id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.9 Rolnummer: C.02.0447.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 489 - laatst gezien 2026-07-04 10:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De beslissing waarbij de rechter overeenkomstig art. 1358, tweede lid, Ger.W. beveelt dat rekening en verantwoording zal worden gedaan ten overstaan van een door hem te benoemen deskundige, is geen onderzoeksmaatregel in de zin van art. 1068 Ger.W.
(1).
(1)Zie Cass., 10 jan. 2003, AR C.01.0546.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030110.8, nr 24. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Beslissing van de eerste rechter Rekening en verantwoording Benoeming deskundige Onderzoeksmaatregel Hoger beroep Devolutieve kracht Fiche 2 Wanneer van het beheer der nalatenschap overeenkomstig art. 1358, tweede lid, Ger.W. ten overstaan van een deskundige rekening en verantwoording moet worden gedaan, komt diens ereloon ten laste van de nalatenschap
(1).
(1)Zie Cass., 30 dec. 1875, Pas. 1876, I,
- Thesaurus CAS: REKENING EN VERANTWOORDING Vrije woorden: REKENING EN VERANTWOORDING Benoeming deskundige Ereloon Goederen der nalatenschap Beheer en vereffening Opmaken van de rekening Kosten Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.803en810 Tekst van de beslissing I. Nr. C.02.0447.N
- D.A.
- O.J., eisers, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Cassatie van 13 augustus 2002, nr. G.01.0107.N vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- S.C.
- D.F.,
- S.Y.,
- S.J., verweerders, tweede verweerster minstens opgeroepen tot bindend- en gemeenverklaring. II. Nr. C.02.0448.N
- D.A.,
- O.J., eisers, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Cassatie van 13 augustus 2002, nr. G.01.0107.N vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- S.C.,
- D.F.,
- S.Y.,
- S.J., verweerders, tweede verweerster minstens opgeroepen tot bindend- en gemeenverklaring. III. Nr. C.02.0449.N
- D.A.,
- O.J., eisers, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Cassatie van 13 augustus 2002, nr. G.01.0107.N vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- S.C.,
- D.F.,
- S.Y.,
- S.J., verweerders, tweede verweerster minstens opgeroepen tot bindend- en gemeenverklaring. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep in de zaak C.02.0447.N is gericht tegen het arrest, op 29 oktober 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Het cassatieberoep in de zaak C.02.0448.N is gericht tegen het arrest, op 25 mei 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Het cassatieberoep in de zaak C.02.0449.N is gericht tegen het arrest, op 8 december 1995 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen A. Cassatieberoep C.02.0447.N De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 803 en 810 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het hof van beroep beslist in het bestreden tussenarrest : "Met betrekking tot het ereloon en de kosten van de deskundige dienen de artikelen 981 tot 984 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 988 tot 990 van het Gerechtelijk Wetboek toegepast te worden. Te dezen, vermits de deskundige blijkbaar een voorschot op ereloon en kosten vraagt, diende hij toepassing te maken van artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek. De omstandigheid dat alhier de deskundige niet handelt volgens de wettelijke voorschriften in verband met het gevraagd voorschot is op zich geen reden om hem te vervangen, dit des te minder nu hij reeds een verslag in voorlezing had toegestuurd en de bemerkingen van partijen blijkbaar had toegestuurd en de bemerkingen van hun partijen had opgetekend en beantwoord, daar hij het neerleggen van een eindverslag na betaling van het voorschot vooropstelt. (De eisers) (hebben) nagelaten de deskundige daarop te wijzen en (hebben) integendeel een verzoekschrift neergelegd strekkende tot het ontslag van de deskundige, tevens inhoudend, vermits rechtsbijstand wordt gevraagd, dat zij niet het ereloon en de kosten, bijgevolg ook niet het voorschot, zullen betalen. De verleende rechtsbijstand geldt voor de nog te stellen procedurehandelingen, niet voor