id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.8 Rolnummer: C.02.0431.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2004-12-24 Raadplegingen: 495 - laatst gezien 2026-07-04 20:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Art. 792 B.W. heeft betrekking op alle gevallen van bedrog waarin een erfgenaam, ten nadele van zijn mede-erfgenamen, de gelijkheid van de verdeling tracht te verbreken, hetzij doordat hij zich goederen toe-eigent, hetzij doordat hij de desbetreffende hem door de wet opgelegde verklaringen verzuimt en aldus de van de overledene gekregen giften verborgen houdt
(1).
(1)Cass., 23 mei 1991, AR 8998 en 9054, nr 489. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: ERFENISSEN Verwerping Recht van verwerping Verval Toepassingsgebied Fiche 2 De erfgenaam die de goederen van een nalatenschap weggemaakt of verborgen gehouden heeft, kan de in art. 792 B.W. bedoelde sanctie niet ontlopen tenzij hij uiterlijk voor het afsluiten van de in art. 1175 Ger.W. bedoelde boedelbeschrijving uit eigen beweging op de leugenachtige verklaring is teruggekomen
(1).
(1)Zie Cass., 23 mei 1991 vermeld in voetnoot 1. De inkeer van de erfgenaam die zich schuldig maakt aan heling van de erfgoederen moet niet alleen tijdig zijn, maar ook "uit eigen beweging" geschieden. Dit wordt door het arrest verduidelijkt als "zonder hiertoe door de omstandigheden gedwongen te zijn". Bij voorbeeld de obligate waarschuwing die de notaris luidens artikel 1183, 10° Ger.W. geeft, staat op zich niet eraan in de weg dat een erfgenaam alsdan nog uit eigen beweging terugkomt op eerder afgelegde leugenachtige verklaringen. Zie H. De Page, Traité, IX, 1974, 505, nr 669; M. Puelinckx-Coene, J. Verstraete en N. Geelhand, Overzicht van rechtspraak Erfenissen 1988-1995, T.P.R. 1997,
(133)nr 150 tot 165; T. Van Sinay en J. Verstappen, Boedelbeschrijvingen inzake familiaal vermogensrecht en faillissement, Mys & Breesch, 1993, 23 nr 35-36. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: ERFENISSEN Goederen van de nalatenschap verborgen houden Tekst van de beslissing Nr. C.02.0431.N D.D. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.A. verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 mei 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 1175, 1183, 8°, 10° en 11 °, van het Gerechtelijk Wetboek ; artikel 226, tweede lid, van het Strafwetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt voor recht dat eiser krachtens artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek geen aanspraak meer kan maken op enig aandeel in het in de staat vermelde actief voor zover dit de som van 107.154,21 euro bevat, op de volgende gronden : Op 30 augustus 1993 legde A.D. een klacht neer bij de procureur des Konings. Niets wijst erop dat het gaat om een klacht met burgerlijke partijstelling. Op 19 september 1995 gebeurde een buitenvervolgingstelling. D.D. werd een eerste maal verhoord op 11 januari 1994. Hij beweerde toen niets af te weten van een lijst van de waardepapieren die zijn vader vanaf 1984 in zijn bezit had. Uit de processen-verbaal 3373 en 3374 dd. 6 april 1995 blijkt dat er tijdens het leven van P.D. gelden van de zichtrekening en de spaarrekening van deze laatste zijn overgeboekt naar de rekening van D.D., namelijk : - van het spaarboekje 384-4025609-96 over de periode van 2 juli 1987 tot en met 22 mei 1989, een totaal van 39.556,37 euro ; - van de zichtrekening 384-0596145-67 over de periode van 7 oktober 1986 tot en met 31 januari 1991, een totaal van 65.118,90 euro, inbegrepen de som van 4.957,87 euro, die nog afzonderlijk zal ter sprake komen. Toen D.D. opnieuw werd verhoord ging hij akkoord dat deze overboekingen waren gebeurd. Hij verklaarde verder : "Ik kan niet ontkennen dat ik met medeweten van mijn vader, zijn financiële zaken beheerd heb minstens vanaf 1984 tot aan zijn overlijden. Het is in dit verband dat ik veelal getekend heb voor de omwisseling van de effecten op de borderellen aangaande de omwisseling ervan, borderellen waarvan U mij fotokopie vertoont en waarop ik duidelijk mijn handtekening herken. Het was toch normaal dat ik als bankbediende bij de B.B.L. instond voor het opvolgen van de effecten van mijn vader, daar deze zelf niet geletterd was. Ik heb altijd de financiële zaken van mijn vader correct behandeld. Indien ik tekende voor de verkoop van zijn effecten was mijn vader daarmee akkoord en kwam het geld op zijn rekening, toch in de meeste gevallen. Ik besef nu wel dat er met mijn broer een regeling zal moeten getroffen worden en dat zulks het werk zal zijn van de beide notarissen, die met de zaak bezig zijn. (...) Op uw vraag of mijn vader akkoord was met de transferts van zijn rekeningen moet ik antwoorden dat hij daarmee akkoord was, alhoewel ik daarvan geen bewijs kan naar voor brengen. Een geschreven verklaring kon hij mij niet geven gezien hij ongeletterd was en ik heb er nooit aan gedacht van die akkoorden bijvoorbeeld te laten noteren door een notaris of gewettigd ambtenaar". De boedelnotaris opende zijn werkzaamheden op 16 april 1996. In het proces-verbaal van 10 januari 1997 stelt A.D. dat zijn broer onder zich houdt : de overgeboekte bedragen ten belope van 123.915,80 euro + het nominaal bedrag van een Staatsobligatie nr. 502189 ten belope van 2.478,94 euro, totaal 126.394,74 euro. D.D. van zijn kant stelt dat de overgeboekte bedragen als volgt moeten gekwalificeerd worden :
- a)als handgifte : 97.340,35 euro ;
- b)als levensonderhoud voor de periode vanaf 1983/1984 tot de datum van de respectieve betalingen : 24.198,40 euro, d.i. 11.12.1990 19.240,53 euro + 4.957,87 euro ;
- c)als teruggave van de kosten die D.D. voor rekening van de decuius heeft voorgeschoten : 2.377,30 euro. Van de bedragen sub b en c zegde hij dat ze geen deel uitmaken van de nalatenschap. Van het nominaal bedrag van de Staatsobligatie, waarvan sprake in het strafbundel in proces-verbaal 9114, maakte hij afzonderlijk geen gewag. Op hetzelfde ogenblik vroeg D.D. aan zijn broer verantwoording voor zijn beheer van de som van 69.410,19 euro, die hij van de decuius had ontvangen. D.D. berekende dat er door A.D. 13.882,04 euro moest ingebracht worden. Tot slot van het proces-verbaal van 10 januari 1997 verklaarden partijen dat de activa en passiva van de nalatenschappen tot op dat ogenblik niet het voorwerp uitmaakten van een boedelbeschrijving en legden ze in handen van de notaris de eed af niets te hebben verduisterd en van zodanige verduistering geen kennis te dragen. In de staat van vereffening en verdeling dd. 27 maart 1997 werd een actief vermeld bestaande uit : - verkoop onroerend goed : 113.867,86 euro ; - rubriekintresten : p.m.; - inbreng van volgende bedragen : x van lopende rekening : 65.118,90 euro ; x van spaarboekje : 58.796,90 euro ; x door D.D. opgetrokken voortkomende van de Staatsobligatie : 2.478,94 euro. Op die staat volgden de zwarigheden van de partijen (zie proces-verbaal van 12 januari 1998) : A.D. formuleerde 2 zwarigheden :
- a)op de gelden die in het bezit zijn gebleven van D.D. vordert hij intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van het openvallen van de nalatenschap;
- b)er dient toepassing te worden gemaakt van artikel 792 B.W. lastens D.D. en dit op de bedragen 65.118,90 euro + 58.796,90 euro + 2.478,94 euro. Verweerder is gegriefd door het bestreden vonnis in de mate dat de eerste rechter oordeelde dat de boedelnotaris terecht de toepassing van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek heeft geweigerd. De gelden van P.D. zijn voor een deel terechtgekomen bij D.D. door het afsluiten van de BBL-rekening 384-4025609-96 op 11 december 1990 en door het overboeken van het saldo van 19.240,53 euro naar een rekening van D.D.. Van deze operatie werd gewag gemaakt in de brief van notaris P. V. aan notaris P.D.M.. Op de vraag van verweerder om uitleg te geven over het feit dat bepaalde gelden niet werden teruggevonden in de nalatenschap is er tijdig en spontaan gewag gemaakt van deze gelden, zodat het uitgesloten is dat eiser overeenkomstig artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek zijn aandeel daarin niet kan krijgen. Eiser liet na om op hetzelfde ogenblik ook uitleg te geven over een totaal bedrag van 126.394,74 euro - 19.240,53 euro = 107.154,21 euro. Tijdens zijn eerste verhoor in het kader van het strafonderzoek legde hij een leugenachtige verklaring af. Hij verklaarde niets af te weten van de waardepapieren die verweerder in 1984 aan zijn vader had afgegeven. Dat is iets anders dan het inroepen van beroepsgeheim, dat volgens zijn zeggen een reden was om zijn verklaring te rechtvaardigen. Naderhand - meer bepaald in zijn tweede verklaring die hierna nog ter sprake komt - heeft eiser erkend dat hij sinds 1984 het beheer deed van de goederen van zijn vader zodat hij wel weet had van deze waardepapieren. Toen eiser een tweede maal verhoord werd erkende hij enkel dat de onderzoekers de waarheid aan het licht hadden gebracht. Hij zegde letterlijk : "Ik moet zeggen dat ik de rekeninguittreksels van de B.B.L. niet kan betwisten." Het is niet ernstig dat eiser ontkent dat hij door verzwijging en leugenachtige verklaringen de gelden, die behoorden tot de onverdeelde massa, heeft verborgen gehouden voor zijn broer en dit met het inzicht aan zijn broer elk aandeel in deze gelden te ontzeggen. De miskenning van de rechten van zijn broer was grof aangezien die gelden deels afhingen van de onverdeeldheid die was ontstaan door het overlijden van H.B. en A.D. de enige was die over zijn abstract deel in de onverdeelde massa van deze nalatenschap mocht en kon beschikken. Aangezien de voorwaarden van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek vervuld zijn moet alleen nog vastgesteld worden of eiser de burgerlijke sanctie niet heeft ontlopen toen hij zijn leugenachtige verklaring herzag bij het tweede verhoor en verklaarde dat hij de gelden, afhangende van de nalatenschappen, onder zich hield hetgeen tevoren door hem geloochend was. Nadat hij in zijn verklaring tijdens het tweede verhoor de resultaten van het stafonderzoek had beaamd kwam uitsluitend nog de werkelijke toestand ter sprake tijdens de werkzaamheden voor de notaris. Wegens de resultaten van het strafonderzoek werd het opmaken van een inventaris overbodig geacht. Ze legden wel de eed af. Aan de burgerlijke sanctie voor heling wordt afbreuk gedaan als deze niet wordt toegepast alleen al omdat de bedriegende erfgenaam is kunnen ontmaskerd worden vóór het opmaken van de staat zonder dat enig berouw van zijn kant een rol speelt. De burgerlijke sanctie werkt alsdan niet meer voldoende ontradend tegenover de erfgenaam, die in de verleiding komt om zich te bevoordelen ten koste van de andere erfgenamen. Het hof van beroep oordeelt dat het cassatiearrest van 23 mei 1991 (R.W. 91-92, 635) de toepassing van de sanctie niet belet. In dat arrest wordt gezegd dat de erfgenaam die goederen van een nalatenschap weggemaakt of verborgen gehouden heeft de in artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde sanctie niet kan ontlopen tenzij hij uiterlijk vóór het afsluiten van de boedelbeschrijving op de leugenachtige verklaring is teruggekomen. Door het strafonderzoek werd duidelijk aan het licht gebracht dat eiser de gelden onder zich hield. Om dat aan het licht te brengen leverde eiser zelf geen enkele bijdrage. Zijn verklaring tijdens het tweede verhoor heeft geen karakter van een oprecht berouw. Hetgeen niet meer te ontkennen viel heeft hij toen niet meer ontkend. Hij heeft zijn eerdere leugenachtige verklaring dan ook niet meer herhaald. Dat is alles. Op grond van hogerstaande overwegingen dient het hof van beroep te besluiten dat eiser krachtens artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek geen aanspraak meer kan maken op enig aandeel in het in de staat vermelde actief voor zover dit de som van 107.154,21 euro bevat. Grieven Enig onderdeel Het artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek heeft betrekking op alle gevallen van bedrog waarin een erfgenaam ten nadele van zijn mede-erfgenamen, de gelijkheid van de verdeling tracht te verbreken hetzij doordat hij zich goederen van de nalatenschap toeëigent, hetzij doordat hij de desbetreffende hem door de wet opgelegde verklaringen verzuimt en aldus de van de overledene gekregen giften verborgen houdt. Het bedrog waardoor goederen van de nalatenschap verborgen worden gehouden kan reeds vóór het openvallen van de nalatenschap zijn gepleegd en de erfgenaam die goederen van een nalatenschap weggemaakt of verborgen gehouden heeft, kan de in artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde sanctie niet ontlopen tenzij hij vóór het afsluiten van de boedelbeschrijving op de leugenachtige verklaringen is teruggekomen. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiser in zijn tweede verklaring tijdens het strafonderzoek is teruggekomen op de leugenachtige verklaring afgelegd tijdens zijn eerste verhoor in het kader van het strafonderzoek, dat de boedelnotaris zijn werkzaamheden opende op 16 april 1996, dat partijen tot slot van het proces-verbaal van 10 juni 1997 verklaarden dat de activa en passiva van de nalatenschappen tot op dat ogenblik niet het voorwerp uitmaakten van een boedelbeschrijving, dat het opmaken van een inventaris overbodig werd geacht wegens de resultaten van het strafonderzoek, dat eiser derhalve voor het afsluiten van de boedelbeschrijving op zijn eerste leugenachtige verklaring was teruggekomen en dat partijen nadien in handen van de notaris de eed aflegden niets te hebben verduisterd. De