← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041119.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041119.4 Rolnummer: C.02.0182.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 510 - laatst gezien 2026-07-05 01:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De ambtenaar die de overtreder of zijn raadsman in zijn verdediging hoort en de ambtenaar die de overtreder de sanctie oplegt, moet dezelfde ambtenaar zijn

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: SPORT Vrije woorden: SPORT Voetbalwedstrijd Veiligheid Inbreuk Administratieve sanctie Bevoegde ambtenaar Wettelijke bepalingen: Wet - 21-12-1998 - Artt.26en27 Fiche 2 Concl. adv.-gen. D. THIJS, Cass., 19 nov. 2004, AR C.02.0182.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: SPORT Vrije woorden: SPORT Voetbalwedstrijd Veiligheid Inbreuk Administratieve sanctie Bevoegde ambtenaar Nota: C.02.0182.N Conclusies openbaar ministerie: 1. In het enig middel voert eiser aan dat de Politierechtbank niet wettig kon oordelen: - dat artikel 27 van de "Voetbalwet" niet toelaat dat een bepaalde ambtenaar kennis zou nemen van het mondeling verweer van de overtreder en dat vervolgens een andere ambtenaar een sanctie zou opleggen; - dat het recht van verdediging werd geschonden doordat de beslissing werd genomen door een andere persoon dan degene tegenover wie verweerster haar verweer mondeling had voorgebracht. De door het middel opgeworpen problematiek betreft zodoende de vraag of de ambtenaar die een in de 'voetbalwet
(1)' bedoelde administratieve sanctie treft én degene die de betrokkene vooraf hoort 'in zijn verdediging' dezelfde moet zijn. 2. Algemeen In de artt. 20-23 van de Voetbalwet bepaalt de wetgever vier categorieën feiten die het verloop van een (inter)nationale voetbalwedstrijd kunnen verstoren. De wetgever sanctioneert de betrokken voetbalsupporter met een administratieve geldboete van 10.000 BEF (EUR 247,89) tot 200.000 BEF (EUR 4.957,87) en\of een administratief stadionverbod (art. 24). Dienaangaande voorziet hij in navolgende procedure :
(1)Een politieambtenaar
(2)stelt een proces-verbaal op, waarvan hij het origineel stuurt aan de 'aangewezen' ambtenaar
(3)en een afschrift aan de Procureur des Konings (art. 25);
(2)Hierop heeft deze laatste één maand om de strafvordering te initiëren, geval waarin de mogelijkheid om een administratieve sanctie op te leggen, vervalt (art. 35);
(3)Zo niet, kan de vermelde ambtenaar beslissen om een administratieve procedure aan te vatten, hetgeen hij de betrokkene per aangetekende brief meedeelt. Hierbij vermeldt hij o.m. dat de betrokkene de gelegenheid heeft om (binnen de 30 dagen) 'zijn verweermiddelen uiteen te zetten' en 'om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken' (art. 26);
(4)Na het verstrijken van de vermelde termijn, dan wel na de schriftelijke \ mondelinge 'verdediging', kan de ambtenaar een (gemotiveerde) sanctie opleggen (artt. 27-29);
(5)De betrokkene kan hoger beroep aantekenen bij de Politierechtbank (art. 31).
  1. Het onderhavige geval Verweerder in cassatie wordt, overeenkomstig de vermelde procedure, administratief gesanctioneerd wegens het (n.a.v. de nationale voetbalwedstrijd K.R.C. Genk K.V. Club Brugge op 18 april 1999) niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs (art. 22) en het verstoren van de openbare orde in het stadion (art. 23). In de thans bestreden beslissing verklaart de politierechter de administratieve beslissing nietig omdat de ambtenaar die de sanctie oplegde niet dezelfde was als degene die verweerder (vooraf) in zijn verdediging heeft gehoord.