de reeds gestelde handelingen, waaronder het deskundigenonderzoek. Het ereloon van de deskundige dient normaal voorgeschoten te worden door de partij die de onderzoeksmaatregel heeft gevorderd of minstens door de partij die de maatregel heeft doen uitvoeren, zodat (de eisers) aangewezen (zijn) om dit te doen. Dit ereloon is geen schuld van de nalatenschappen zoals zij voorhou(den). Reden om de deskundige te ontslaan is niet voorhanden". Grieven Krachtens artikel 810 van het Burgerlijk Wetboek komen ten laste van de nalatenschap de kosten van de verzegeling, indien zegels zijn gelegd, van de boedelbeschrijving en van het opmaken der rekening en verantwoording van het beheer, die de erfgenaam die onder voorrecht heeft aanvaard dient te doen overeenkomstig artikel 803 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepalingen bijzondere wetten zijn die anders bepalen, zoals voorzien in artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat de erelonen van de aangestelde deskundige in wier handen eerste, derde en vierde verweerder opgedragen werden rekening en verantwoording te doen op grond van de artikelen 803 en 810 van het Burgerlijk Wetboek ten laste komen van de nalatenschappen, in strijd met wat het bestreden tussenarrest beslist (schending van de artikelen 803 en 810 van het Burgerlijk Wetboek en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek). B. Cassatieberoep C.02.0448.N De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het hof van beroep beslist in het bestreden eindarrest van 25 mei 2001 dat "het hoger beroep, in zoverre het opkomt tegen de afwijzing van de vordering ingesteld tegen (eerste en tweede verweerder), ongegrond" is en "veroordeelt (de eisers) in de kosten van het geding in iedere aanleg, zijnde voor (verweerders) 1, 2 en 3 samen 17.200 BEF + 2.000 BEF + 2.000 BEF + 2.000 BEF + 10.800 BEF". Op grond van de motieven (p. 1187 1189) : "Omtrent de vordering gericht tegen (eerste en tweede verweerders) : Zoals reeds aangehaald is op 8 december 1995 beslist dat deze (verweerders) in de stand van de zaak schuldenaars zijn van de lening van 500.000 BEF en werd de vordering van (de eisers) niet ingewilligd omdat onzekerheid bestond of het saldo kapitaal van die lening nog steeds 500.000 BEF bedroeg, reden waarom (de eisers) een volledige en correcte afrekening van alle betalingen, dienden over te leggen. Daaraan hebben (de eisers) voldaan. Concreet wordt door de betrokken (verweerders) geen specifieke betwisting m.b.t. deze afrekening aangevoerd. Zij dringen aan opdat de persoonlijke verschijning van partijen toch zou doorgaan. Het hof van (beroep) had reeds de persoonlijke verschijning van partijen bevolen, maar kennelijk met de bedoeling partijen te horen i.v.m. de afrekening op te maken door (de eisers). Het ongewijzigd gebleven standpunt van partijen i.v.m. de tweede lening van 500.000 BEF was en is immers genoegzaam bekend en niets laat toe aan te nemen dat de persoonlijke verschijning van partijen van aard is daarin wijzigingen te kunnen brengen. Thans nog aandringen op de persoonlijke verschijning van partijen opdat (de eisers) toelichting zouden verschaffen over de toerekening van de ontvangen betalingen is niet ernstig. Deze toelichting blijkt genoegzaam uit de afrekening zelf. Zo betrokken (verweerders) het daarmede niet eens waren dienden zij nauwkeurige betwistingen i.v.m. de afrekening op te werpen, hetgeen zij niet rechtstreeks doen. Zij werpen wel op dat uit de afrekening duidelijk blijkt dat alleen de moeder betalingen verrichtte en zij leiden daaruit af dat alleen zij schuldenares was, of, althans zich zo gedroeg. Dat deze afrekening allesbehalve controleerbaar is en niet bijster overtuigend, wordt niet eens opgeworpen. De lening van 1967 aan de ouders bedroeg 500.000 BEF in kapitaal, zodat het eigenaardig is dat de afrekening vertrekt van de toestand in januari 1976 met een saldo kapitaal van 445.000 BEF en dat tussen haakjes wordt vermeld dat 'sedert mei 1970 er kapitaalsaflossingen geweest zijn ten belope van 91.534 BEF', waardoor normaal het saldo kapitaal zou dienen te zijn 500.000 BEF 91.534 BEF = 408.466 BEF. Ook is sprake van 'blijkbaar' en 