appèlrechter heeft dan ook ten onrechte beslist dat eiser krachtens artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek geen aanspraak meer kan maken op de som van 107.154,21 euro ook al was hij vóór het afsluiten van de boedelbeschrijving op zijn eerste leugenachtige verklaring teruggekomen en ook al was het opmaken van een inventaris overbodig geworden ingevolge de tweede verklaring afgelegd door eiser tijdens het strafonderzoek en vóór de eedaflegging van de partijen zodat nog uitsluitend de werkelijke toestand ter sprake kwam tijdens de werkzaamheden voor de notaris zoals vastgesteld in het bestreden arrest. De appèlrechter besliste ten onrechte dat aan de burgerlijke sanctie afbreuk gedaan wordt als deze niet wordt toegepast alleen al omdat de bedriegende erfgenaam is kunnen ontmaskerd worden vóór het opmaken van de staat omdat de burgerlijke sanctie alsdan niet meer voldoende ontradend zou werken. Het artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek behoudt immers een voldoende ontradend effect tegenover de erfgenamen voor zover deze de kans krijgen op leugenachtige verklaringen terug te komen vóór het afsluiten van de boedelbeschrijving die juist tot doel heeft de omvang van de nalatenschap vast te stellen en te bewijzen temeer het pas in het kader van de boedelbeschrijving is dat de erfgenamen door de notaris gewaarschuwd worden dat de wet straffen uitvaardigt tegen hen die zich schuldig maken aan heling of meineed en deze waarschuwing geen enkel effect meer kan hebben op de burgerlijke sanctie mochten de erfgenamen vóór het afsluiten van de boedelbeschrijving toch niet meer op leugenachtige verklaringen kunnen terugkomen om die sanctie te ontlopen (schending van de artikelen 792 van het Burgerlijk Wetboek, 1175, 1183, 8°, 10° en 11°, van het Gerechtelijk Wetboek en 226, tweede lid, van het Strafwetboek). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek, de erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, de bevoegdheid verliezen om de nalatenschap te verwerpen en, al verwerpen zij deze, zij toch zuiver erfgenaam blijven, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken ; Overwegende dat dit artikel betrekking heeft op alle gevallen van bedrog waarbij een erfgenaam, ten nadele van zijn mede-erfgenamen, de gelijkheid van de verdeling tracht te verbreken, hetzij dat hij zich goederen van de nalatenschap toeëigent, hetzij dat hij, door dienaangaande niet de door de wet opgelegde verklaringen te doen, de van de overledene verkregen giften verborgen houdt ; Dat de erfgenaam die goederen van de nalatenschap weggemaakt of verborgen gehouden heeft, de in artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde sanctie niet kan ontlopen tenzij hij uiterlijk voor het afsluiten van de in artikel 1175 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde boedelbeschrijving, uit eigen beweging, zonder hiertoe door de omstandigheden gedwongen te zijn, op de leugenachtige verklaring is teruggekomen ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat : 1. "door het strafonderzoek duidelijk aan het licht (werd) gebracht dat (eiser) de gelden onder zich hield. Om dat aan het licht te brengen leverde (eiser) zelf geen enkele bijdrage. Zijn verklaring tijdens het tweede verhoor heeft geen karakter van een oprecht berouw. Hetgeen niet meer te ontkennen viel heeft hij toen niet meer ontkend. Hij heeft zijn eerder leugenachtige verklaring dan ook niet meer herhaald. Dat is alles" ; 2. nadat eiser in zijn verklaring tijdens het tweede verhoor de resultaten van het strafonderzoek had beaamd, uitsluitend nog de werkelijke toestand ter sprake kwam tijdens de werkzaamheden voor de notaris ; 3. wegens de resultaten van het strafonderzoek het opmaken van een inventaris overbodig werd geacht, maar partijen wel de eed voorzien in artikel 1183, 10°, van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd ; Dat het arrest door op grond hiervan te oordelen dat eiser geen aanspraak meer kan maken op enig aandeel in het in de staat vermelde actief voor zover dit de som van 107.154,21 euro bevat, zijn beslissing naar recht verantwoordt ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd drieëndertig euro vijfennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd achtentachtig euro eenendertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.8 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191017.17 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100531.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div