← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.10 Rolnummer: D.03.0016.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 546 - laatst gezien 2026-07-04 22:30 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een beroepsorde, zoals de Orde der Geneesheren, kan het recht op vrije meningsuiting beperken wanneer het algemeen belang, de volksgezondheid en de fundamentele regels van het beroep dat vereisen; het staat aan de rechter in concreto na te gaan of de beperking van de vrijheid van meningsuiting nodig is ter bescherming van de openbare orde en de gezondheid, en het belang van de expressievrijheid en de maatschappelijke belangen af te wegen

(1)
(2).
(1)Zie J. Velu en R. Ergec, "Convention Européenne des Droits de l'Homme" in R.P.D.B., Compl. VII, 365 e.v. inz. nr 761.
(2)Cass., 2 mei 2002, AR D.01.0011.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020502.8, nr
  1. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE Vrije woorden: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Orde der geneesheren Plichtenleer Vrijheid van meningsuiting Beperking Voorwaarden Toepassing RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Vrijheid van meningsuiting Arts Beperking Voorwaarden Toepassing Tekst van de beslissing Nr. D.03.0016.N V.M. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijke rechtspersoon, optredend door haar Nationale Raad, vertegenwoordigd door haar voorzitter en ondervoorzitter, met zetel te 1030 Schaarbeek, de Jamblinne de Meuxplein 34-35, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 16 juni 2003 op verwijzing gewezen door de Raad van Beroep van de Orde der geneesheren, met het Nederlands als voertaal. II. Rechtspleging voor het Hof Het Hof heeft op 2 mei 2002 een arrest gewezen, met verwijzing van de zaak naar de raad van beroep van de Orde der geneesheren met het Nederlands als voertaal, anders samengesteld. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ; de artikelen 1 en 2, ,§1 en 2, van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging ; het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Aangevochten beslissing Met bevestiging van de beslissing van de provinciale raad Limburg van 1 december 1999, verklaart de bestreden beslissing eiser schuldig aan de tenlastelegging "door tussenkomst van de firma 'Laser Aesthetic, alias Transhair', zijnde een onderneming waarvan de structuren hem bekend zijn, voor zijn praktijk reclame te hebben gevoerd en door toedoen van de propaganda uitgaande van deze firma, patiënten in zijn voordeel te hebben laten ronselen, en door alzo te handelen, de door hem uitgeoefende geneeskunde als een handelszaak te hebben opgevat, minstens hiervan de indruk te hebben gegeven", en legt hem de tuchtsanctie op van schorsing van het recht de geneeskunde uit te oefenen voor de duur van zes maanden. De bestreden beslissing verwerpt het verweer van eiser dat de hem opgelegde tuchtsanctie een concurrentiebeperkende maatregel uitmaakt in strijd met de Mededingingswet, op grond van de motieven dat : "1.- De principes. Alhoewel de artsen de geneeskunde uitoefenen hoofdzakelijk ten dienste van de volksgezondheid en van de patiënten, is het zo dat bij hun dienstverlening in bijkomende orde zij een winstgevend oogmerk nastreven. In die maat is de arts, beoefenaar van een zelfstandig beroep, een onderneming in de zin van artikel 2, ,§1, van de wet van 5 augustus 1991 op de bescherming van de mededinging en is de Orde van de geneesheren een vereniging van ondernemingen. De organen van de Orde, hetzij deze die de deontologische regels vastleggen, hetzij deze die deze principes toepassen en sanctioneren op grond van de bevoegdheid die hun door de wetgever werd opgedragen, zijn niettemin en bijgevolg gehouden hun beslissingen aan de vereisten van de mededingingswet te toetsen : zij mogen niet de mededinging op algemene wijze verbieden, belemmeren of vervalsen. Dit laat echter niet toe dat de arts op vrije en onbeperkte wijze reclame voor zijn praktijk kan voeren of laten voeren. Het algemeen belang zijnde de volksgezondheid, het bevorderen, het herstellen of het beschermen van de gezondheid van de patiënten liggen aan de grondslag van de medische plichtenleer. De fundamentele en essentiële regels eigen een (lees : aan) het beroep kunnen bepaald beperkingen in de mededinging en in de publiciteit vereisen en opleggen. De code van medische plichtenleer heeft dan ook sedert 21 september 2002 deze beperkingen inzake publiciteit opgelegd en gedefinieerd. Publiciteit mag het algemeen belang inzake de volksgezondheid niet schaden. Ze mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen. Ronseling van patiënten is niet toegelaten. De kwaliteit van de relatie tussen de arts en de patiënt is essentieel in de geneeskunde : de patiënt heeft een absoluut recht op de vrije keuze van de arts en de vertrouwensrelatie moet kunnen ontstaan en gevrijwaard kunnen blijven. Wanneer de arts optreedt of zich laat doorgaan als een handelaar die erop uit is geldwinsten te maken door een reclame hoofdzakelijk gericht op het ronselen van cliënten, op het aanzetten tot het benutten van de aangeboden diensten, zelfs wanneer deze overbodig zijn, komt hij tekort aan zijn deontologische verplichtingen. De vertrouwensrelatie wordt dan aangetast evenzeer als de eer, de waardigheid, de eerlijkheid en de bescheidenheid van het beroep. 'De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak worden opgevat' aldus de Code van Geneeskundige plichtenleer. 2.- 'In casu'. Ter zake kan het niet ontkend worden dat er op grote schaal tijdens de jaren 1996 minstens tot en met 1999 publiciteit voor haartransplantatie werd gemaakt : 1- eerst door de firma Transair o.a. bij bemiddeling van kappers die hiervoor een commissieloon ontvingen en 2- herhaaldelijk sinds juli 1996 door de BVBA Laser Aesthetics in verschillende dagbladen, publicitaire tijdschriften, webadvertenties, enz. Deze publiciteit werd gemaakt niet alleen om het bestaan van deze ondernemingen en de aard van de aangeboden diensten kenbaar te maken, maar voornamelijk om mensen aan te zetten zich te laten verzorgen door het uitvoeren van bepaalde ingrepen zoals haartransplantatie of liposuctie door bemiddeling van deze firma die bijgevolg en voornamelijk het ronselen van cliënten nastreefde. Vandaar dat er meerdere en herhaalde klachten werden ingediend door plastische chirurgen tegen dat soort reclame en tegen (eiser) en (dokter) F. die uit Duitsland naar Hasselt gekomen waren om er aan haartransplantatie te doen. (Eiser) heeft overigens op 24 maart 2003 voor de Raad verklaard dat de overgrote meerderheid van de door hem behandelde patiënten door tussenkomst van Laser Aesthetics met hem in contact gekomen waren en dat slechts een minderheid zich rechtstreeks tot hem gericht hadden. (Eiser) houdt ten onrechte voor dat hij zelfstandig zijn praktijk uitoefent, zonder enige binding, relatie of geschreven overeenkomst met de BVBA Laser Aesthetics en dat bij toeval deze firma gevestigd werd op het gelijkvloers van het gebouw waar hij op de eerste verdieping zijn kabinet heeft. De gemaakte reclame wordt door Laser Aesthetics gevoerd, waarop hij geen controle uitoefende, beweert hij. De heer M. zijnerzijds verklaarde (16 november 1996) dat eerst de firma Transhair zich te Hasselt op de Residentie van de Luikersteenweg gevestigd had en dat de kliniek vervolgens daar ook werd gevestigd. Dit was dus geen toeval. Volgens verklaring van (eiser) aan de Raad op 24 maart 2003 betalen de door de firma naar hem doorverwezen cliënten na de ingreep het door hen volledig verschuldigd bedrag enkel aan hem zelf, waarin zowel zijn ereloon, als de bezoldiging van het verplegend personeel, de huur van de lokalen en de apparatuur alsmede de verblijfkosten in een Hasseltse hotel begrepen zijn. Hij bepaalde zelf het te betalen bedrag (naar gelang de omvang van de ingreep, zegt hij), ontving het van de cliënt en verdeelde het. Wanneer geïnteresseerde cliënten zich naar Laser Aesthetics wendden werden ze na bekomen inlichtingen met (eiser) in contact gebracht, zoals hij het zelf aan de Raad op 24 maart 2003 toegaf. Hieruit blijkt dat deze arts zeer nauwe kontakten met deze firma onderhield, en niet onwetend kon zijn van de door haar gevoerde publiciteit, en van het door hem hieruit geput persoonlijk financieel voordeel. Het feit dat zijn naam in