id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.17 Rolnummer: P.04.1127.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2005-01-24 Raadplegingen: 809 - laatst gezien 2026-07-05 00:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Noch uit artikel 6 E.V.R.M., dat het eerlijk proces waarborgt, noch uit artikel 8 E.V.R.M., dat het recht op eerbiediging van het privé-, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, noch uit enige grondwettelijke of wettelijke bepaling volgt dat bewijs dat met miskenning van een door dit verdrag of door de Grondwet gewaarborgd grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is
(1)
(2).
(1)Zie de concl. van het O.M.
(2)Zie ook P.04.0644.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.16 van dezelfde datum. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Schending van een door het E.V.R.M. of de grondwet gewaarborgd grondrecht Fiches 2 - 3 Behoudens wanneer een verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling zelf de rechtsgevolgen van de miskenning van een wettelijk voorgeschreven pleegvorm betreffende bewijsverkrijging bepaalt, beslist de rechter welke gevolgen deze onrechtmatigheid meebrengt; de omstandigheid dat de pleegvorm, waarvan de miskenning wordt vastgesteld, betrekking heeft op een door de artikelen 6 en 8.2 E.V.R.M. en de artikelen 12, tweede lid, en 15 Grondwet gewaarborgde grondrechten doet hieraan niets af
(1)
(2).
(1)Zie de concl. van het O.M.
(2)Zie ook P.04.0644.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.16 van dezelfde datum. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Uitsluiting BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Toelaatbaarheid Beoordeling door de rechter Fiches 4 - 5 Het verdrag met rechtstreekse werking in het interne recht heeft voorrang op de Grondwet, waaruit volgt dat, wanneer de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdragsbepaling met rechtstreekse werking, een toetsing van de wet aan het verdrag volstaat en een verdere toetsing van de wet aan de Grondwet niet dienstig is, zodat het Hof de prejudiciële vraag die op deze laatste toetsing betrekking heeft niet stelt
(1)
(2)
(3).
(1)Zie de concl. van het O.M.
(2)Zie ook P.04.0644.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.16 van dezelfde datum.
(3)Cass., 9 nov. 2004, AR P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, nr .... Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Aangelegenheid waar de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdrag met rechtstreekse werking Verplichting Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Aangelegenheid waar de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdrag met rechtstreekse werking Verplichting Fiches 6 - 10 Concl. adv.-gen. P. DUINSLAEGER, Cass., 16 nov. 2004, AR P.04.1127.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Schending van een door het E.V.R.M. of de grondwet gewaarborgd grondrecht BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Uitsluiting BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Onrechtmatig verkregen bewijs Toelaatbaarheid Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Aangelegenheid waar de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdrag met rechtstreekse werking Verplichting PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Aangelegenheid waar de Grondwet geen verdere eisen stelt dan een verdrag met rechtstreekse werking Verplichting Nota: 2de kamer 16 november 2004 P.04.1127.N Advocaat-generaal Duinslaeger heeft in substantie gezegd :
- In deze zaak wordt het Hof eens te meer geconfronteerd met het probleem van het onrechtmatig verkregen bewijs en de gevolgen die hieraan kunnen verbonden worden. Het betreft dit keer een huiszoeking in een loods in het kader van een zaak van handel in verdovende middelen. In het bestreden arrest stellen de appèlrechters de onregelmatigheid van de huiszoeking vast wegens het feit dat de loods, die volgens de appèlrechters weliswaar niet als " woning " in de zin van artikel 15 Grondwet kan worden aanzien, noch een voor het publiek toegankelijke plaats, noch een verlaten onroerend goed was, terwijl er al evenmin sprake kon zijn van een vaststelling op heterdaad, zodat de zoeking gebeurde met schending van artikel 26 van de Wet op het Politieambt. De appèlrechters oordelen evenwel ook dat de vastgestelde onregelmatigheid van de zoeking de bewijskracht van de gegevens die deze zoeking opleverde niet aantast.
