← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041119.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041119.5 Rolnummer: F.02.0076.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 752 - laatst gezien 2026-07-04 05:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een bezwaarschrift dat door de belastingplichtige tegen een supplementaire aanslag wordt ingediend kan, binnen de perken van de grieven aangevoerd in dit bezwaarschrift, worden uitgebreid tot een eerder gevestigde aanslag, waarvan de bezwaartermijn reeds verstreken was, indien beide aanslagen op dezelfde betwiste bestanddelen zijn gesteund; dit is het geval indien bij de berekening van een aanslag een materiële fout is begaan en het vestigen van een supplementaire aanslag wordt aangewend om de ontoereikendheid van de eerder gevestigde aanslag te verhalen

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Uitbreiding Voorwaarden Aanslag gesteund op dezelfde betwiste bestanddelen Fiche 2 Wanneer een regelmatig ingediend bezwaarschrift tegen de supplementaire aanslag werd uitgebreid tot de eerder gevestigde aanslag mag de directeur meer ontheffen dan het bedrag van de aanvullende inkohiering
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Uitbreiding Gevolgen Bedrag dat de directeur mag ontheffen Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Art.367 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. D. THIJS, Cass., 19 nov. 2004, AR F.02.0076.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Uitbreiding Voorwaarden Aanslag gesteund op dezelfde betwiste bestanddelen INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Uitbreiding Gevolgen Bedrag dat de directeur mag ontheffen Nota: F.02.0076.N Conclusie openbaar ministerie: 1. De fiscale betwisting betreft de draagwijdte van de door artikel 268 W.I.B. 1964 voorziene mogelijkheid tot uitbreiding van het bezwaarschrift tot belastingen die ingevolge het verstrijken van de bezwaartermijn definitief gevestigd zijn
(1).
  1. De appèlrechters stellen in casu vast dat:
  2. met betrekking tot het aanslagjaar 1985 op 3 april 1986 een aanslag onder artikelnummer 670.90.09 op naam van de rechtsvoorganger van verweerders werd ingekohierd en dat tegen deze aanslag geen bezwaar werd ingediend;
  3. op 16 december 1987 eveneens op naam van de rechtsvoorganger van verweerders een aanvullende aanslag werd ingekohierd onder artikelnummer 750.192 voor hetzelfde aanslagjaar; dat de supplementaire belasting 16.264 BEF bedroeg, gelet enerzijds op de aanrekening van de oorspronkelijke aanslag en anderzijds op de vermindering van de af te trekken onroerende voorheffing (5.138 BEF in de plaats van 18.000 BEF);
  4. de twee aanslagen betrekking hebben op dezelfde inkomsten, behalve dat in de tweede aanslag het bedrag van het kadastraal inkomen (en dus ook dat van de onroerende voorheffing en het maximum aftrekbaar bedrag der intresten) verminderd werden;
  5. de 420.000 BEF bedrijfsinkomsten die in de twee aanslagbiljetten voorkomen, dezelfden zijn;
  6. de rechtsvoorganger van verweerders in zijn bezwaar van 4 februari 1998 (lees 4 februari 1988) gericht tegen de tweede aanslag de vrijstelling met progressievoorbehoud van de 420.000 BEF bedrijfsinkomsten heeft gevraagd en bekomen en dat hij ook in dit bezwaar, in uitvoering van artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 de uitbreiding ervan heeft gevraagd tot de eerste aanslag, wat de vrijstelling van de 420.000 BEF betreft;
  7. in een werknota betreffende het bezwaar gericht tegen de aanvullende aanslag de directeur aanvaard heeft dat de basisbelasting van 77.331 BEF, die dezelfde is voor de hoofd- en aanvullende aanslag verminderd zou worden ten belope van de belasting (69.332 BEF) die betrekking heeft op de vrijgestelde 420.000 BEF; dat de directeur in deze werknota van mening was dat de verzoeker recht had op een ontheffing van 90.028 BEF;
  8. in de beslissing de directeur de ontheffing van het bedrag van 90.028 BEF evenwel heeft beperkt tot het bedrag van de aanvullende belasting, t.t.z. tot 16.264 BEF, omdat naar zijn oordeel artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 niet toepasselijk is, reden waarom hij zich niet gerechtigd achtte meer te ontlasten dan het bedrag van de aanvullende inkohiering; Het bestreden arrest zegt voor recht dat in toepassing van art. 268 W.I.B. 1964 het bezwaar gericht tegen de aanvullende aanslag eveneens geldt tegen de oorspronkelijke aanslag. Het hof van beroep beveelt vervolgens de ontheffing van de beide aanslagen in de mate dat de belasting werd gevestigd zonder rekening te houden met de vrijstelling, met progressievoorbehoud, van het bedrag van 420.000 BEF bedrijfsinkomsten die in het buitenland werden verkregen.