  2. Beoordeling 4.
  3. De bestreden beslissing 'draait' vooral rond het in art. 779, 1ste lid Ger.W. bepaalde dat de rechter(s) die de beslissing neemt (nemen) alle zittingen over de zaak moet(en) hebben bijgewoond
(4). Deze bepaling "gaat uit van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging"
(5). In zijn arrest van 5 mei 1988 beslist het Hof, zij het in een burgerlijke zaak, "dat deze bepaling evenwel geen regel bevat die onder de rechterlijke organisatie ressorteert, doch een gewone procesrechtsregel is"
(6), zij het met een dwingend karakter
(7). Dit is anders in strafzaken "omdat hier een van de partijen het Openbaar Ministerie is en dat het vereist is dat het Openbaar Ministerie steeds gehoord wordt in zijn vorderingen, niet enkel door de beklaagde en de burgerlijke partijen, doch ook door de rechters. Hier kan er uiteraard geen sprake van zijn van de pleegvormen af te zien. De pleegvormen raken de openbare orde"
(8). Art. 779 Ger.W. is echter niet van toepassing op de hier aan de orde zijnde administratieve procedure
(9). 4.2. Hoewel DECLERCQ gewag maakt van 'een algemeen beginsel van de strafrechtspleging dat ongetwijfeld de openbare orde raakt', erkent het Hof evenmin "een algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een vonnis moet worden uitgesproken door dezelfde rechter die de zaak gehoord heeft"
(10). In die optiek werd in tuchtzaken reeds geoordeeld dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat dat voorschrijft dat het tuchtrechtelijke verhoor steeds dient te worden afgenomen door de tuchtoverheid die de beslissing neemt
(11). 4.3. Het weze (inmiddels
(12)) duidelijk dat de vermelde administratieve sancties een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van de artt. 6 E.V.R.M. en 14 BUPO-Verdrag. Zulks impliceert dat de in deze bepalingen bedoelde waarborgen dienen in acht genomen te worden. Maar nergens stellen de artt. 6 E.V.R.M. en 14 B.U.P.O. -Verdrag de 'waarborg' voorop dat een vonnis moet worden uitgesproken door dezelfde rechter die de zaak gehoord heeft. Volgens een vaste rechtspraak van het E.H.R.M. is (behoudens i.g.v. vrijheidsberoving) het toevertrouwen van de vervolging en de bestraffing aan administratieve overheden niet strijdig met art. 6 E.V.R.M., voor zover voor de betrokkene tegen elke tegen hem genomen administratieve beslissing beroep openstaat bij een rechtscollege dat aan de waarborgen van art. 6 E.V.R.M. voldoet en dat over 'volle rechtsmacht' beschikt
(13). In dit verband weze gepreciseerd dat de 'Voetbalwet' voorziet in een beroepsinstantie met 'volle rechtsmacht' (art. 31). 4.4. Een en ander leidt tot het besluit dat "het loutere feit dat de ambtenaar die de voetbalsupporter hoorde niet zelf de beslissing nam, noch een miskenning van het recht van verdediging, noch van de bepalingen van de Voetbalwet"
(14)kan opleveren: de ambtenaar die de betrokkene hoort, moet, evenals degene die de beslissing neemt, deel uitmaken van de categorie ambtenaren in de zin van art. 2 van het vermelde K.B. van 11 maart 1999, maar de wet vereist geenszins dat het telkens dezelfde ambtenaar moet betreffen. Het volstaat dat degene die de beslissing neemt, van (de schriftelijke neerslag van) het verweer kennis heeft. Door in andersluidende zin te oordelen, schendt het bestreden vonnis de in het middel aangewezen bepalingen van de "Voetbalwet", alsmede het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging. Het middel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. ___________________________
(1)Wet van 21 december 1998 'betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden', B.S. 3 februari 1999, p. 3.042 e.v. Zie voor een algemene bespreking van deze wet: F. CLARYSSE en Y. SEGAERT-VANDEN BUSSCHE, "De nieuwe voetbalwet: het Openbaar Ministerie getackeld", R.W. 1999-00, p. 1145 e.v.; F. DERUYCK, "Het verband tussen BECCARIA en EURO 2000 Het handhavingsstelsel in de Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden", in Liber Amicorum Jozef Van Den Heuvel, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1999, p. 475 e.v.
(2)Meer bepaald, 'elke ambtenaar \ agent van de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie met een graad van minstens rang 10 (art. 1 van het K.B. van 11 maart 1999 'tot vaststelling van de regels voor de administratieve procedure ingevoerd bij wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden', B.S. 26 maart 1999, p. 9.690 e.v.).
(3)D.i. 'de Directeur-generaal \ de Directeur-generaal tweetalig adjunct van de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie of de ambtenaar \ agent met een graad van minstens rang 13 die één van hen vervangt' (art. 2, 1° van het vermelde K.B. van 11 maart 1999), tenzij het gaat om een geldboete tot 10.000 BEF (EUR 247,89): die kan 'elke ambtenaar \ agent van de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie met een graad van minstens rang 10' innen \ opleggen (art. 2, 2° van het vermelde K.B. van 11 maart 1999).
