← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.16 Rolnummer: P.04.0644.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 981 - laatst gezien 2026-07-05 01:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Noch uit artikel 6 E.V.R.M., dat het eerlijk proces waarborgt, noch uit artikel 8 E.V.R.M., dat het recht op eerbiediging van het privé-, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, noch uit enige grondwettelijke of wettelijke bepaling volgt dat bewijs dat met miskenning van een door dit verdrag of door de Grondwet gewaarborgd grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is

(1)
(2).
(1)Zie de concl. van het O.M.
(2)Zie ook P.04.1127.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.17 van dezelfde datum. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Schending van een door het E.V.R.M. of de grondwet gewaarborgd grondrecht Fiches 2 - 3 Behoudens wanneer een verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling zelf de rechtsgevolgen van de miskenning van een wettelijk voorgeschreven pleegvorm betreffende bewijsverkrijging bepaalt, beslist de rechter welke gevolgen deze onrechtmatigheid meebrengt; de omstandigheid dat de pleegvorm, waarvan de miskenning wordt vastgesteld, betrekking heeft op een door de artikelen 6 en 8.2 E.V.R.M. en de artikelen 12, tweede lid, en 15 Grondwet gewaarborgde grondrechten doet hieraan niets af
(1)
(2).
(1)Zie de concl. van het O.M.
(2)Zie ook P.04.1127.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.17 van dezelfde datum. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Uitsluiting BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Toelaatbaarheid Beoordeling door de rechter Fiches 4 - 5 Het verdrag met rechtstreekse werking in het interne recht heeft voorrang op de Grondwet, waaruit volgt dat, wanneer de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdragsbepaling met rechtstreekse werking, een toetsing van de wet aan het verdrag volstaat en een verdere toetsing van de wet aan de Grondwet niet dienstig is, zodat het Hof de prejudiciële vraag die op deze laatste toetsing betrekking heeft niet stelt
(1)
(2)
(3).
(1)Zie de concl. van het O.M.
(2)Zie ook P.04.1127.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.17 van dezelfde datum.
(3)Cass., 9 nov. 2004, AR P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, nr .... Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Aangelegenheid waar de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdrag met rechtstreekse werking Verplichting Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Aangelegenheid waar de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdrag met rechtstreekse werking Verplichting Fiches 6 - 10 Concl. adv.-gen. P. DUINSLAEGER, Cass., 16 nov. 2004, AR P.04.0644.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Schending van een door het E.V.R.M. of de grondwet gewaarborgd grondrecht BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Uitsluiting BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Toelaatbaarheid Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Aangelegenheid waar de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdrag met rechtstreekse werking Verplichting PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Aangelegenheid waar de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdrag met rechtstreekse werking Verplichting Nota: P.04.0644.N Advocaat-generaal Duinslaeger heeft in substantie gezegd : 1. In deze zaak is opnieuw het probleem aan de orde van de gevolgen die kunnen verbonden worden aan het onrechtmatig verkregen bewijs. In casu betrof het een huiszoeking in het kader van een dossier van handel in verdovende middelen en witwas. Het feitelijk verloop kan als volgt worden geschetst : Eiser verklaarde in een eerste tijd, bij zijn verhoor door de verbalisanten, dat hij toestemming verleende tot het verrichten van een huiszoeking op zijn adres. Naderhand weigerde hij evenwel deze verklaring te ondertekenen zonder de aanwezigheid van zijn advocaat. De huiszoeking op zijn adres werd vervolgens toch uitgevoerd in aanwezigheid van de echtgenote van eiser en met haar voorafgaande schriftelijke toestemming. In het bestreden arrest stellen de appèlrechters de onregelmatigheid van de huiszoeking vast wegens de weigering van eiser om schriftelijk toestemming te verlenen. 2. Uit de onregelmatigheid van deze huiszoeking leidt eiser af dat zowel de huiszoeking zelf, als het gerechtelijk onderzoek dat op deze huiszoeking is gesteund, nietig zijn en dat hij dientengevolge moet worden vrijgesproken bij gebrek aan wettig bewijs. De appelrechters verwerpen dit verweer. Zij oordelen dat er geen grond is om de huiszoeking nietig te verklaren, om het resultaat ervan van het bewijs uit te sluiten of om het gerechtelijk onderzoek dat erop volgde en steunde nietig te verklaren, om reden, onder meer :