'waarschijnlijk' voor sommige posten. Correct is, dat zo het hof (van beroep) 'in de stand van de zaak' betrokken (verweerders) als schuldenaars van de lening beschouwt, deze (verweerders) aanvullende en/of nieuwe elementen mogen aanbrengen om tot het tegendeel te kunnen besluiten. Het voorstel van augustus 1986 van (de eisers) om een nieuw contract (voor beide leningen samen : 500.000 BEF + 300.000 BEF) te sluiten was gericht aan de drie erfgenamen, dus niet aan (tweede verweerster), vandaar dat slechts sprake is van drie ondertekenaars. De onderhavige vordering heeft twee luiken, een eerste gericht tegen de drie erfgenamen, een tweede gericht tegen (de verweerders). Daarom zijn er alhier vier geïntimeerden als procespartijen. Het voorstel van augustus 1986 zou principieel geen aanleiding geven tot vraagstelling, ware het niet dat in dat voorstel (de eisers) de drie erfgenamen op gelijke voet plaatsen voor beide leningen, waarvan nochtans formeel wordt voorgehouden dat de tweede lening alleen (eerste verweerder) aanbelangt, zodat het niet normaal was ervan uit te gaan dat zijn broers, Y. en J., zonder meer zouden instemmen om mede in te staan voor een toch niet onbelangrijke schuld van hun broer, tenware het inderdaad juist zou zijn dat beide leningen enkel de ouders (moeder) aanbelangen. (De verweerders) houden immers voor dat zijzelf nooit interesten hebben betaald, ook niet dat zij de fondsen daartoe aan moeder zouden bezorgd hebben. Dit wordt ook niet aangetoond. (De eisers) beweren dat de moeder, volgens hen wel degelijk maandelijks (zie ook hun afrekening en bij zijn verhoor : 'vanaf die periode kreeg ik maandelijks van moeder S. de interest op beide leningen. Meestal ging ik persoonlijk dit geld ... afhalen'), de interest op beide leningen betaalde. Zij gaven om de vijf à zes maanden een kwitantie ... Dat dit een eenzijdige interpretatie van de betaling is door (de eisers) kan niet worden uitgesloten. Zij bewijzen in ieder geval geen betalingen door (de verweerders). J. S. zegt eveneens dat hij enkel de interest van moeder betaalde (al dan niet met gelden hem door moeder ter beschikking gesteld of met eigen penningen ?), maar heeft het niet over betaling van interest op een lening van zijn broer, (eerste verweerder). Hij heeft het over een bedrag van 11.000 à 13.000 BEF per kwartaal, terwijl (eisers) beweren 11.000 BEF per maand ontvangen te hebben ... Tot slot is er de brief van 22.4.1986 aan (eerste verweerder). In dat schrijven is in hoofdorde sprake van niet nagekomen beloften van J., van het feit dat men die beloften beu is en wordt geëist dat de interest voortaan regelmatig be taald wordt, zoniet zal men alles opeisen '(de lening aan u plus die aan uw ouders)'. De brief eindigt met : 'Indien ik voor aanstaande zondag (24 april) met u (J.' beloften ben ik beu), geen bevredigende regeling kan treffen gaat vanaf volgende week de hele zaak in handen van mijn advocaat'. Dergelijke brief afdoen als een ingebrekestelling van zijn schuldenaar is niet te aanvaarden. De onwillige tegen wie de briefschrijver zich keert is 'J.'. Laatstgenoemde had nochtans geen uitstaans met het in gebreke blijven van (eerste verweerder) en diende geen beloften te doen. Rekening dient daarbij te worden gehouden met het feit dat de geadresseerde (eerste verweerder) op dat ogenblik wist dat de akte van 25.5.81 en de wisselbrief buiten zijn medeweten werden gebruikt om een nieuwe lening van 500.000 BEF te bekomen. Uit hetgeen voorafgaat, inzonderheid uit de afrekening van (de eisers) en uit de bijkomend overgelegde stukken (o.m. de brief van 22.4.1986) moet met (de verweerders) worden aangenomen dat de documenten van de lening van 25.5.81 (akte en wisselbrief) na de terugbetaling door de moeder buiten hun medeweten en zonder hun instemming gebruikt werden om een nieuwe lening aan te gaan al dan niet voor haarzelf of voor haar zoon J.. Ook de vordering tegen (de verweerders) is ongegrond". Hetzelfde hof van beroep komt hiermede terug op de beslissing dat het reeds bij tussenarrest van 8 december 1995 tegensprekelijk had genomen omtrent "de vordering, ingesteld tegen (eerste en tweede verweerder). 2.1.
