id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041119.5 Rolnummer: F.02.0076.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 752 - laatst gezien 2026-07-04 05:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een bezwaarschrift dat door de belastingplichtige tegen een supplementaire aanslag wordt ingediend kan, binnen de perken van de grieven aangevoerd in dit bezwaarschrift, worden uitgebreid tot een eerder gevestigde aanslag, waarvan de bezwaartermijn reeds verstreken was, indien beide aanslagen op dezelfde betwiste bestanddelen zijn gesteund; dit is het geval indien bij de berekening van een aanslag een materiële fout is begaan en het vestigen van een supplementaire aanslag wordt aangewend om de ontoereikendheid van de eerder gevestigde aanslag te verhalen
(1)Cass., 18 oktober 1943, Pas., 1944, 14; Cass., 27 september 1949, Pas., 1949, 37; Cass., 29 mei 1951, Pas., 1951, 661; Cass., 26 oktober 1954, Pas., 1955, 164; Cass., 27 september 1956, Pas., 1957, 62; Cass., 11 oktober 1956, Pas., 1956, 131; Cass., 5 maart 1957, Pas., 1957, 799; Cass., 5 november 1957, A.C., 1957, 120, Pas., 1957, 230 ; Cass., 10 juni 1958, Pas., 1958, 1125, noot W.G.; Cass., 15 december 1959, A.C., 1959, 341, Pas., 1959, 450; Cass., 8 december 1960, Pas., 1961, 376; Cass., 23 februari 1965, Pas., 1965, 648; Cass., 11 mei 1965, Pas., 1965, 972, Bull. Bel., 1965, nr. 429, 547; Cass., 21 februari 1967, Pas., 1967, 793; Cass., 12 september 1967, A.C., 1967, 60; Cass., 9 mei 1967, A.C., 1967, 1096; Cass., 23 januari 1968, Pas., 1968, 651; Hof van Beroep Leopoldstad, 15 december 1958, J. Pr.Dr. Fisc., 1960, 274; Brussel, 25 oktober 1988, Bull. Bel., 1990, nr. 691, 426; Brussel, 24 september 1991, F.J.F., 1991, nr. 228; Antwerpen, 14 september 1992, F.J.F., 1993, nr. 19 Luik, 1 maart 1995, F.J.F., 1995, nr. 237; Antwerpen, 19 februari 1996, Fiscale Koerier, 1996, 277 Brussel, 2 april 1999, T.F.R., 2000, 404; Brussel, 24 mei 2000, T.F.R., 2000, 685, noot VANHEESWIJCK; Luik, 21 juni 2000, F.J.F., 2000, 621; BALTUS, M., " L'étendue du droit de réclamation contre des cotisations supplémentaires ", J. Dr. Fisc., 1960, 66-69; CARDYN, C. e.a., Procédure fiscale contentieuse, Brussel, Bruylant, 1992, 61-68; CLAEYS BOUUAERT, I., De aanslag, Brussel, Larcier, 1963, 84-85; COPPENS, P. en BAILLEUX, A., Droit fiscal, Brussel, Larcier, 1985, 628-629; DAUGINET, V. en SPAGNOLI, K., in De hervorming van de fiscale procedure, B. Peeters, Antwerpen, Maklu, 1999, 95; FEYE, M. en CARDYN, C., Procédure fiscale contentieuse, Brussel, Bruylant, 1958, 27-31; LEEUWERCK T., Fiscale rechtspraakoverzichten. Inkomstenbelastingen 1998, Deel IX, 124-125; MAGREMANNE, J.-P. e.a. , Le contentieux de l'impôt sur les revenus, 131-139; SCHREUDER, E., L'impôt sur les revenus. Précis de législation et de jurisprudence, Brussel, Bruylant, 1957, nr. 465 ; SCHREUDER, E., L'impôt sur les revenus. Précis de législation et de jurisprudence. Complément, Brussel, Bruylant, 1960, nr. 465 en 465bis; VAN BESIEN, J., "Indiening van een bezwaarschrift inzake inkomstenbelastingen", in Fiscale praktijkstudies, nr. 8, Antwerpen, Kluwer, 1988; VAN ORSHOVEN, P., "Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen", Antwerpen, Kluwer, 1988, 279-
- Tekst van de beslissing Nr. F.02.000076.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der belastingen te Leuven, wiens kantoor gevestigd is te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1, eiser, tegen
- N.A.
- V.T.
- V.M.
- V.F.