  1. a)dat uit de weigering van eiser om zijn verhoor te naamtekenen, niet kan worden besloten dat hij de eerder gegeven toestemming heeft ingetrokken, terwijl deze weigering al evenmin de afwezigheid van toestemming doet vermoeden, zodat integendeel moet worden besloten dat eiser wel degelijk mondeling toestemming tot de huiszoeking heeft verleend, maar weigerde schriftelijk toestemming te verlenen;
  2. b)dat noch het E.V.R.M., noch het Belgisch recht elk gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs verbieden, zodat aan de rechter ten gronde ruimte wordt gelaten om te oordelen welk gevolg aan de onrechtmatigheid van een bewijs dient te worden verbonden;
  3. c)dat de naleving van de vormvereiste van artikel 1bis Huiszoekingswet van 7 juni 1969 niet is voorgeschreven op straffe van nietigheid;
  4. d)dat de waarde als bewijsmateriaal van de inbeslaggenomen voorwerpen geenszins is aangetast door de enkele omstandigheid dat eiser niet vooraf schriftelijk toestemming gaf voor de huiszoeking;
  5. e)dat het optreden van de politie niet aan te merken is als een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de beklaagde aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan;
  6. f)dat eiser omtrent de tegen hem aangevoerde materiële schuldaanwijzingen alle tegenspraak heeft kunnen voeren, zodat het gebruik als bewijs van de bij de formeel onrechtmatige huiszoeking aangetroffen en inbeslaggenomen voorwerpen, niet in strijd is met het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd. De appèlrechters bevestigen dan ook het vonnis van de eerste rechter waarbij eiser werd veroordeeld wegens de telastleggingen van handel in verdovende middelen en witwas. 3. Als enig middel voert eiser de schending aan van de artikelen 6 en 8 van het E.V.R.M., de artikelen 12, tweede lid, en 15 van de Grondwet, artikel 408 Wetboek van Strafvordering en artikel 1bis van de Huiszoekingswet van 7 juni 1969. Dit middel is opgesplitst in vijf onderdelen. 4. De eerste vier onderdelen van dit middel voeren, met enkele nuanceverschillen, telkens weer aan dat de begane onregelmatigheid noodzakelijk met nietigheid moet worden gesanctioneerd. In het eerste onderdeel argumenteert eiser in essentie dat de voorafgaande schriftelijke toestemming tot huiszoeking, voorgeschreven door artikel 1bis van de Huiszoekingswet, een substantiële rechtsvorm is, omdat hij strekt tot waarborg van een grondrecht, met name de door artikel 8 E.V.R.M. en 15 van de Grondwet gewaarborgde onschendbaarheid van de woning. De schending van een dergelijk grondrecht is, volgens eiser, altijd onverenigbaar met een behoorlijke procesorde. Daaruit volgt, steeds volgens eiser, dat de miskenning van de vormvereiste van artikel 1bis van de Huiszoekingswet noodzakelijk met nietigheid moet worden gesanctioneerd, ook al bepaalt dit artikel zelf niet welk gevolg aan een dergelijke miskenning moet worden verbonden. In het tweede onderdeel vertrekt eiser van een schending van het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, omdat de vormvereiste van de voorafgaande schriftelijke toestemming dient aanzien te worden als een "vorm" in de zin van dit Grondwetsartikel. Dit brengt mee dat de miskenning ervan opnieuw noodzakelijkerwijs met nietigheid moet worden gesanctioneerd. In het derde onderdeel gaat eiser uit van een schending van de artikelen 8 E.V.R.M. en 15 van de Grondwet, omdat de wettelijk voorgeschreven vormen waarin de huiszoeking diende te verlopen, niet werden nageleefd. Deze schendingen moeten, naar de mening van eiser, opnieuw leiden tot nietigheid en tot uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijs. In het vierde onderdeel, tenslotte, voert eiser een schending van de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. aan. De grondgedachte hierbij is dat het intrinsiek belang van het geschonden voorschrift als criterium moet worden gehanteerd. In casu had het geschonden voorschrift betrekking op een grondwettelijk beschermd recht. In de stelling van eiser, wegen de hiervoor vermelde omstandigheden, die de appèlrechters aanhalen om te oordelen dat artikel 6 E.V.R.M. niet geschonden is daar niet tegen op. Bovendien verzet artikel 6 E.V.R.M. zich, nog steeds volgens eiser, in elk geval tegen het toelaten van bewijsmateriaal dat verkregen is door middel van de schending van een fundamenteel grondrecht, zoals de door artikel 8 E.V.R.M. en 15 van de Grondwet gewaarborgde onschendbaarheid van de woning. 