- (De eisers) leggen ter staving hunner vordering de onderhandse akte voor, gedateerd van 25.05.
- Dit stuk houdt een schuldbekentenis in vanwege (de verweerders), ten bedrage van 500.000 BEF. De ondertekenaars van deze eenzijdige verbintenis (de verweerders) loochenen hun handtekeningen niet ; zij betwisten evenmin dat het kwestig stuk, - opgemaakt ingevolge een eerste lening en hen gerestitueerd samen met de wisselbrief - aan (de eisers) werd terug gegeven om te dienen als bewijs voor een tweede lening. (De verweerders) stellen wel dat de akte houdende hun eenzijdige verbintenis samen met de wisselbrief, door derden opnieuw werd ter hand gesteld van de schuldeisers, zonder medewerking, laat staan medeweten van (de verweerders) en zonder dat hen de ontleende bedragen werden overgemaakt ; deze bewering is strijdig met de inhoud van de onderhandse akte ; afgezien dat principieel tegen en boven de inhoud van het geschrift niet mag bewezen worden tegen (de eisers), van wie niet is beweerd dat zij - bij het toestaan van de lening - beroepsmatig handelden, kunnen (de verweerders) wel stellen dat de inhoud van de onderhandse akte niet klopt met de realiteit ; zij knopen er nochtans - wat mogelijk was - geen incidentele vordering wegens valsheid aan vast, daar waar hun beweringen er op neer komen dat (de eisers) zich bedienen van een vals stuk. Het voren gestelde doet evenwel geen afbreuk aan het feit dat zelfden zich mogen te beroepen op het bedrog (fraus omnia corrumpit). Bedrog wordt echter niet vermoed, doch dient bewezen te worden. Afgezien dat dit bewijs kan geschieden met alle middelen van recht, komt het bedrog inzake als niet bewezen voor. De enkele verklaringen van (de verweerders) zelve in het strafdossier met notitienummer 2099724/88, zijn uiteraard geen voldoende bewijs, nu deze verklaringen geen bevestiging vinden in andere objectieve gegevens, inzonderheid in de concrete omstandigheden van deze zaak ; (de verweerders) wachtten tot februari 1988 vooraleer strafklacht te formuleren, daar waar uit hun verklaringen en deze van Y. S. aan de verbalisanten, blijkt dat zij niet onwetend konden zijn over het bestaan van een 'tweede' lening ; meer nog, nu de stellingen van (de verweerders) formeel worden tegengesproken doo r J. S.. Gelet op wat voorafgaat en bij gebreke aan bewijs van het tegendeel, moeten (de verweerders) in de stand van de zaak worden aangezien als schuldenaars van (het saldo van) de lening ten bedrag van 500.000 BEF. 2.1.
- De vordering van (de eisers) kan evenwel niet zo maar worden ingewilligd, nu uit de aanmaning tot betaling van 11.000 BEF intrest per maand, gericht aan (de verweerders) per 29.08.1986, moet worden afgeleid dat moeder S. steeds 11.000 BEF is blijven afbetalen tot eind januari 1986 ; dit, terwijl zelfden toegeven dat dit tweede luik van hun vordering, ingesteld tegen (de verweerders) als erfgenamen hunner ouders, dient aangepast tot 300.000 BEF in hoofdsom (in plaats van de gevorderde 536.534 BEF). Derwijze moet aangenomen worden dat moeder S. maandelijks een gedeelte kapitaal inloste (het verschil tussen 11.000 BEF en de reëel verschuldigde intrest), welk kapitaal klaarblijkelijk door (de eisers) niet werd toegerekend op de oudste schuld, ten belope van 300.000 BEF. (De eisers) zijn zeer vaag gebleven omtrent de betalingen 'verricht voor dagvaarding', derwijze dat ze nog slechts 300.000 BEF vorderen. Het behoort hen een volledige en correcte afrekening over te leggen van alle betalingen in kapitaal en interest door moeder S. M. en de bedragen die boven de verschuldigde interest werden betaald, conform het boven gestelde toe te rekenen op het kapitaal van de uitstaande lening ten bedrage van 500.000 BEF en deze tijdens een persoonlijk verhoor van partijen voor het hof (van beroep) toe te lichten". Grieven De rechter die uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet meer aanhangig is omdat hij reeds vroeger in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen over datzelfde geschilpunt uitspraak heeft gedaan en aldus zijn rechtsmacht ten dien aanzien geheel heeft uitgeoefend, begaat machtsoverschrijding, die artikel 19, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek hem verbiedt. Behoudens de rechtsmiddelen die de wet bepaalt, is een tussenarrest een eindbeslissing, in de zin van genoemde bepaling, in zoverre de genomen beslissing een geschilpunt beslecht, ongeacht de plaats waar dit dispositief in dat tussenarrest voorkomt. Het hof van beroep in het tussenarrest van 8 december 1995 beslecht het geschilpunt tussen partijen, of eerste en tweede verweerders schuldenaars zijn van het door de eisers van hen gevorderde bedrag in hoofdsom ad 500.000 BEF, met een eindbeslissing door te beslissen, na de verwerping van het verweer van eerste en tweede verweerders o.m. gesteund op het strafdossier met notitienummer 2099724/88, dat de documenten door derden en niet door hen opnieuw werden gebruikt om een nieuwe lening te bekomen van 500.000 BEF, dat "Gelet op wat voorafgaat en bij gebreke aan bewijs van het tegendeel, (...) (eerste en tweede verweerders) in de stand van de zaak (moeten) worden aangezien als schuldenaars van (het saldo van) de lening ten bedrage van 500.000 BEF", waarmee definitief is uitgemaakt dat eerste en tweede verweerders schuldenaars zijn van dit saldo. De vordering van de eisers kon in die stand van de zaak nog niet worden ingewilligd, niet omdat het nog niet zou zijn uitgemaakt dat eerste en tweede verweerders schuldenaars waren, maar wel enkel omdat de hoegrootheid van dit saldo nog niet vaststond om reden dat er klaarblijkelijk toerekeningen te doen waren op het kapitaal door de eisers en omtrent welk aspect het hof van beroep alvorens recht te doen over dit saldo verzocht aan partijen om uitleg te verschaffen op de te dien einde bevolen persoonlijke verschijning van partijen, na overlegging door de eisers van een precieze lijst van alle betalingen in kapitaal, interest en de wijze van toerekening ervan. Hieruit volgt dat het hof van beroep in het bestreden eindarrest, onwettig met machtsoverschrijding terugkomt op de genomen eindbeslissing dat eerste en tweede verweerders schuldenaars zijn van het saldo van de lening van 500.000 BEF aan de eisers, door te beslissen dat de vordering van de eisers tegen hen ongegrond is omdat de documenten "door de moeder buiten hun medeweten en zonder hun instemming gebruikt werden om een nieuwe lening aan te gaan al dan niet voor haarzelf of voor haar zoon J.", zijnde precies het reeds in het tussenarrest van 8 december 1995 verworpen verweer van eerste en tweede verweerders (schending van artikel 19, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek), onwettig rekening houdt met door het eindarrest als aanvullende en/of nieuwe elementen beschouwde elementen in het voordeel van eerste en tweede verweerders in plaats