- V.C. verweerders, in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen W.V. vertegenwoordigd door Mr. Luc Vanheeswijck, advocaat bij de balie te Brussel, kantoor houdende te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 268 en 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (hierna afgekort WIB), zoals die van toepassing waren voor het aanslagjaar
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt vast dat op naam van de rechtsvoorganger van de verweerders op 3 april 1986 een aanslag onder kohierartikel 6709009 voor het aanslagjaar 1985 werd gevestigd en dat tegen die aanslag geen bezwaar werd ingediend en dat op naam van de rechtsvoorganger van de verweerders op 16 december 1987 een aanvullende aanslag onder kohierartikel 750192 voor het aanslagjaar 1985 werd gevestigd en dat tegen die aanslag op 4 februari 1988 bezwaar werd ingediend (het bestreden arrest vermeldt ten onrechte het jaar 1998). Het bestreden arrest stelt ook vast dat de twee aanslagen zijn gestoeld op dezelfde inkomsten, behalve dat in de tweede aanslag het bedrag van het kadastraal inkomen (en dus ook dat van de onroerende voorheffing en het maximum aftrekbaar bedrag der intresten) werd verminderd, dat de 420.000 BEF beroepsinkomsten die in de twee aanslagbiljetten voorkomen, dezelfde zijn namelijk inkomsten die in het buitenland werden verkregen en dat in zijn bezwaar van 4 februari 1998 (lees 1988) gericht tegen de tweede aanslag de rechtsvoorganger van de verweerders de vrijstelling met progressiebehoud van de 420.000 BEF heeft gevraagd en bekomen en dat hij ook in dat bezwaar, ter uitvoering van artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, de uitbreiding ervan heeft gevraagd tot de eerste aanslag, wat de vrijstelling van de 420.000 BEF betreft. Het bestreden arrest oordeelt dat artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen toepasselijk is, nu de aanvullende aanslag waartegen het bezwaarschrift van 4 februari 1998 (lees 1988) is gericht, is gevestigd op een bestanddeel (de bedrijfsinkomsten van 420.000 BEF van buitenlandse oorsprong) waarvan de belastbaarheid in België in het bezwaar wordt betwist, dat de directeur die grief heeft onderzocht en vastgesteld dat de 420.000 BEF van vreemde oorsprong moesten worden vrijgesteld, dat het precies om die reden is dat hij de ontheffing van het bedrag der aanvullende belasting (16.264 BEF) heeft ontheven en dat de oorspronkelijke belasting ook op hetzelfde kwestieus bestanddeel, te weten op de buitenlandse bedrijfsinkomsten van 420.000 BEF werd gevestigd. Luidens artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen geldt bijgevolg het bezwaarschrift van 4 februari 1998 (lees 1988) dat is gericht tegen de aanvullende belasting die is gevestigd op de 420.000 BEF en omdat die belasting op dat bedrag is gevestigd, van ambtswege voor de oorspronkelijke belasting die op datzelfde bedrag is gevestigd. Die beschikking zou zinloos zijn indien zij zou betekenen dat wanneer een bezwaarschrift van ambtswege voor andere belastingen geldt, de directeur het bedrag van die andere belastingen (die bij de berekening van de aanvullende aanslag op die laatste werden aangerekend) nochtans niet zou mogen ontheffen, zodat er geen geldige reden bestaat om de ontheffing tot 16.264 BEF te beperken. Het bestreden arrest beslist derhalve dat het verhaal gericht tegen de aanvullende aanslag overeenkomstig artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen eveneens geldt tegen de oorspronkelijke aanslag en beveelt de ontheffing van de aanslagen in de mate dat de belasting werd gevestigd zonder rekening te houden met de vrijstelling met progressievoorbehoud op het bedrag van 10.411,53 euro (420.000 BEF) inkomsten die in het buitenland werden verkregen. Grieven Artikel 267 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1985 bepaalt dat de belastingplichtige tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar kan indienen bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete werden gevestigd. Artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1985 stelt dat de bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin de belasting is gevestigd, zonder dat de termijn nochtans minder dan zes maanden mag bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning der belastingen op een andere wijze dan per kohier. Volgens artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1985 geldt het bezwaarschrift gericht tegen een belasting die gevestigd is op betwiste bestanddelen van ambtswege voor de andere belastingen gevestigd op dezelfde bestanddelen of als supplement voor de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, zelfs dan wanneer de wettelijke termijnen tot bezwaar tegen die andere belastingen zouden verstreken zijn. Uit die artikelen volgt volgens het arrest van het Hof van 11 mei 1965 (Pas. 1965, deel I, blz. 972) dat de belastingplichtige op wiens naam een supplementaire aanslag is gevestigd de mogelijkheid heeft om, niettegenstaande het feit dat de oorspronkelijke aanslag definitief is geworden, dat wil zeggen wettelijk verschuldigd door het ontbreken van een regelmatig bezwaarschrift in de zin van artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, de werkelijkheid of de juistheid van de bestanddelen van de oorspronkelijke aanslag te betwisten en dit om de grondslag van de supplementaire aanslag vast te stellen zodat door compensatie van de aldus verbeterde gegevens en van die welke tot staving van de aanvullende aanslag zijn aangevoerd, het niet bestaan of het juiste bedrag van een onvoldoende belasting kan worden aangetoond. Het definitief karakter van de oorspronkelijk gevestigde aanslag in de zin van het wettelijk verschuldigd zijn van de gevestigde belasting bij gebreke aan een regelmatig bezwaarschrift belet aldus dat ontheffingen die voortvloeien uit een bezwaarschrift gericht tegen de supplementaire aanslag verder zouden gaan dat het bedrag van de supplementaire aanslag zelf. Door te beslissen dat het bezwaarschrift van 4 februari 1988 van verweerder in cassatie tegen de aanvullende aanslag ambtshalve geldt voor de oorspronkelijk aanslag waarvoor de bezwaartermijn verstreken was en de ontheffing te bevelen van beide aanslagen in de mate dat de belasting werd gevestigd zonder rekening te houden met de vrijstelling met progressievoorbehoud op het bedrag van 10.411,53 euro (420.000 BEF) inkomsten die in het buitenland werden verkregen, raakt het bestreden arrest aan het definitief karakter van de oorspronkelijke aanslag en aldus de artikelen 268 en 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1985 schendt. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen