id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041105.4 Rolnummer: C.03.0503.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2004-12-24 Raadplegingen: 582 - laatst gezien 2026-07-04 09:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter oordeelt op onaantastbare wijze of de feiten waarvan een partij het bewijs aanbiedt, op zichzelf voldoende bepaald en ter zake dienend zijn
(1).
(1)Cass., 7 jan. 1983, AR 3598, A.C., 1982-83, nr
- Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Beoordelingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.915 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0503.N
- S.M. 2.a. S.M. 2.b. S.M. 2.c. S.A. 2.d. S.M., 2.e. S.L., 2.f. S.S., 2.g. S.G., 2.h. S.M., 2.i. S.E., 3.a. S.J., 3.b. S.J., 3.c. S.R., 3.d. S.A., 3.e. S.R., 4.a. V.T., 4.b. V.M., 4.c. V.G., 4.d. V.R., 4.e. V.A.,
- S.M., vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- VICE-POSTULAAT WERK VAN PATER VALENTINUS PAQUAY TE HASSELT, verenging zonder winstoogmerk, met zetel te 3500 Hasselt, Minderbroedersstraat 19,
- ZUSTERS AUGUSTINESSEN VAN SINT-TRUIDEN TE SINT-TRUIDEN, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 3800 Sint-Truiden, Clement Cartuyvelsstraat 5A, verweersters, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 december 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 915 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ; artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ; het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing oordeelt het hof van beroep dat het door de eisers "gedane bewijsaanbod", nl. het bewijs door middel van getuigen van de omstandigheid dat wijlen mevrouw A.S. niet voldoende "gezond van geest" was om een testament op te stellen, "niet dienend" is en dat verweersters zich op het onderhandse testament van 8 januari 1993 kunnen beroepen. De appèlrechters baseren zich daarbij op de volgende overwegingen : "(...) dat de oorspronkelijke vordering van (de eisers) ertoe strekt te zeggen voor recht : - dat het testament dd. 8 januari 1993 van wijlen mevrouw A.S., overleden op 23 april 1995 als nietig moet worden beschouwd en niet in aanmerking kan worden genomen om rechten te putten uit de nalatenschap van het overleden familielid van (de eisers), te zeggen voor recht dat de erfenis dient te worden toebedeeld aan (de eisers) volgens de wettelijke regeling, elk volgens zijn of haar deel, - ondergeschikt, (de eisers) toe te laten te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat op 8 januari 1993 of in de periode voor en na deze datum, mevrouw A.S. als ongezond van geest diende beschouwd te worden en niet meer in staat kon worden geacht haar eigen vermogen te beheren en erover te beschikken, meer specifiek (de eisers) toe te laten te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat A.S. in de periode van 20/08/1993 tot 27/09/1993 en van 24/10/1994 tot 7/02/1995 verbleef in het geestesziekenhuis van Sancta Maria en van 13/07/1993 tot 20/08/1993 en van 3/12/1993 tot 23/12/1993 in het Salvatorziekenhuis en dit wegens psychische problemen ; (...) dat, wat de toepassing van artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek betreft, (de verweersters) doen gelden dat het bewijs dat de gezondheid van de geest zou aangetast zijn, aan strenge vereisten is gebonden en dit bewijs door (de eisers) niet wordt geleverd, dat het door (de eisers) aangeboden bewijs onvoldoende wel omschreven is en bovendien in tijd en ruimte dient beperkt te worden ; dat (de eisers) staande houden dat de erflaatster ongezond van geest was en dat het volstaat de ongezondheid van geest aan te tonen gedurende de periode voorafgaand en volgend op het ogenblik van het testament ; (...) dat naar luid van artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek de erflaatster gezond van geest dient te zijn om een testament te kunnen maken ; dat (eisers) het precieze bewijs van de ongezondheid van geest op het ogenblik zelf van de rechtshandeling dienen te leveren ; dat het bewijs van ongezondheid van geest op het ogenblik van de rechtshandeling kan worden geleverd door een vermoeden dat steunt op een voortdurende wilszwakte kort voor en kort na het betwiste testament ; dat in het laatste geval een feitelijk vermoeden van ongezondheid van geest op het ogenblik van de testamentaire beschikking zou ontstaan en het aan (de verweersters) zou toekomen te bewijzen dat de erflaatster zich ten tijde van de rechtshandeling in een heldere tussenperiode bevond ; dat (de eisers), die concluderen tot de bevestiging van het bestreden vonnis, zich verzoenen met de door de eerste rechter toegestane bewijslevering en derhalve niet aanvechten dat hun aangevoerde elementen niet volstaan om aan te tonen dat de erflaatster in die perioden ongezond van geest was ; (...) dat de eerste rechter het bewijs en tegenbewijs toeliet dat de erflaatster, mevrouw A.S., op 8 januari 1993 of in de periode voor en na deze datum als ongezond van geest diende te worden beschouwd en niet meer in staat kon worden geacht haar eigen vermogen te beheren en erover te beschikken ; dat de toestand voor en na 8 januari 1993 niet in tijd is beperkt ; dat wijlen A.S., geboren op 4 september 1911, op datum van de testamentaire beschikking de leeftijd van 82 jaar had bereikt ; dat op die hoge leeftijd in de regel niet kan worden verwacht dat de gezondheidstoestand verbetert ; dat de beweerde verslechtering van de gezondheid van de erflaatster van 8 januari 1993 tot datum van haar overlijden dan ook niets zegt over de toestand van de erflaatster op datum van de testamentaire beschikking ; (...) dat (de verweersters) terecht opmerken dat het bewijs van de ongezondheid van geest omstandig en precies dient te zijn ; dat de feiten waarvan bewijsaanbod door (de eisers) wordt gedaan niet bepaald zijn ; dat het gegeven dat mevrouw A.S. als ongezond van geest diende te worden beschouwd en niet meer in staat kon worden geacht haar eigen vermogen te beheren en erover te beschikken een beoordeling door de getuigen toelaat ; dat het aan de rechter toekomt op grond van welomschreven feiten tot die besluitvorming te komen ; dat (de eisers) geen precieze feiten formuleren op grond waarvan de gezondheidstoestand van wijlen mevrouw A.S. kan worden beoordeeld zodat het door (de eisers) gedane bewijsaanbod niet dienend is ; (...) dat uit het voorgaande volgt dat (de eisers) niet het sluitend bewijs leveren dat de decujus ongezond van geest was op datum van de testamentaire beschikking ; dat (de verweersters), zijnde de begunstigden van het testament, het voordeel van de testamentaire beschikkingen kunnen genieten" (p. 4 in fine - p. 5, p. 6-7 en de voorlaatste alinea van p. 9 van het bestreden arrest). Grieven Overeenkomstig artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek moet men gezond van geest zijn om een testament te kunnen maken. Het bewijs van de "ongezondheid van geest" van de testator op het ogenblik dat deze het betwiste testament opstelde, kan worden geleverd door alle middelen van recht. De eisers stelden te dezen dat wijlen mevrouw A.S. op het ogenblik van het opstellen van het testament, d.w.z. op 8 januari 1993, niet gezond van geest was. Dienaangaande boden ze aan om dit laatste door middel van een getuigenverhoor te bewijzen, waarbij ze tevens het bewijs aanboden van de omstandigheid dat mevrouw A.S. in welbepaalde periodes in de loop van 1993 en 1994 wegens psychische problemen in het ziekenhuis was opgenomen (cf. p. 4 in fine - p. 5 van het bestreden arrest). In het beroepen vonnis werden de eisers door de rechtbank van eerste aanleg zonder meer toegelaten tot het getuigenverhoor van het feit "dat op datum van 8.01.1993 of in de periode voor en na deze datum mevrouw A.S. als ongezond van geest diende te worden beschouwd en niet meer in staat kon worden geacht haar eigen vermogen te beheren en erover te beschikken". Hoewel de bodemrechter in beginsel in feite en derhalve op een onaantastbare wijze oordeelt of een getuigenverhoor dienstig kan worden geleverd en, meer in het bijzonder, of het desbetreffende bewijsaanbod