van deze elementen terzijde te schuiven onder het ambtshalve opwerpen van het uitgeput zijn van de rechtsmacht van het hof van beroep (schending van artikel 19, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek), minstens enkel dan met miskenning van de bewijskracht van het tussenarrest van 8 december 1995 heeft kunnen beslissen dat ondanks de genomen beslissing "(eerste en tweede verweerders) aanvullende en/of nieuwe elementen mogen aanbrengen om tot het tegendeel te kunnen besluiten", dan wanneer in dat tussenarrest niet gezegd werd dat eerste en tweede verweerders nog dergelijke aanvullende en/of nieuwe elementen mochten aanbrengen, maar wel dat "in de stand van de zaak" eerste en tweede verweerders wel reeds definitief als schuldenaars van het saldo van de lening moesten aanzien worden, maar die stand van de zaak op dat ogenblik wel verhinderde hen reeds effectief te veroordelen tot het gevorderde bedrag omdat een nog nader te bepalen saldo diende te worden bepaald, enig nog aan bod komend voorwerp van het verder verloop van de zaak (schending van de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), tot slot onwettig elementen aanneemt die, enerzijds wel door eerste en tweede verweerders in hun besluiten gedateerd op 9 januari 2001 werden aangevoerd, maar die niet aanvullend en/of nieuw zijn, omdat die aangevoerde elementen onder de nrs. 2.2., 2.3, 2.4 en 2.5 van genoemde besluiten allen voortkomen en steunen op verklaringen en een voorstel die geput worden uit het strafdossier met notitienummer 2099724/88 dat reeds onderworpen was aan het hof van beroep toen het besloot in het tussenarrest dat eerste en tweede verweerders daarmee het bewijs niet leverden van hun bewering van enig bedrieglijk gebruik van de betrokken leningsdocumenten van 25 mei 1981 door de moeder, waarmee de bewijskracht van het tussenarrest van 8 december 1995 wordt miskend (schending van de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en die, anderzijds niet door eerste en tweede verweerders werden aangevoerd in de mate in genoemde besluiten de brief van 22 april 1986 door hen niet ter sprake werd gebracht, waarmee de bewijskracht van die genoemde besluiten wordt miskend (schending van de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). C. Cassatieberoep C.02.0449.N De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1068 en 1358 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het hof van beroep beslist in het bestreden tussenarrest "Bevestigt de bestreden vonnissen van 18.12.1991 en 07.02.1990 wat betreft de erin uitgesproken veroordeling tot rekening en verantwoording (door de verweerders onder de nummers 1, 2 en 4) over het beheer der nalatenschappen van L. S. en D. M., ten overstaan van een notaris, de veroordeling uitgesproken voor het geval geen rekening en verantwoording is gedaan binnen de gestelde termijn lastens de in gebreke blijvende rekeningsplichtige(n), daartoe (in voorkomende geval) in solidum gehouden ; beperkt deze evenwel tot het bedrag van 300.000 BEF en veroordeelt (verweerders onder nummer 1, 2 en 4) van nu af aan en voor het geval geen rekening en verantwoording is gedaan binnen de maand, te rekenen vanaf de aanvang der werkzaamheden door de deskundige, notaris F.C., tot betaling in solidum ervan ; benoemt F.C., notaris te ... , in opvolging van wijlen notaris G.C. ; belast notaris F. C. met uitvoering van de in het vonnis van 07.02.1990 bepaalde opdracht van deskundige tegenover wie rekening en verantwoording zal worden gedaan, met inachtname van de artikelen 962 van het Gerechtelijk Wetboek ; bepaalt de termijn voor neerlegging van het definitief verslag door notaris F. C. ter griffie van dit hof op vier maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van onderhavig arrest door de griffier, op verzoek van de meest gerede partij". Grieven Krachtens artikel 1358 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter bevelen, indien de zaak het wettigt of partijen het eens zijn, dat de rekening en verantwoording zal worden gedaan ten overstaan van een door hem te benoemen deskundige en op de wijze en binnen de termijnen in het vonnis bepaald. Krachtens artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek het hoger beroep tegen een eindvonnis of een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep. De rechter in hoger beroep de zaak alleen dan naar