5. Deze eerste vier onderdelen kunnen naar mijn oordeel samen beantwoord worden door verder te bouwen op de eerdere rechtspraak van het Hof inzake de gevolgen van het onrechtmatig verkregen bewijs
(1). Volgens deze rechtspraak, die eiser overigens ook aanhaalt in zijn memorie, heeft de omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen, in de regel slechts tot gevolg dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat gegeven rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen, hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden voorgeschreven wordt op straffe van nietigheid, hetzij wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, hetzij wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Volgens eiser moet de eerste hypothese die moet leiden tot de bewijsuitsluiting, met name het geval waar de naleving van de vormvereiste op straffe van nietigheid is voorgeschreven, uitgebreid worden tot de miskenning van elke pleegvorm, die betrekking heeft op een door het E.V.R.M. of de Grondwet gewaarborgd grondrecht, ook al is de nietigheidssanctie niet uitdrukkelijk voorzien. Eiser gaat met deze stelling evenwel voorbij aan het principe, dat herbevestigd wordt in de aangehaalde recente rechtspraak van het Hof, dat de rechter, in de regel, steeds moet kunnen beoordelen of de begane onrechtmatigheid moet leiden tot nietigheid en tot bewijsuitsluiting. Deze beoordeling van de gevolgen van de onrechtmatigheid door de rechter zal onder meer slechts dan niet meer mogelijk zijn wanneer de verdragsrechtelijke, grondwettelijke of wettelijke bepaling zelf de rechtsgevolgen van de miskenning van de voorgeschreven pleegvorm bepaalt. Dat is hier evenwel niet het geval, want noch het artikel 6 E.V.R.M., dat het eerlijk proces waarborgt, noch het artikel 8 E.V.R.M., dat het recht op eerbiediging van het privéleven, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, noch enige grondwettelijke of wettelijke bepaling houden in dat bewijs, dat met miskenning van een door het E.V.R.M. of door de Grondwet gewaarborgd grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overigens zelf ook al meermaals beslist dat het E.V.R.M. niet in alle gevallen tot de uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs dwingt.
(2)Wanneer ook aan alle andere voorwaarden voldaan is, met name aan de vereiste dat de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet heeft aangetast en aan de vereiste dat het gebruik van het bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces, dan komt het bijgevolg, in het geval dat ons thans aanbelangt, inderdaad aan de appèlrechters toe te beslissen welke gevolgen de onregelmatigheid moet meebrengen : de omstandigheid dat de pleegvorm, die werd miskend, betrekking heeft op een door het E.V.R.M. of de Grondwet gewaarborgd grondrecht, doet aan deze bevoegdheid van de rechter niets af. De appelrechter waren dus, in tegenstelling tot wat eiser voorhoudt, niet verplicht de door hen vastgestelde onregelmatigheid te sanctioneren door de huiszoeking en het gerechtelijk onderzoek nietig te verklaren of door het bewijs dat ingevolge deze huiszoeking werd verkregen uit te sluiten. De vier eerste onderdelen falen bijgevolg naar recht.
  1. In het tweede en derde onderdeel, verzoekt eiser, in ondergeschikte orde, om aan het Arbitragehof twee prejudiciële vragen te stellen. Beide vragen zijn ongeveer gelijkluidend en hebben betrekking op de gebeurlijke schending, door artikel 1bis van de Wet van 7 juni 1969, geïnterpreteerd in de zin dat de schending van dit artikel niet leidt tot de nietigheid van de huiszoeking, noch tot de uitsluiting van het ter gelegenheid van deze huiszoeking verkregen bewijs, van, respectievelijk, artikel 12, tweede lid, van de Grondwet (eerste prejudiciële vraag) en artikel 15 van de Grondwet (tweede prejudiciële vraag), waarbij deze grondwetsartikelen telkens samen gelezen worden met de artikelen 6 en 8 E.V.R.M.
  2. Vooreerst dient er aan herinnerd te worden, enerzijds, dat het in de eerste plaats aan de rechter en aan het Hof toekomt om de verdragen, de Grondwet en de wet uit te leggen en, anderzijds, dat de rechter, in de regel, de gehele procedure die voor hem aanhangig is zelf kan en dient af te handelen. Het is dan ook slechts in de door de wet voorziene uitzonderingen dat de rechter zich, vooraleer verder uitspraak te doen, bij wijze van prejudiciële vraag moet richten tot het Arbitragehof. Artikel 26,,§ 1, 3° van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, dat een dergelijke wettelijke uitzondering inhoudt en dus beperkend moet worden geïnterpreteerd, bepaalt dat het Arbitragehof prejudicieel uitspraak doet over vragen die betrekking hebben op, onder meer, de schending door een wet van de artikelen van Titel II van de Grondwet. Wanneer de voorgestelde prejudiciële vragen getoetst worden aan artikel 26,,§ 1, 3° van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof moet onmiddellijk vastgesteld worden dat deze vragen niet aan de voorwaarden van dit artikel voldoen. Allereerst blijkt immers al dat aan het Arbitragehof niet gevraagd wordt of artikel 1bis van de Huiszoekingswet de artikelen 12, tweede lid, en 15 van de Grondwet schendt, maar wel of de door de appèlrechters aan de schending van dat artikel toegekende gevolgen grondwettelijk zijn. Aan het Arbitragehof wordt bijgevolg enkel gevraagd de grondwettelijkheid te onderzoeken van een rechterlijke beslissing, met name de beslissing van de appèlrechters om de onregelmatige huiszoeking en het daaropvolgend gerechtelijk onderzoek niet nietig te verklaren en het resultaat van die huiszoeking niet van het bewijs uit te sluiten. Het onderzoek van de grondwettelijkheid van een rechterlijke beslissing behoort evenwel niet tot de opdracht van het Arbitragehof, maar komt het Hof van Cassatie toe
(3). In de tweede plaats moet vastgesteld worden dat de twee voorgestelde prejudiciële vragen het Arbitragehof niet vragen of artikel 1bis van de Huiszoekingswet de artikelen 12, tweede lid, en 15 van de Grondwet schendt, maar wel of de schending van artikel 1bis van de Huiszoekingswet deze grondwetsartikelen schendt. De eiser vraagt bijgevolg aan het Arbitragehof om de grondwettelijkheid te toetsen van een schending van de wet : ook dit behoort niet tot de opdracht van het Arbitragehof. Tenslotte kan er ook nog worden op gewezen dat in de prejudiciële vraagstelling een verband wordt gelegd tussen de onverenigbaarheid van de door de appèlrechters gehanteerde en door eiser bekritiseerde interpretatie van artikel 1bis van de Huiszoekingswet met de artikelen 6 en 8 E.V.R.M., enerzijds, en met de artikelen 12, tweede lid, en 15 van de Grondwet anderzijds: de strijdigheid van het artikel 1bis van de Huiszoekingswet, zoals geïnterpreteerd door de appèlrechters, met de Grondwet wordt hier dus afgeleid uit de schending van de artikelen 6 en 8 E.V.R.M., door ditzelfde artikel 1bis. De "premisse" dat de door de appèlrechters gehanteerde interpretatie van artikel 1bis van de Huiszoekingswet de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. schendt, faalt evenwel naar recht, zoals hiervoor gebleken is uit het antwoord op de eerste vier onderdelen. Al deze redenen leiden tot het besluit dat de voorgestelde prejudiciële vragen niet dienen gesteld te worden. Conclusie : verwerping. ___________________________
(1)Cass., 14 okt. 2003, A.R. P.03.0762.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.18, nr. ... met concl. van advocaat-generaal De Swaef; 23 maart 2004, A.R. P.04.0012.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040323.24, nr. ...
(2)Hof Mensenrechten, arrest Schenk/Zwitserland van 12 juli 1988, Publ. Eur. Court H.R., Serie A, Vol. 140; arrest Khan/Verenigd Koninkrijk van 12 mei 2000, Recueil des arrêts et décisions, 2000-V; arrest P.G en J.H./Verenigd Koninkrijk van 25 sept. 2001, Recueil des arrêts et décisions, 2001-IX; arrest Allan/Verenigd Koninkrijk van 5 nov. 2002, Recueil des arrêts et décisions, 2002-IX.
(3)Cass., 20 nov. 1975, A.C., 1976, 359; 16 nov. 1983, A.R. 3116, A.C., 1983-84, 147; 14 feb. 2001, A.R. P.00.1606.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.11, nr. 90; 12 okt. 2004, A.R. P.04.0476.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.6, nr. .... Annotaties Publicaties: R.C.J.B. - Jérémie VAN MEERBEECK; Michel MAHIEU; Traité international et constitution nationale - 2007, 24-90 Tekst van de beslissing Nr. P.04.0644.N B. M., eiser, beklaagde, met als raadslieden Mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel en Mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 16 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel
  1. Eerste, tweede, derde en vierde onderdeel Overwegende dat noch uit artikel 6 EVRM, dat het eerlijk proces waarborgt, noch uit artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privé-, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, noch uit enige grondwettelijke of wettelijke bepaling, volgt dat bewijs dat met miskenning van een door dit verdrag of door de Grondwet gewaarborgd grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is; Overwegende dat, behoudens wanneer een verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling zelf de rechtsgevolgen van de miskenning van een wettelijk voorgeschreven pleegvorm betreffende bewijsverkrijging bepaalt, de rechter beslist welke gevolgen deze onrechtmatigheid meebrengt; dat de omstandigheid dat de pleegvorm, waarvan de miskenning wordt vastgesteld, betrekking heeft op een door de artikelen 6 en 8.2 EVRM en de artikelen 12, tweede lid, en 15 Grondwet gewaarborgde grondrechten hieraan niets afdoet; Dat de onderdelen falen naar recht; Overwegende dat eiser in het tweede en het derde onderdeel in ondergeschikte orde het Hof verzoekt de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof;
  2. Schendt artikel 1 van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende dewelke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht, geïnterpreteerd in die zin dat de schending van artikel 1bis van de Wet van 7 juni 1969 niet leidt tot de nietigheid van de huiszoeking noch tot de uitsluiting van het ter gelegenheid van deze huiszoeking verkregen bewijs, artikel 12, tweede lid, van de Grondwet samen gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ?
  3. Schendt artikel 1 van de Wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende dewelke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht, geïnterpreteerd in die zin dat de schending van artikel 1bis van de Wet van 7 juni 1969 niet leidt tot de nietigheid van de huiszoeking noch tot de uitsluiting van het ter gelegenheid van deze huiszoeking verkregen bewijs, artikel 12, tweede lid, van de Grondwet samen gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden? Overwegende dat de rechter bevoegd is om te oordelen over zowel de uitlegging en toepasselijkheid van de Grondwet en van de wet, als over de bestaanbaarheid van een wet met een verdragsbepaling die in het interne recht rechtstreeks werking heeft; Overwegende dat het in de eerste plaats de rechter is die het verdrag uitlegt; Overwegende dat het verdrag met rechtstreekse werking voorrang heeft op de Grondwet; dat wanneer de Grondwet, zoals hier, geen verdere eisen stelt dan een verdragsbepaling met rechtstreekse werking, een toetsing van de wet aan het verdrag volstaat en een verdere toetsing van de wet aan de Grondwet niet dienstig is; Dat het Hof de prejudiciële vragen niet moet stellen;
  4. Vijfde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters, anders dan het onderdeel aanvoert, niet enkel oordelen dat eiser over alle aangevoerde schuldaanwijzingen tegenspraak heeft kunnen voeren; Overwegende dat het onderdeel in zoverre gestoeld is op een onvolledige lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist; Overwegende, voor het overige, dat de appèlrechters op grond van de feitelijke redenen die het arrest vermeldt, inzonderheid deze die betrekking hebben op het optreden van de politie bij de bewijsverkrijging, op de waarde van het bewijsmateriaal en op de aanvaardbaarheid van het gebruik daarvan, wettig vermogen te oordelen dat het recht van eiser op een eerlijk proces niet is miskend; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van honderd eenenveertig euro zevenenzeventig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zestien november tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.16 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251124.3F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.11 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040323.24 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.17 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050302.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050406.1 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.21 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060308.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070328.10 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090902.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.