- Eiser voert twee middelen aan, die elk uiteenvallen in twee onderdelen.
- In het eerste onderdeel van het tweede middel voert eiser in essentie aan dat de begane onregelmatigheid noodzakelijk met nietigheid moet worden gesanctioneerd, omdat het niet-nageleefde voorschrift een substantiële rechtsvorm is, omdat dit voorschrift strekt tot waarborg van een grondrecht, met name de door artikel 8 E.V.R.M. en 15 van de Grondwet gewaarborgde onschendbaarheid van de woning. De schending van een dergelijk grondrecht is, volgens eiser, altijd onverenigbaar met een behoorlijke procesorde en moet dus noodzakelijk met nietigheid moet worden gesanctioneerd, ook al heeft de wetgever deze nietigheidssanctie niet uitdrukkelijk in de wet ingeschreven.
- In het tweede onderdeel van het tweede middel voert eiser een schending aan van het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, omdat de zoeking gebeurde in strijd met artikel 26 van de Wet op het Politieambt, zijnde een voorschrift dat dient te worden aanzien als een "vorm" in de zin van dit Grondwetsartikel. Dit brengt volgens eiser opnieuw mee dat de miskenning ervan noodzakelijk met nietigheid moet worden gesanctioneerd.
- Bij de beantwoording van dit tweede middel kan verwezen worden naar de eerdere rechtspraak van het Hof m.b.t. het onrechtmatig verkregen bewijs
(1), waarbij beslist werd dat de omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen, in de regel slechts tot gevolg heeft dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat gegeven rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen, hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden voorgeschreven wordt op straffe van nietigheid, hetzij wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, hetzij wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Volgens eiser moeten de gevallen waar de naleving van de vormvereiste op straffe van nietigheid is voorgeschreven, - hetgeen moet leiden tot nietigheid van het onderzoek en tot bewijsuitsluiting -, uitgebreid worden tot de miskenning van elke pleegvorm, die betrekking heeft op een door het E.V.R.M. of de Grondwet gewaarborgd grondrecht. Eiser verliest hierbij evenwel uit het oog dat, behalve waar het bewijs betreft dat verkregen werd in strijd met de artikelen 3 E.V.R.M. of 2 en 16 van het Verdrag tegen foltering en mishandeling, de internationale regelgeving het aan het nationale recht overlaat om de bewijsvoering en de bewijsmiddelen in strafzaken te regelen, waarbij het nationale recht onder meer op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarden kan opleggen. Het is dus enkel wanneer de toepasselijke verdragsrechtelijke, grondwettelijke of wettelijke regel zelf de rechtsgevolgen van de miskenning van de voorgeschreven pleegvorm bepaalt, dat de rechter dat rechtsgevolg of die sanctie onverkort zal moeten toepassen. In alle andere gevallen komt het in de eerste plaats de nationale rechter toe te oordelen of dit bewijs kan worden toegelaten of niet. Wat de voorliggende zaak betreft moet worden vastgesteld dat noch het artikel 6 E.V.R.M., dat het eerlijk proces waarborgt, noch het artikel 8 E.V.R.M., dat het recht op privacy waarborgt, noch enige grondwettelijke of wettelijke bepaling inhouden dat bewijs, dat met miskenning van een door het E.V.R.M. of door de Grondwet gewaarborgd grondrecht werd verkregen, nooit kan worden toegelaten en dus altijd ontoelaatbaar is. Dat is overigens ook de stelling van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat herhaaldelijk besliste dat het E.V.R.M. niet in alle gevallen tot de uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs dwingt.