de eerste rechter verwijst, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. Die dwingende verplichting tot terugverwijzing geldt ook indien de beslissing van de eerste rechter ook definitieve beslissingen bevatte. Hieruit volgt dat het bestreden tussenarrest in de mate het de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt, zij het gewijzigd wat betreft de vervanging van de persoon van de deskundige, onwettig de uitvoering van de onderzoeksmaatregel aan zich behoudt, niet overgaat tot het terugverwijzen van de zaak naar de eerste rechter teneinde deze een eindbeslissing te laten nemen over de geschilpunten die afhankelijk zijn van het resultaat van de bevestigde onderzoeksmaatregel (schending van de artikelen 1068 en 1358 van het Gerechtelijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof A. Voeging Overwegende dat de zaken C.02.0447.N, C.02.0448.N en C.02.0449.N cassatieberoepen betreffen tegen beslissingen gewezen in dezelfde zaak ; Dat zij dienen te worden gevoegd ; B. Cassatieberoep C.02.0449.N Overwegende dat, krachtens artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter in hoger beroep de zaak alleen dan naar de eerste rechter verwijst, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt ; Overwegende dat de beslissing waarbij de rechter, overeenkomstig artikel 1358, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, beveelt dat rekening en verantwoording zal worden gedaan ten overstaan van een door hem te benoemen deskundige, geen onderzoeksmaatregel is in de zin van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat het middel faalt naar recht ; C. Cassatieberoep C.02.0447.N Overwegende dat naar luid van artikel 810 van het Burgerlijk Wetboek, de kosten van verzegeling, indien zegels zijn gelegd, van de boedelbeschrijving en van het opmaken der rekening, ten laste komen van de nalatenschap ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat het ereloon van de deskundige, ten overstaan van dewelke overeenkomstig artikel 1358, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek rekening en verantwoording moet worden gedaan, "normaal dient voorgeschoten te worden door de partij die de onderzoeksmaatregel heeft gevorderd of minstens door de partij die de maatregel heeft doen uitvoeren, zodat (de eisers) aangewezen (zijn) om dit te doen" en dat "dit ereloon geen schuld is van de nalatenschappen zoals zij (voorhouden)" ; Dat het arrest door aldus te oordelen, artikel 810 van het Burgerlijk Wetboek schendt ; Dat het middel gegrond is ; D. Cassatieberoep C.02.0448.N Overwegende dat het hof van beroep in het arrest van 8 december 1995 oordeelt dat :
- de verweerders sub 1 en 2 "in de stand van de zaak" worden aangezien als de schuldenaars van het saldo van de lening ten bedrage van 500.000 BEF ;
- de vordering van de eiseres evenwel niet zomaar kan worden ingewilligd ;
- het de eiseres behoort een precieze lijst van alle betalingen in kapitaal, interest en de wijze van toerekening ervan voor te leggen en die lijst toe te lichten aan het hof op het persoonlijk verhoor van partijen ; Dat het hof van beroep vervolgens het persoonlijk verhoor van partijen beveelt ; Overwegende dat het middel dat er geheel van uitgaat dat het hof van beroep in het arrest van 8 december 1995 uitspraak heeft gedaan over het geschilpunt tussen partijen met betrekking tot de lening van 500.000 BEF en zijn rechtsmacht te dien aanzien heeft uitgeput, feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Voegt de cassatieberoepen C.02.0447.N, C.02.0448.N en C.02.0449.N ; Vernietigt het arrest van 29 oktober 1998 in zoverre het oordeelt dat het ereloon van de deskundige, aangesteld overeenkomstig artikel 1358, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geen schuld is van de nalatenschap ; Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Laat twee derden van de kosten ten laste van de eisers ; Houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. De kosten begroot in de zaak C.02.0447.N op de som van driehonderd zeventig euro in debet jegens de eisende partijen en in de zaak C.02.0448.N op de som van driehonderd zeventig euro in debet jegens de eisende partijen en in de zaak C.02.0449.N op de som van driehonderd zeventig euro in debet jegens de eisende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030110.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div