betrekking heeft op een "bepaald en ter zake dienend feit" in de zin van artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek, mag hij het principieel recht om een bewijs door middel van getuigen te leveren niet miskennen. Te dezen stelt het hof van beroep niet vast dat het standpunt van eisers volgens welke wijlen mevrouw A.S. op het ogenblik van het opstellen van het testament niet gezond van geest was, ongeloofwaardig zou zijn of zou worden tegengesproken door andere feitelijke gegevens of vermoedens : de appèlrechters oordelen slechts dat eisers geen afdoend bewijs voorleggen van de ongezondheid van geest en dat het door hen aangeboden getuigenbewijs geen betrekking zou hebben op bepaalde en precieze feiten. Het hof wijst het bedoelde bewijsaanbod immers als "niet dienend" van de hand op grond van de bedenking "dat de feiten waarvan bewijsaanbod door (de eisers) wordt gedaan niet bepaald zijn" en "dat (de eisers) geen precieze feiten formuleren op grond waarvan de gezondheidstoestand van wijlen mevrouw A.S. kan worden beoordeeld". Een dergelijke beslissing miskent het principiële recht van eisers om de afwezigheid van de in artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek vereiste "gezondheid van geest" door alle middelen rechtens te bewijzen. De eisers waren er immers niet toe gehouden om naar aanleiding van hun bewijsaanbod nog nadere gegevens en feitelijke omstandigheden aan te duiden waaruit de afwezigheid van de "gezondheid van geest" zou blijken. De appèlrechters stellen dan ook niet wettig vast dat de afwezigheid van de door artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek vereiste gezondheid van geest als zodanig geen "bepaald en precies" feit zou inhouden waarvan het getuigenbewijs kan worden geleverd. Door op de voormelde gronden te oordelen dat het door eisers aangeboden getuigenbewijs "niet dienend" is, miskennen de appèlrechters het principiële recht van eisers om de afwezigheid van de gezondheid van geest door een getuigenverhoor te bewijzen en schenden ze de artikelen 901 van het Burgerlijk Wetboek en 915 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien worden aldus ook de rechten van de verdediging van de eisers en hun recht op een eerlijke behandeling van hun zaak miskend, zodat tevens het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging en artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, worden geschonden. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, indien een partij aanbiedt het bewijs van een bepaald en terzake dienend feit te leveren door een of meer getuigen, de rechter die bewijslevering kan toestaan, indien het bewijs toelaatbaar is ; Dat de rechter op onaantastbare wijze oordeelt of de feiten waarvan een partij het bewijs aanbiedt, op zichzelf voldoende bepaald en ter zake dienend zijn zoals vereist door artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek ; Overwegende dat de appèlrechters te dezen, door te oordelen dat de feiten waarvan bewijsaanbod door de eisers wordt gedaan, niet bepaald zijn, dat zij voor interpretatie door de getuigen zelf vatbaar zijn, terwijl dit aan de rechtbank toekomt en dat de eisers geen precieze feiten formuleren op grond waarvan de gezondheidstoestand van de erflater kon worden beoordeeld, het principieel recht van de eisers met getuigen te bewijzen, niet miskennen ; Overwegende dat de voor het overige aangevoerde onwettigheden geen zelfstandige grief uitmaken, maar volledig zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 901 van het Burgerlijk Wetboek en 915 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd zeventien euro negenentachtig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd zeventien euro tweeënzeventig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van vijf november tweeduizend en vier uitgesproken door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041105.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210504.2N.6 ECLI:BE:CTLIE:2022:ARR.20220218.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div