de aangeklaagde publiciteit niet werd vernoemd neemt niet weg dat hij zijn geneeskundige praktijk als een handelszaak heeft uitgebouwd en blijft uitbaten dankzij het voeren van allerlei reclame weliswaar rechtstreeks gevoerd door voornoemde firma maar in ruime mate ten goede komend aan zijn praktijk. (Eiser) zou volgens zijn zeggen zich gespecialiseerd hebben in de haartransplantatietechniek met behulp van een laserapparatuur die hem 3 miljoen frank zou hebben gekost en er zou geen andere arts zijn die dit soort ingreep met de aangekondigde apparatuur en techniek uitvoert. Uit dit alles volgt dat : 1- in feite de patiënten over geen vrije keuze van de behandelende arts beschikten. 2- (Eiser) cliënten liet ronselen ten nadele van zijn confraters plastische chirurgen, zodoende zijn essentieel confraterniteitsplicht miskennend. 3- het handelskarakter van zijn medische activiteit geschraagd door de grootschalige reclame van de firma Laser Aesthetics, - wanneer volgens de plichtenleer deze discreet moet blijven - het vertrouwen van de cliënten/patiënten in de deskundige en wetenschappelijke waarde ervan in de weg stond. 4- de eer, de waardigheid, de bescheidenheid, de eerlijkheid van het beroep ernstig werden aangetast. 5- het provinciaal tuchtorgaan van de Orde die door de wetgever gelast werd met het doen eerbiedigen van de fundamentele regels van het beroep heeft volgens de plichtenleer rechtsgeldig beperkingen in de mededinging opgelegd en de aangeklaagde handelingen van (eiser) tegenstrijdig met de grondbeginselen van de plichtenleer verklaard en bestraft. Terecht heeft de Provinciale Raad geoordeeld dat (eiser) met de reeds gemelde handelsfirma "Laser Aesthetic Transair" zeer nauwe betrekkingen onderhield en bij de door hem uitgeoefende geneeskunde in een commercieel bedrijf verstrengeld was alsmede dat hij patiënten in zijn voordeel door dit bedrijf heeft laten ronselen. De Raad van Beroep is van oordeel dat deze feiten ten laste van (eiser) bewezen zijn gebleven. Deze raad acht niet bewezen dat (eiser) zelf reclame heeft gevoerd noch dat hij zelf patiënten heeft geronseld. Voor de bewezen feiten, een miskenning vormend van fundamentele regels van het artsenberoep over meerdere jaren verspreid, is een strenge tuchtsanctie nodig en verantwoord" (bestreden beslissing, blz. 1-4 en 6). Grieven Eerste onderdeel Eiser werd verweten "door tussenkomst van de firma 'Laser Aesthetic, alias Transhair', zijnde een onderneming waarvan de structuren hem bekend zijn, voor zijn praktijk reclame te hebben gevoerd en door toedoen van de propaganda uitgaande van deze firma, patiënten te hebben geronseld of in zijn voordeel te hebben laten ronselen, en door alzo te handelen, de door hem uitgeoefende geneeskunde als een handelszaak te hebben opgevat, minstens hiervan de indruk te hebben gegeven". Eiser voerde aan dat het opleggen van een tuchtsanctie strijdig was met de eisen van de mededingingswet nu hem een algemeen reclameverbod werd opgelegd zonder dat in concreto nagegaan werd of dit verbod verzoenbaar is met de eisen van de mededingingswet en met de eisen van de volksgezondheid. De appèlrechters verwerpen dit verweer en overwegen dat de beperkingen in de mededinging rechtsgeldig zijn, nu de patiënten in feite over geen vrije keuze van de behandelende arts beschikten, eiser cliënten liet ronselen ten nadele van zijn confraters plastische chirurgen, zodoende de essentiële confraterniteitsplicht miskennend, het handelskarakter van zijn medische activiteit geschraagd door de grootschalige reclame van de firma Laser Aesthetics, het vertrouwen van cliënten/patiënten in de deskundige en wetenschappelijke waarde ervan in de weg staat en hierdoor de eer, de waardigheid, de bescheidenheid en de eerlijkheid van het beroep ernstig werden aangetast. Aldus steunen de appèlrechters hun beslissing op een aantal ambtshalve aangevoerde redenen en verwijten zij eiser een aantal nieuwe tekortkomingen aan de plichtenleer die niet in de tenlastelegging waren begrepen en waarover eiser geen verweer heeft kunnen voeren. Hieruit volgt dat de appèlrechters artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging schenden. Tweede onderdeel