(2)Wanneer ook aan de twee andere voorwaarden is voldaan, met name aan de vereiste van de betrouwbaarheid van het bewijs en aan de vereiste van het eerlijk proces, - hetgeen de appèlrechters hier ook uitdrukkelijk vaststellen -, dan komt het dus aan de rechter toe te beslissen welke gevolgen de onregelmatigheid moet meebrengen : de omstandigheid dat de pleegvorm, die werd miskend, betrekking heeft op een door het E.V.R.M. of de Grondwet gewaarborgd grondrecht, doet aan deze bevoegdheid van de rechter niets af. Er moet dus besloten worden dat de appelrechters, in tegenstelling tot wat eiser voorhoudt, niet verplicht waren de door hen vastgestelde onrechtmatigheid te sanctioneren door het bewijs dat ingevolge de onregelmatige huiszoeking werd verkregen uit te sluiten. Het tweede middel faalt bijgevolg naar recht.
- In dit tweede middel verzoekt eiser, in ondergeschikte orde, om aan het Arbitragehof twee prejudiciële vragen te stellen. Deze vragen hebben betrekking, enerzijds, op de gebeurlijke schending, door de artikelen 87, 88 en 89bis Wetboek van Strafvordering, geïnterpreteerd in de zin dat de schending van deze artikelen niet leidt tot de nietigheid van de huiszoeking, noch tot de uitsluiting van het ter gelegenheid van deze huiszoeking verkregen bewijs, van artikel 15 van de Grondwet, samengelezen met de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. (eerste prejudiciële vraag) en, anderzijds, op de gebeurlijke schending, door artikel 26 van de Wet op het Politieambt, geïnterpreteerd in de zin dat de schending van dit artikel niet leidt tot de nietigheid van de huiszoeking, noch tot de uitsluiting van het ter gelegenheid van deze huiszoeking verkregen bewijs, van artikel 12, tweede lid, Grondwet, opnieuw samengelezen met de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. (tweede prejudiciële vraag)
- Ik moge er opnieuw aan herinneren, enerzijds, dat het in de eerste plaats aan de rechter en aan het Hof toekomt om de verdragen, de Grondwet en de wet uit te leggen en, anderzijds, dat de rechter, in de regel, de gehele procedure die voor hem aanhangig is zelf moet afhandelen. Het is enkel in de door de wet voorziene uitzonderingen dat de rechter zich, vooraleer verder uitspraak te doen, bij wijze van prejudiciële vraag moet richten tot het Arbitragehof. Artikel 26,,§ 1, 3° van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, dat een dergelijke wettelijke uitzondering inhoudt, bepaalt dat het Arbitragehof prejudicieel uitspraak doet over vragen die betrekking hebben op, onder meer, de schending door een wet van de artikelen van Titel II van de Grondwet. Als uitzondering is deze bepaling van strikte interpretatie. Wanneer de twee voorgestelde prejudiciële vragen getoetst worden aan artikel 26,,§ 1, 3° van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof kan alleen worden vastgesteld dat deze vragen niet aan de voorwaarden van dit artikel voldoen. Allereerst blijkt immers al dat aan het Arbitragehof niet gevraagd wordt of de aangewezen artikelen de Grondwet schenden, maar wel of de door de appèlrechters aan de schending van deze artikelen toegekende gevolgen grondwettelijk zijn. Aan het Arbitragehof wordt bijgevolg enkel gevraagd de grondwettelijkheid te onderzoeken van een rechterlijke beslissing, met name de beslissing van de appèlrechters om het resultaat van de onregelmatige huiszoeking niet van het bewijs uit te sluiten. Het onderzoek van de grondwettelijkheid van een rechterlijke beslissing behoort evenwel niet tot de opdracht van het Arbitragehof, maar komt alleen het Hof van Cassatie toe
(3). In de tweede plaats moet ook worden vastgesteld dat de twee voorgestelde prejudiciële vragen het Arbitragehof enkel verzoeken na te gaan of de schending van de aangewezen artikelen de Grondwet schendt. De eiser vraagt dus aan het Arbitragehof om de grondwettelijkheid te toetsen van een schending van de wet : ook dit behoort niet tot de opdracht van het Arbitragehof. Bovendien kan er ook nog op worden gewezen dat in de prejudiciële vraagstelling een verband wordt gelegd tussen de onverenigbaarheid van de door de appèlrechters gehanteerde en door eiser bekritiseerde interpretatie van de aangewezen artikelen met de artikelen 6 en 8 E.V.R.M., enerzijds, en met de artikelen 12, tweede lid, en 15 van de Grondwet anderzijds: de strijdigheid van de aangewezen artikelen met de Grondwet wordt hier dus rechtstreeks afgeleid uit de schending van de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. Het uitgangspunt dat de door de appèlrechters gehanteerde interpretatie van de artikelen 87, 88 en 89bis Wetboek van Strafvordering of van artikel 26 van Wet op het Politieambt de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. schendt, faalt evenwel naar recht, zoals hiervoor gebleken is uit het antwoord op het tweede middel. Tenslotte dient nog te worden vastgesteld dat het E.V.R.M. voorrang heeft op de Grondwet en dat de artikelen 12 en 15 van de G.W., die net zo min als de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. het bewijs dat verkregen werd door een onregelmatige huiszoeking op absolute wijze uitsluiten, zelf niet verder reiken of geen andere eisen stellen dan de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. : het Hof besliste recent dat in een dergelijk geval een toetsing aan het E.V.R.M. volstaat en dat een verdere toetsing van de wet aan de G.W. niet langer dienstig is
(4). De voorgestelde prejudiciële vragen dienen dus niet gesteld te worden. 8. In het eerste middel wordt aangevoerd dat de loods waarin de zoeking plaatsvond dient aanzien te worden als een woning in de zin van artikel 15 Grondwet en 8 E.V.R.M., maar uit het antwoord op het eerste middel blijkt al dat het gegeven of het om een woonst gaat of niet, niets verandert aan het feit dat het aan de rechter toekomt te oordelen wat de gevolgen zijn van de onrechtmatige zoeking : het eerste middel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden, zodat het niet ontvankelijk is. Dit brengt meteen mee dat de prejudiciële vraag die in dit eerste middel wordt voorgesteld ook niet moet worden gesteld, omdat het middel niet ontvankelijk is om redenen die eigen zijn aan de cassatieprocedure. Conclusie : verwerping. ___________________________
(1)Cass., 14 okt. 2003, A.R. P.03.0762.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.18, nr. ... met concl. van advocaat-generaal De Swaef; 23 maart 2004, A.R. P.04.0012.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040323.24, nr. ...
(2)Hof Mensenrechten, arrest Schenk/Zwitserland van 12 juli 1988, Publ. Eur. Court H.R., Serie A, Vol. 140; arrest Khan/Verenigd Koninkrijk van 12 mei 2000, Recueil des arrêts et décisions, 2000-V; arrest P.G en J.H./Verenigd Koninkrijk van 25 sept. 2001, Recueil des arrêts et décisions, 2001-IX; arrest Allan/Verenigd Koninkrijk van 5 nov. 2002, Recueil des arrêts et décisions, 2002-IX.
(3)Cass., 20 nov. 1975, A.C., 1976, 359; 16 nov. 1983, A.R. 3116, A.C., 1983-84, 147; 14 feb. 2001, A.R. P.00.1606.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.11, nr. 90; 12 okt. 2004, A.R. P.04.0476.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.6, nr. ....
(4)Cass., 9 nov. 2004, A.R. P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, nr. ... Tekst van de beslissing Nr. P.04.1127.N D. L. M., eiser, beklaagde, met als raadslieden Mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel en Mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest op 16 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser voert in een memorie twee middelen aan. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen
- Tweede middel Overwegende dat eiser in dit middel ervan uitgaat dat de bedrijfsruimte waarin de zoeking plaatsvond waarvan de appèlrechters onaantastbaar vaststellen dat zij op een onregelmatige wijze is geschied, als een woonst dient te worden beschouwd; 1.
- Eerste en tweede onderdeel Overwegende dat noch uit artikel 6 EVRM, dat het eerlijk proces waarborgt, noch uit artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privé-, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, noch uit enige grondwettelijke of wettelijke bepaling volgt dat bewijs dat met miskenning van een door dit verdrag of door de Grondwet gewaarborgd grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is; Overwegende dat, behoudens wanneer een verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling zelf de rechtsgevolgen van de miskenning van een wettelijk voorgeschreven pleegvorm betreffende bewijsverkrijging bepaalt, de rechter beslist welke gevolgen deze onrechtmatigheid meebrengt; dat de omstandigheid dat de pleegvorm, waarvan de miskenning wordt vastgesteld, betrekking heeft op een door de artikelen 6 en 8.2 EVRM en de artikelen 12, tweede lid, en 15 Grondwet gewaarborgde grondrechten hieraan niets afdoet; Dat de onderdelen falen naar recht; 1.
- Prejudiciële vragen Overwegende dat eiser het Hof verzoekt de volgende prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen: "
- Schenden de artikelen 87, 88 en 89bis van het Wetboek van Strafvordering, geïnterpreteerd in die zin dat de overtreding van deze artikelen niet leidt tot nietigheid van de huiszoeking, noch tot uitsluiting van het ter gelegenheid van deze huiszoeking verkregen bewijs, artikel 15 juncto 12, tweede lid, van de Grondwet samen gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden?
- Schendt artikel 26 van de wet op het politieambt, geïnterpreteerd in die zin dat de schending van dit artikel niet leidt tot nietigheid van de gedane vaststelling, noch tot uitsluiting van het ter gelegenheid van deze zoeking verkregen bewijs, artikel 12, tweede lid van de Grondwet samen gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden?" Overwegende dat de rechter bevoegd is om te oordelen over zowel de uitlegging en toepasselijkheid van de Grondwet en van de wet, als over de bestaanbaarheid van een wet met een verdragsbepaling die in het interne recht rechtstreekse werking heeft; Overwegende dat het in de eerste plaats de rechter is die het verdrag uitlegt; Overwegende dat het verdrag met rechtstreekse werking voorrang heeft op de Grondwet; dat wanneer de Grondwet, zoals hier, geen verdere eisen stelt dan een verdragsbepaling met rechtstreekse werking, een toetsing van de wet aan het verdrag volstaat en een verdere toetsing van de wet aan de Grondwet niet dienstig is; Dat het Hof de prejudiciële vragen niet moet stellen;
- Eerste middel in zijn geheel Overwegende dat het middel dat aanvoert dat de loods waarin de zoeking heeft plaats gevonden, als een woonst dient te worden beschouwd in de zin van artikel 8 EVRM en artikel 15 Grondwet, onafgezien of er al dan niet uitsluitend professionele activiteiten worden uitgeoefend, niet tot cassatie kan leiden gelet op het antwoord op het tweede middel; Dat het middel mitsdien niet ontvankelijk is; Overwegende dat eiser het Hof verzoekt de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen: "Schenden de artikelen 87, 88 en 89bis van het Wetboek van Strafvordering, geïnterpreteerd in die zin dat deze artikelen niet van toepassing zijn en niet dienen te worden nageleefd indien het voorwerp van de inmenging van het openbaar gezag de professionele activiteiten en lokalen van een rechtsonderhorige zijn, artikel 10 en 11 van de Grondwet samen gelezen met artikel 8 en 14 EVRM en artikel 26 IVBPR?" Dat het middel niet ontvankelijk is verklaard om redenen die eigen zijn aan de cassatieprocedure, zodat de opgeworpen prejudiciële vraag niet moet worden gesteld; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep en het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van honderd zesentwintig euro negen cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van zestien november tweeduizend en vier, door afdeling-svoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150120.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251124.3F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.11 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040323.24 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041116.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.21 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div