(4)Zie hierover uitgebreid : S. RAES, "Art. 779 Ger.W.: de verplichting om alle zittingen over de zaak bij te wonen", Jura Falc. 1989-90, p. é e.v.; L. VERHAEGEN, "Commentaar bij art. 779 Ger.W.", in Comm. Ger., Antwerpen, Kluwer, 1988, 9 p.
(5)Zie : Cass. 31 mei 1985, Arr. Cass. 1984-85,
(716), p. 717.
(6)Cass. 5 mei 1988, Arr. Cass. 1987-88,
(1134), p. 1140.
(7)S. RAES, l.c., p. 260-261, nr. 57.
(8)E. KRINGS, conclusie voor Cass. 5 mei 1988, Arr. Cass. 1987-88,
(1134), p. 1136; zie voorts : Cass. 15 juni 1993, Arr. Cass. 1993,
(587), p. 589-590. Zie voorts : R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1999, p. 635-636, nr. 1419 en de verwijzingen aldaar; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 1999, p. 684, nr. 1643 en de verwijzingen aldaar.
(9)Cass. 14 december 1987, R.W. 1987-88, p. 952, noot Gh. DAEYER. Men zou zelfs kunnen stellen dat in dezen niet eens sprake is van 'zittingen over de zaak' in de zin van art. 779 Ger.W.
(10)Cass. 14 december 1987, R.W. 1987-88, p. 952, noot Gh. DAEYER; J. PUT, Administratieve sancties in het socialezekerheidsrecht, Brugge, Die Keure, 1998, p. 298-300, nr. 355; S. RAES, l.c., p. 234, nr. 3.
(11)Zie hierover : P. LEMMENS en D. D'HOOGHE, Het recht van verdediging in tuchtzaken, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1989, p. 44-45; I. OPDEBEEK, "Het recht van verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen", in Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Deurne, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1993, p. 75-77, nrs. 35-37 en de verwijzingen aldaar : "De betrokkene moet (...) niet noodzakelijk mondeling worden gehoord. Indien de betrokkene wordt gehoord, (...) is niet vereist dat (hij) wordt gehoord door de overheid die de maatregel neemt". Zie ook : Ph. GERARD, "Les décisions de refus, de limitation ou de suspension du droit aux allocations de chômage et le principe général du respect des droits de la défense", J.T.T. 1989, p. 125; J. PUT, o.c., p. 298, nr. 354.
(12)Zie hierover uitgebreid : A. ALEN, "Naar een betere rechtsbescherming inzake administratieve geldboeten na de koerswijziging van het Hof van Cassatie in zijn arresten van 5 februari 1999", R.W. 1999-00, p. 630 e.v. en de verwijzingen aldaar. Zie recent nog : Cass. 6 mei 2002, inzake met A.R. n° S.01.0052.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.9. Zie ook : Ph. GOEMINNE, conclusie voor Cass. 5 februari 1999, Arr. Cass. 1999, 144 e.v. en Cass. 25 mei 1999, Arr. Cass. 1999,
(719), p. 721-722.
(13)Zie hierover o.m. : A. ALEN, l.c., p. 633-636, nrs. 14-22; L. DE GEYTER, "De controle van de civiele rechter op de opgelegde administratieve geldboete", T.B.P. 2001, p. 4 e.v.; J. PUT, "De verhouding bestuur rechter inzake administratieve sancties", noot onder Cass. 10 juni 1996, A.J.T. 1996-97, p. 469 e.v.; J. PUT, o.c., p. 482-489, nrs. 563-570; J. PUT en A. UYTTENHOVE, "Administratieve sancties : geen discretionaire bevoegdheid ", noot onder Cass. 2 februari 1998, Soc. Kron. 1998, p. 174 e.v.; Cass. 28 juni 1999, Arr. Cass. 1999,
(968), 971-972.
(14)C. IDOMON, "Administratieve sancties in de Wet van 21 december 1998 'betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden : enkele opmerkingen omtrent het hoorrecht tijdens de administratieve procedure en het hoger beroep bij de politierechtbank", noot onder Pol. Mechelen 28 juli 2000, R.W. 2001-02,
(712),
  1. Tekst van de beslissing Nr. C.02.0182.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, met burelen te 1000 Brussel, Koningsstraat 60-62, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen Z.X. verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 21 juni 2001 in hoger beroep gewezen door de Politierechtbank te Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 779, inzonderheid eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 25, 26, inzonderheid eerste lid, tweede lid, 2°, en derde lid, en 27 van de Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden ; artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 maart 1999 tot vaststelling van de regels voor de administratieve procedure ingevoerd bij wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden ; het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging. Aangevochten beslissing De Politierechtbank te Brugge verklaart de administratieve beslissing van 7 oktober 1999 nietig en zegt voor recht dat deze beslissing als onbestaande moet worden aanzien en geen enkele uitwerking kan hebben. Zij overweegt daartoe (vonnis pp. 7-8, litera C) : "Art. 26 van de Voetbalwet voorziet onder meer dat de administratieve sanctie wordt opgelegd door de door (de) Koning aangewezen ambtenaar, met uitzondering van de ambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt. Als de ambtenaar beslist dat er reden is om de administratieve procedure aan te vatten, deelt hij de overtreder per brief onder meer mee voor welke feiten de procedure is opgestart en hij stelt er hem van in kennis dat hij binnen de dertig dagen zijn verweermiddelen kan laten geworden in een aangetekende brief en "dat hij het recht heeft om bij die gelegenheid de ambtenaar om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken'. Die ambtenaar bepaalt in voorkomend geval de dag waarop de betrokkene conform zijn verzoek uitgenodigd wordt om 'de mondelinge verdediging van zijn zaak voor te dragen'. Art. 27 voorziet dat na de schriftelijke of mondelinge verdediging van de zaak door de overtreder of zijn raadsman, de ambtenaar een sanctie kan opleggen. Zoals hierboven al werd geschetst heeft (verweerder) om de mondelinge verdediging van zijn zaak verzocht en is hij op 30 augustus 1998 met zijn raadsman naar Brussel getrokken, waar hij werd ontvangen door mevrouw A.D.B. Hoewel zij hetgeen werd uiteengezet heeft opgenomen in een document dat ze heeft betiteld als een 'verklaring van verhoor', ging het niet om een 'verhoor', maar om een 'mondelinge verdediging van de zaak', dus om een 'pleidooi'. Art. 779 Ger. W. voorziet op straffe van nietigheid dat de rechter, om aan de beraadslaging en aan de uitspraak deel te nemen, alle zittingen moet hebben bijgewoond waarop de zaak behandeld werd. Deze regel is ook toepasselijk op strafzaken en in strafzaken kunnen de partijen -anders dan in burgerlijke zakenniet akkoord gaan met een afwijking van de regel, omdat dit een algemeen beginsel is van de strafrechtspleging dat de openbare orde raakt. (Declercq R., Beginselen van de strafrechtspleging, uitg. 1999, nr. 1419 ; zie ook Verstraeten R., Handboek Strafvordering, uitg. 1999, nr. 1643). Toen (verweerder) op 30 augustus 1998 naar Brussel trok was dat, zoals gezegd, om de mondelinge verdediging van zijn zaak voor te dragen. Hij mocht er krachtens voormeld algemeen beginsel van openbare orde vanuit gaan dat de persoon die zijn mondelinge uiteenzetting had aanhoord en de persoon die de beslissing zou nemen, één en dezelfde zouden zijn. Art. 27 van de Voetbalwet voorziet dat trouwens minstens impliciet : '... na de schriftelijke of mondelinge verdediging van de zaak door de overtreder of zijn raadsman, kan de ambtenaar de overtreder een sanctie opleggen". Dat impliceert dat 'de ambtenaar' kennis moet nemen van de schriftelijk voorgedragen verweermiddelen en de mondeling voorgedragen verdediging moet beluisteren en er bij het nemen van zijn beslissing minstens rekening mee moet houden. Art. 27 laat niet toe dat ambtenaar A (mevrouw D.B.) kennis zou nemen van de schriftelijke en/of mondelinge verdediging en dat vervolgens ambtenaar B (mevrouw D.K.) een (straf)sanctie zou opleggen. Toch is het dat wat gebeurd is. 