Krachtens artikel 1 van de wet van 5 augustus 1991 dienen, voor de toepassing van de wet, als ondernemingen te worden verstaan alle natuurlijke of rechtspersonen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven. Krachtens artikel 2 van die wet zijn verboden alle besluiten van ondernemingsverenigingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Geneesheren, ook al zijn zij geen kooplieden in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel en ook al hebben zij een maatschappelijke functie, oefenen een activiteit uit die gericht is op de uitwisseling van goederen of diensten. Zij streven op duurzame wijze een economisch doel na en zijn aldus in de regel ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Mededingingswet. De Orde der geneesheren is een beroepsvereniging waarbij alle beroepsbeoefenaars wettelijk moeten aansluiten. De overheid heeft aan de Orde bepaalde taken opgedragen, inzonderheid toe te zien op het eerbiedigen van de deontologie en de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van zijn leden. De Orde streeft hierbij geen economisch doel na maar vervult een wettelijke taak waarvoor zij overigens een regulerende bevoegdheid heeft gekregen van de overheid. Dit belet evenwel niet dat zij een ondernemingsvereniging is in de zin van artikel 2, ,§1, van de Mededingingswet waarvan de besluiten, in de mate zij ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt aangetast, door de tuchtorganen van de Orde getoetst moeten worden aan de eisen van de Mededingingswet. Een besluit van een orgaan van de Orde dat aan een of meer van zijn leden beperkingen oplegt in de mededinging die niet vereist zijn om de fundamentele regels van het beroep te handhaven maar dat in werkelijkheid ertoe strekt bepaalde materiële belangen van geneesheren te begunstigen of een economisch stelsel te installeren, of in stand te houden, kan een besluit zijn van een ondernemingsvereniging waarvan de nietigheid van rechtswege kan worden vastgesteld door de raad van beroep. Eiser voerde in conclusie aan dat het aan hem opgelegde reclameverbod strijdig is met de eisen van de Mededingingswet. De appèlrechters verwerpen dit verweer en overwegen dat de firma Transhair/Laser Aesthetics publiciteit voerde die voornamelijk het ronselen van cliënten nastreefde, dat de overgrote meerderheid van de door eiser behandelde patiënten door tussenkomst van Laser Aesthetics met hem in contact gekomen zijn, dat hieruit blijkt dat eiser nauwe contacten met deze firma onderhield en dat hij derhalve zijn geneeskundige praktijk als een handelszaak heeft uitgebouwd en blijft uitbaten dankzij het voeren van allerlei reclame. De appèlrechters vervolgen dat aldus de patiënten in feite over geen vrije keuze van de behandelende arts beschikten, dat eiser cliënten liet ronselen ten nadele van zijn confraters plastische chirurgen, zodoende de essentiële confraterniteitsplicht miskennend, dat het handelskarakter van zijn medische activiteit, geschraagd door de grootschalige reclame van de firma Laser Aesthetics, het vertrouwen van cliënten/patiënten in de deskundige en wetenschappelijke waarde ervan in de weg staat en dat hierdoor de eer, de waardigheid, de bescheidenheid en de eerlijkheid van het beroep ernstig werden aangetast. De appèlrechters besluiten dat de beperkingen in de mededinging op rechtsgeldige wijze werden opgelegd. Aldus verantwoorden de appèlrechters hun beslissing niet naar recht. Het voeren van reclame heeft tot doel de verkoop van producten of diensten te bevorderen en derhalve om klanten te ronselen. Nu ook een geneesheer een onderneming is in de zin van de mededingingswet, kan hij genieten van de waarborgen van de mededingingswet en mag de mededinging in zijnen hoofde niet worden beperkt, tenzij deze mededinging strijdig zou zijn met de fundamentele regels van het beroep en met de volksgezondheid. Het is de geneesheer derhalve in principe toegestaan om zijn geneeskundige praktijk als een handelszaak uit te baten en om reclame te voeren die tot doel heeft patiënten te werven, tenzij zou blijken dat de gevoerde reclame strijdig is met de fundamentele regels van het beroep en met de volksgezondheid. Bij het opleggen