUR tot 2.000 EUR of met een van die straffen alleen; dat krachtens het toen toepasselijke artikel 40 Strafwetboek bij gebreke van betaling binnen twee maanden te rekenen van het arrest of van het vonnis, indien het op tegenspraak, of te rekenen van de betekening, indien het bij verstek is gewezen, de geldboete kon worden vervangen door gevangenisstraf, waarvan de duur bij het vonnis of het arrest van veroordeling wordt bepaald en die zes maanden niet zal te boven gaan voor hen die wegens misdaad, drie maanden voor hen die wegens wanbedrijf, en drie dagen voor hen die wegens overtreding zijn veroordeeld; Overwegende dat, op het ogenblik van het vonnis, na de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid het misdrijf een motorvoertuig te besturen zonder houder te zijn van het rijbewijs vereist voor het besturen van dit voertuig, of van het als zodanig geldend bewijs, thans door de nieuwe versie van artikel 30, ,§ 1, 1°, Wegverkeerswet, in werking getreden op 1 maart 2004, nog enkel gestraft wordt met geldboete van 200 EUR tot 2.000 EUR; dat na de reeds vermelde wet van 7 februari 2003, krachtens het nieuwe artikel 69bis Wegverkeerswet, eveneens in werking getreden op 1 maart 2004, voor de toepassing van de Wegverkeerswet en, in afwijking van artikel 40 Strafwetboek, de boete bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee maanden na het arrest of het vonnis, indien het op tegenspraak, of te rekenen van de betekening, indien het bij verstek is gewezen, kan worden vervangen door een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig waarvan de duur zal worden bepaald door het vonnis of het arrest van veroordeling, en die niet langer dan een maand en niet korter dan acht dagen zal zijn; Overwegende dat de nieuwe straf die bij een ongewijzigde geldboete niet langer voorziet in een hoofdgevangenisstraf of een vervangende gevangenisstraf maar enkel in een vervangend verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig, milder is dan de vorige straf; Overwegende dat derhalve het bestreden vonnis eiser niet meer wettig kon veroordelen, naast een geldboete van 200 EUR, verhoogd met 40 opdeciemen, en gebracht op 1.000 EUR, tot een vervangende gevangenisstraf, maar een vervangend verval uit het recht tot het besturen van een motorvoertuig diende uit te spreken; Overwegende dat, voor het overige, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vervangende gevangenisstraf voor de opgelegde geldboete; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Veroordeelt eiser in de helft van de kosten en laat de overige helft ten laste van de Staat; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Kortrijk, zitting houdend in hoger beroep. Gezegde kosten begroot op de som van honderd zevenenveertig euro vierenveertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van twee november tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.12 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050420.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.