'De wetgever heeft zeer in het bijzonder toegezien op de eerbiediging van de fundamentele rechten en waarborgen met het oog op het verzekeren van een rechtvaardig proces .... Na de schriftelijke of mondelinge verdediging van de overtreder te hebben gehoord, zal de ambtenaar de volgens hem gepaste administratieve sanctie opleggen'. (Omzendbrief nr. Col. 14/99 van het College van Procureurs-Generaal bij de Hoven van Beroep, blz. 8). Dus niet 'een' ambtenaar, maar wel 'de' ambtenaar die de schriftelijke of mondelinge verdediging heeft gehoord. De rechtbank is van oordeel dat een fundamenteel beginsel, dat van openbare orde is, werd miskend doordat de beslissing werd genomen door een ander persoon dan diegene tegenover wie (verweerder) zijn verdediging diende naar voor te brengen. Het is toch essentieel dat met betrekking tot strafsancties -en dat zijn de administratieve sancties die in de Voetbalwet zijn voorzien, ook al worden ze zo niet genoemd- diegene die de straf oplegt, ook diegene is die vooraf de overtreder aanhoort als die zijn verdediging mondeling uiteenzet. Dat fundamenteel beginsel is naar het oordeel van de rechtbank ook van toepassing in het kader van een administratieve procedure, die ertoe strekt een straf op te leggen. Anders oordelen zou een miskenning inhouden van het recht op (mondelinge) verdediging, dat nochtans uitdrukkelijk in de Voetbalwet werd georganiseerd. Precies omdat het gaat om een schending van een principe dat van openbare orde is, mag de rechtbank dit middel ambtshalve opwerpen. De rechtbank moet de beslissing van de ambtenaar immers toetsen aan allerhande normen die betrekking hebben op de openbare orde (Clarysse F. en Segaert Van Den Bossche Y., o.c., 1149). Deze flagrante schending van de rechten van verdediging heeft tot gevolg dat de aangevochten beslissing nietig moet verklaard worden". Grieven
  2. Overeenkomstig artikel 25 van de Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden worden de sanctioneerbare feiten in beginsel vastgesteld door een politieambtenaar, waarvan artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 maart 1999 bepaalt dat dit elke ambtenaar of agent kan zijn van de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie met een graad van minstens rang 10, aangesteld bij de binnen deze administratie bestaande voetbalcel. Overeenkomstig artikel 26, eerste lid, van diezelfde "Voetbalwet" wordt de administratieve sanctie door een andere, door de Koning aangewezen ambtenaar opgelegd, nader omschreven in artikel 2 van het genoemde uitvoeringsbesluit van 11 maart 1999 ; Overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van deze "Voetbalwet" moet de ambtenaar die van oordeel is dat er reden is om de administratieve procedure, die kan leiden tot een effectieve sanctie, aan te vatten, aan de overtreder bij een ter post aangetekende brief onder meer meedelen : 1 ° de feiten waarvoor de procedure opgestart wordt ; 2° het feit dat de overtreder de gelegenheid heeft om binnen de dertig dagen te rekenen van de datum van kennisgeving van de aangetekende brief, zijn verweermiddelen uiteen te zetten bij een ter post aangetekende brief en dat hij het recht heeft om bij die gelegenheid de in het eerste lid bedoelde ambtenaar om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken. Overeenkomstig artikel 27 van de "Voetbalwet" kan de in artikel 26, eerste lid, van deze wet bedoelde ambtenaar, na de schriftelijke of mondelinge verdediging van de zaak door de overtreder of zijn raadsman, een administratieve sanctie opleggen, bedoeld in artikelen 18 of
  3. Er werd niet betwist, en door de politierechter werd vastgesteld dat verweerder bij aangetekende brief van 24 juni 1999 op de hoogte werd gesteld van de feiten waarvoor de administratieve procedure werd opgestart en van de omstandigheid dat hij zijn verweermiddelen zowel schriftelijk als mondeling kon laten gelden en dat hij bij brief van 22 juli 1999 van zijn raadsman verzocht om gehoord te worden. Evenmin werd betwist dat verweerder en zijn raadsman bij brief van 27 juli 1999 op de hoogte gesteld werden van het feit dat zij zouden gehoord worden op 30 augustus 1999, door mevrouw D.B., noch dat van dit verhoor een "verklaring van verhoor" werd opgesteld, waaromtrent verweerder en zijn raadsman verklaarden dat zij er niets aan te verbeteren noch toe te voegen hadden en dat zij in het bezit werden gesteld van een kopie ervan. De administratieve beslissing van 7 oktober 1999 werd getroffen door adjunct M. D.K., nadat deze, blijkens de vermeldingen van de administratieve beslissing zelf (pp. 1-2) had kennis genomen van de inhoud van het verhoor dat op 30 augustus 1999 had plaatsgevonden.