van de tuchtsanctie dienden de appèlrechters derhalve na te gaan of de door hen opgelegde beperking van de mededinging in de concrete omstandigheden van de zaak noodzakelijk was ter bescherming van de fundamentele regels van het beroep en van de volksgezondheid. De appèlrechters beslissen dat de beperking van de mededinging noodzakelijk is omdat de patiënten door de gevoerde reclame over geen vrije keuze van de behandelende arts beschikten. Uit het enkele feit dat reclame gevoerd wordt, kan niet worden afgeleid dat de patiënten niet over een vrije keuze van behandelende arts beschikken. Reclame heeft immers tot doel een patiënt aan te sporen om voor de ene, eerder dan voor de andere diensten te kiezen, doch ontneemt aan de patiënt niet de keuze tussen de bestaande opties. Iedere vorm van reclame heeft precies tot doel de keuze van de patiënt te beïnvloeden omdat reclame net tot doel heeft de patiënt te binden aan een bepaalde arts. De arts wenst immers dat die patiënt bij hem een behandeling ondergaat en niet bij een collega. Door het voeren van reclame wordt de patiënt door verschillende zorgverstrekkers ingelicht over de alternatieve behandelingen die beschikbaar zijn hetgeen ertoe leidt dat de vrije keuze van de patiënt wordt verruimd. De appèlrechters verantwoorden hun beslissing dat het laten ronselen van patiënten door Laser Aesthetics afbreuk doet aan de keuzevrijheid van de patiënt dan ook niet naar recht. Eiser merkt in dit verband nog op dat de appèlrechters niet beslissen dat de gevoerde reclame de patiënten aanzette tot overbodige behandelingen. In zoverre de appèlrechters dit wel beslissen, verantwoorden zij hun beslissing evenmin naar recht. Er kan immers niet in algemene termen gesteld worden dat de door eiser geleverde diensten, zoals haartransplantatie, overbodig zijn. In zoverre de appèlrechters vaststellen dat eiser als enige dit soort ingreep met de aangekondigde apparatuur en techniek uitvoert en daaruit afleiden dat de patiënten over geen vrije keuze van de behandelende arts beschikten, verantwoorden de appèlrechters hun beslissing evenmin naar recht. Het ontbreken van de vrije keuze van de patiënten is in dat geval immers niet te wijten aan de gedragingen van eiser, doch wel aan de aan eiser externe omstandigheid dat deze patiënten zich voor de genoemde behandeling niet tot andere artsen kunnen wenden omdat geen enkele andere arts deze behandeling kan uitvoeren. De overweging van de appèlrechters dat eiser zijn cliënten liet ronselen ten nadele van zijn confraters plastische chirurgen, zodoende zijn essentiële confraterniteitsplicht miskennende, verantwoordt hun beslissing evenmin naar recht. De essentie van reclame bestaat er immers in klanten te werven ten nadele van andere ondernemingen die dezelfde diensten aanbieden. Waar de mededingingswet eveneens op geneesheren van toepassing is, hebben zij principieel het recht om reclame te voeren en dit ten nadele van confraters. De confraterniteitsplicht kan niet beschouwd worden als een ter bescherming van de volksgezondheid vereiste essentiële regel van het beroep die afwijkingen van de mededingingswet toelaat. De overweging van de appèlrechters dat het handelskarakter van de medische activiteit van eiser, geschraagd door de grootschalige reclame van de firma Laser Aesthetics, het vertrouwen van cliënten/patiënten in de deskundige en wetenschappelijke waarde ervan in de weg staat, verantwoordt hun beslissing evenmin naar recht. Het enkele feit dat de geneeskunde wordt uitgevoerd als een handelszaak en dat er reclame gevoerd wordt, verantwoordt immers het besluit niet dat het vertrouwen van de patiënten in de deskundige en wetenschappelijke waarde van de behandeling wordt aangetast. Eiser besluit dat de door de appèlrechters gegeven redenen om te beslissen dat de gevoerde reclame strijdig is met de medische plichtenleer, algemene overwegingen zijn die van toepassing zijn op elke vorm van reclame en niet in concreto aangeven waarom de reclame die ten voordele van eiser werd gevoerd strijdig is met de essentiële regels van het beroep en met de volksgezondheid. Hieruit volgt dat de appèlrechters, in strijd met de vereisten van de mededingingswet, aan eiser een absoluut reclameverbod opleggen en hun beslissing dat een afwijking van de mededingingswet terzake rechtsgeldig was niet naar recht verantwoorden (schending van de artikelen 1 en 2, ,§ 1 en 2, van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei
  2. Aangevochten beslissingen Met bevestiging van de beslissing van de provinciale raad Limburg van 1 december 1999, verklaart de bestreden beslissing eiser schuldig aan de tenlastelegging "door tussenkomst van de firma 'Laser Aesthetics, alias Transhair', zijnde een onderneming waarvan de structuren hem bekend zijn, voor zijn praktijk reclame te hebben gevoerd en door toedoen van de propaganda uitgaande van deze firma, patiënten in zijn voordeel te hebben laten ronselen, en door alzo te handelen, de door hem uitgeoefende geneeskunde als een handelszaak te hebben opgevat, minstens hiervan de indruk te hebben gegeven", en legt hem de tuchtsanctie op van schorsing van het recht de geneeskunde uit te oefenen voor de duur van zes maanden. De bestreden beslissing verwerpt het verweer van eiser dat de hem opgelegde tuchtsanctie een schending uitmaakt van de vrijheid van meningsuiting, op grond van de motieven dat : "4.- Miskenning van het recht op vrije meningsuiting. (Eiser) stelt eveneens onterecht dat zijn grondrechten op meningsuiting en op bekendmaking aan de cliënten/patiënten wordt geschonden wanneer de tuchtoverheid de gevoerde publiciteit en reclame verbiedt of beperkt. Indien zijn stelling hoofdzakelijk hierin bestaat dat de aangeklaagde publiciteit niet van hen uitgaat doch enkel van een handelsonderneming waarmee hij geen de minste binding heeft dan heeft (eiser) geen hoedanigheid noch belang om zich te beklagen over een beslissing nopens de inhoud en de modaliteiten van deze publiciteit. De vaststelling dat betrokkene de noodzaak en het nut van deze publiciteit - en meteen de belangen van de onderneming - verdedigt wijst er genoeg op dat hij zelf aan de basis van deze publiciteit staat. Het staat vast dat (eiser) niets ondernomen heeft om de publiciteit gevoerd door de firma Laser Aesthetics - in ruime mate in zijn voordeel - te verhinderen of te beperken. Net zoals voor het mededingingsrecht, kan een beroepsorde zoals de Orde van geneesheren het recht op vrije meningsuiting beperken, wanneer het algemeen belang, de volksgezondheid en de fundamentele regels van het beroep dat vereisen ; louter commerciële publiciteit - een vorm van meningsuiting - werd ten deze niet als een informatiemiddel over het bestaan en het nut van een bepaalde therapie gemaakt, maar werd gevoerd als gekenmerkte reclame met het doel cliënten aan te zetten om bepaalde ingrepen te laten uitvoeren en deze aldus te lokken ten nadele van gespecialiseerde confraters. Terecht heeft de Provinciale Raad geoordeeld dat (eiser) met de reeds gemelde handelsfirma 'Laser Aesthetic Transair' zeer nauwe betrekkingen onderhield en bij de door hem uitgeoefende geneeskunde in een commercieel bedrijf verstrengeld was alsmede dat hij patiënten in zijn voordeel door dit bedrijf heeft laten ronselen. De raad van beroep is van oordeel dat deze feiten ten laste van (eiser) bewezen zijn gebleven. Deze raad acht niet bewezen dat (eiser) zelf reclame heeft gevoerd noch dat hij zelf patiënten heeft geronseld. Voor de bewezen feiten, een miskenning vormend van fundamentele regels van het artsenberoep over meerdere jaren verspreid, is een strenge tuchtsanctie nodig en verantwoord". Grieven Artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat eenieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid inlichtingen door te geven zonder inmenging van overheidswege. Ook louter commerciële publiciteit behoort tot de door artikel 10 van het verdrag gegarandeerde vrijheid van meninguiting. Dit recht kan aan beperkingen of sancties worden onderworpen welke bij wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van de bescherming van de openbare orde en van de gezondheid. De beoordeling van de noodzaak in een democratische samenleving houdt in dat de rechter naar een rechtvaardig evenwicht moet streven tussen het belang van de expressievrijheid, enerzijds, en de bescherming van de rechten van de anderen, de openbare orde en van de gezondheid, anderzijds. In zoverre de appèlrechters beslissen dat louter commerciële publiciteit niet onder het toepassingsgebied van artikel 10 EVRM valt, schenden zij voormelde bepaling. Ook louter commerciële publiciteit behoort immers tot de door artikel 10 van het verdrag gegarandeerde vrijheid van meninguiting. In zoverre de appèlrechters beslissen dat louter commerciële publiciteit wel onder het toepassingsgebied van deze bepaling valt, doch dat de beperking van de vrije meningsuiting terzake verantwoord is, laten zij na in de bestreden beslissing te onderzoeken of de beperking van de vrije meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving en laten zij met name na een in concreto afweging te maken tussen de expressievrijheid van eiser, enerzijds, en de bescherming van de rechten van de anderen, de openbare orde en van de gezondheid, anderzijds. Hieruit volgt dat de appèlrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schenden. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Eerste onderdeel Overwegende dat de bestreden beslissing vaststelt dat de patiënten over geen vrije keuze van de behandelende arts beschikten, dat eiser cliënten liet ronselen ten nadele van zijn confraters plastische chirurgen, dat het handelskarakter van zijn medische activiteit geschraagd door de grootschalige reclame van de firma Laser Aesthetics het vertrouwen van de cliënten/patiënten in de deskundige en wetenschappelijke waarde ervan in de weg stond ; Dat die vaststellingen van de appèlrechters de feiten uitmaken waarop zij steunen bij de beoordeling van de telastlegging ; Dat de appèlrechters derhalve met deze vaststellingen hun beslissing niet op een aantal ambtshalve aangevoerde redenen laten steunen en evenmin een aantal nieuwe, van de telastlegging onderscheiden inbreuken op de plichtenleer aan eiser verwijten ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel opkomt tegen de vaststelling van de appèlrechters dat de patiënten over geen vrije keuze van de behandelende arts beschikten, en dat het handelskarakter van zijn medische activiteit geschraagd door de grootschalige reclame van de firma Laser Aesthetics het vertrouwen van de cliënten/patiënten in de deskundige en wetenschappelijke waarde ervan in de weg stond ; Dat de beslissing aldus in concreto oordeelt dat de praktijk van eiser indruiste tegen de dwingende eisen gesteld door de bescherming van de volksgezondheid en zodoende zijn beslissing naar recht verantwoordt ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; Tweede middel Overwegende dat het middel gedeeltelijk ervan uitgaat dat de Raad van Beroep heeft beslist dat louter commerciële publiciteit niet onder het toepassingsgebied van artikel 10 EVRM valt ; Dat de bestreden beslissing dergelijk oordeel niet inhoudt ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende, voor het overige, dat de appèlrechters oordelen dat een beroepsorde zoals verweerster het recht op vrije meningsuiting kan beperken, wanneer het algemeen belang, de volksgezondheid en de fundamentele regels van het beroep dat vereisen ; Dat zij vervolgens vaststellen dat de louter commerciële publiciteit te dezen niet als een informatiemiddel over het bestaan en het nut van een bepaalde therapie werd gemaakt, maar werd gevoerd als gekenmerkte reclame met het doel cliënten aan te zetten om bepaalde ingrepen te laten uitvoeren en deze aldus te lokken ten nadele van gespecialiseerde confraters ; Dat zij aldus in concreto nagaan of de beperking van de vrijheid van meningsuiting in casu nodig is ter bescherming van de openbare orde en de bescherming van de gezondheid, en de belangenafweging doen tussen het belang van de expressievrijheid en de maatschappelijke belangen ; Dat de appèlrechters zodoende hun beslissing naar recht verantwoorden ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van driehonderd drieënvijftig euro twintig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en zes euro drieënzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020502.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091211.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.