  4. Uit de wetsbepalingen van de "Voetbalwet", inzonderheid artikelen 26 en 27, kan niet worden afgeleid dat het horen van de mondelinge verdediging moet geschieden door dezelfde ambtenaar als deze die de administratieve beslissing neemt. Overeenkomstig artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan een vonnis, op straffe van nietigheid, enkel gewezen worden door het voorgeschreven aantal rechters die alle zittingen over de zaak moeten hebben bijgewoond. Artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek vindt echter geen toepassing op de bij artikelen 25 en volgende van de "Voetbalwet" bedoelde administratieve procedure. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een vonnis moet worden uitgesproken door dezelfde rechter die de zaak gehoord heeft. Uit de enkele omstandigheid dat de administratieve beslissing werd genomen door een andere ambtenaar dan diegene die verweerder gehoord heeft in zijn mondeling verweer, kan geen miskenning van het recht van verdediging worden afgeleid, nu
(1)verweerder alleszins alle verweermiddelen die hij wenste naar voren te schuiven schriftelijk kon laten gelden,
(2)van de middelen die verweerder mondeling tot zijn verweer heeft laten gelden, een proces-verbaal werd opgesteld, waaromtrent hij erkende er niets aan te wijzigen noch toe te voegen te hebben en waarvan hij erkende een exemplaar te hebben ontvangen, en
(3)verweerder alleszins beschikte over een jurisdictioneel beroep voor de politierechtbank waarbij hij alle middelen die hij wenste te laten gelden, kon naar voor brengen. 4. De Politierechtbank kon derhalve niet wettig oordelen dat :
(1)artikel 27 van de "Voetbalwet" niet toelaat dat een bepaalde ambtenaar kennis zou nemen van het mondeling verweer van de overtreder en dat vervolgens een andere ambtenaar een sanctie zou opleggen, en
(2)dat het recht van verdediging werd geschonden doordat de beslissing werd genomen door een andere persoon dan degene tegenover wie verweerster haar verweer mondeling had voorgebracht. 5. De politierechtbank miskent dienvolgens : - artikel 779, inzonderheid eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 25, 26, inzonderheid eerste lid, tweede lid, 2° en derde lid, en 27 van de Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden ; - artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 maart 1999 tot vaststelling van de regels voor de administratieve procedure ingevoerd bij wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden ; - het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 26, eerste lid, van de Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, de in de artikelen 18 en 24 bedoelde administratieve sancties worden opgelegd door de door de Koning aangewezen ambtenaar, met uitzondering van de ambtenaar die met toepassing van artikel 25 proces-verbaal heeft opgemaakt ; Dat, wanneer de ambtenaar beslist dat er reden is om de administratieve procedure aan te vatten, hij, krachtens artikel 26, tweede lid, van de Wet van 21 december 1998, de overtreder door middel van een aangetekende brief meedeelt onder meer 2° het feit dat de overtreder de gelegenheid heeft om binnen dertig dagen te rekenen van de datum van kennisgeving van de aangetekende brief, zijn verweermiddelen uiteen te zetten bij een ter post aangetekende brief, en dat hij het recht heeft om bij die gelegenheid de in het eerste lid bedoelde ambtenaar om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken ; Dat, krachtens artikel 26, derde lid, de in het eerste lid bedoelde ambtenaar in voorkomend geval de dag bepaalt waarop de betrokkene conform zijn verzoek krachtens het tweede lid, 2°, uitgenodigd wordt de mondelinge verdediging van zijn zaak voor te dragen ; Dat, krachtens artikel 27, na afloop van de termijn bepaald in artikel 26, tweede lid, 2°, of in voorkomend geval na de schriftelijke of mondelinge verdediging van de zaak door de overtreder of zijn raadsman, de ambtenaar bedoeld in artikel 26, eerste lid, de overtreder een sanctie kan opleggen op basis van de artikelen 18 of 24 ; Overwegende dat uit het geheel van die bepalingen volgt dat de ambtenaar die in voorkomend geval de overtreder of zijn raadsman in zijn verdediging hoort én de ambtenaar die de overtreder de sanctie oplegt, dezelfde ambtenaar moet zijn ; Dat het middel faalt naar recht ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd eenenzeventig euro zesenvijftig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041119.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.