  9. Krachtens artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964, geldt het bezwaarschrift gericht tegen een belasting die gevestigd is op betwiste bestanddelen, van ambtswege voor de andere belastingen gevestigd op dezelfde bestanddelen of als supplement vóór de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar zelfs dan wanneer de wettelijke termijnen tot bezwaar tegen die andere belastingen zouden verstreken zijn. Voormelde tekst van artikel 268 WIB 1964 stemt overeen met de tekst van artikel 61, ,§3, laatste lid van de gecoördineerde Wetten betreffende de inkomstenbelastingen (samengeordend bij besluit van de Regent van 15 januari 1948), zoals gewijzigd bij wet van 30 maart 1949 en 27 juli
  10. De voorbereidende werken van de wet van 27 juli 1953 geven ons een goed beeld van de bedoeling van de wetgever: "Het 2° van artikel 2 vervangt het laatste lid van ,§3 van artikel 61, zonder nochtans te raken aan de huidige tekst van die bepaling, krachtens welke een reclamatie gericht tegen een belasting gevestigd op betwiste bestanddelen, van ambtswege geldt voor de andere op dezelfde bestanddelen gevestigde belastingen, zelfs dan wanneer de wettelijke termijnen tot reclamatie tegen deze laatste belastingen zouden verstreken zijn. In dezelfde geest zal een bezwaarschrift gericht tegen de hoegrootheid van de inkomsten die tot grondslag van een bepaalde aanslag dienen, voortaan eveneens aangezien worden als geldig gericht tegen de ermede verbandhoudende belastingsupplementen welke gevestigd zijn geworden, vóór de beslissing van de directeur over het bezwaarschrift ingediend tegen de oorspronkelijke aanslag." (Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp tot invoering van maatregelen om de invordering der directe belastingen te bespoedigen, Kamer, Gedr. St., 1952-53, nr. 277/4). Ook de bedoeling die de wetgever in 1949 voor ogen stond, was duidelijk. We citeren : "Krachtens artikel 1 zal een bezwaarschrift tegen het bedrag van de inkomsten die tot grondslag hebben gediend voor een bepaalde belasting, worden aangezien als geldig ingediend tegen het bedrag derzelfde inkomsten, in aanmerking genomen voor het berekenen van andere belastingen. Zo gebeurt het soms dat een belastingplichtige uitsluitend tegen het bedrag van zijn bedrijfsbelasting bezwaar aantekent. Naar de huidige wetgeving, kan dit bezwaarschrift, indien het gegrond wordt bevonden, slechts aanleiding geven tot een ontheffing inzake bedrijfsbelasting. De voorgestelde maatregel zal toelaten het voordeel van de vermindering van de grondslag belastbaar in de bedrijfsbelasting ipso facto uit te breiden tot de in onderling verband staande grondslag belastbaar in de aanvullende personele belasting. Zo zal ook de reclamatie gericht tegen de in de gewone belastingen belastbare basis van rechtswege gelden voor de basis die tot grondslag dient van de speciale belastingen. Ten slotte, zal het bezwaarschrift ingediend tegen de onroerende inkomsten in aanmerking genomen voor de vestiging van de aanvullende nationale crisisbelasting ipso facto gelden voor de eventuele herziening van de op dezelfde inkomsten gevestigde grondbelasting, zelfs dan wanneer de wettelijke termijnen tot reclamatie tegen deze laatste belasting reeds zouden verstreken zijn. Op dat artikel 1 van toepassing zij, moet het gaan om meerdere op dezelfde elementen gevestigde belastingen. Aldus, zal een tegen een supplement inzake bedrijfsbelasting ingediend bezwaarschrift de aanvankelijk gevestigde bedrijfsbelasting niet terug in betwisting brengen zo deze laatste definitief geworden is. Het supplement is inderdaad op andere inkomsten gesteund; deze die eerst belast werden, komen voor de vaststelling van het supplement slechts tussenbeide met het oog op de bepaling van de toepasselijke percenten" (Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp houdende exceptionele en interpretatieve maatregelen inzake directe belastingen, Kamer, Gedr. St., 1948-49, nr. 323/2-3).
  11. Algemeen wordt aangenomen dat de woorden "andere belastingen" in artikel 268 W.I.B. 1964 niet betekenen dat het steeds zou moeten gaan om belastingen van verschillende aard. In feite worden ook andere "aanslagen" bedoeld die kunnen gevestigd zijn in dezelfde belasting. Het volstaat dat het gaat om andere aanslagen voor zover ze gevestigd worden op dezelfde bestanddelen (Com. IB 1964, nr. 268/2; VAN BESIEN, J., "Indiening van een bezwaarschrift inzake inkomstenbelastingen", in Fiscale praktijkstudies, nr. 8, Antwerpen, Kluwer, 1988, p. 119, nr. 108).
  12. Onder "betwiste bestanddelen" en "dezelfde bestanddelen" worden dezelfde materiële elementen bedoeld die de belastbare basis helpen vormen (Cass., 5 maart 1957, Pas., 1957, I, 798; Cass., 23 februari 1965, Pas., 1965, 648; Cass., 23 januari 1968, Pas., 1968, 651; (Com. I.B. 1964, nr. 268/3). Indien een supplementaire aanslag gevestigd werd om een bijkomend, nog niet belast, inkomen te treffen, dat verschillend was van het inkomen van de eerste aanslag, werd door de rechtspraak terecht geen toepassing gemaakt van artikel 268 van het WIB 1964 (Zie o.m. Cass., 21 februari 1967, A.C., 1967, 793; Cass., 9 mei 1967, A.C., 1967, 1096). In een dergelijk geval komen de inkomsten die reeds in de eerste belasting werden aangeslagen slechts ter sprake bij het vestigen van de supplementaire aanslag voor de bepaling van de toepasselijke belastingvoet (.....). VAN BESIEN merkt terecht op dat het voorgaande echter niet betekent dat bij een betwisting van de supplementaire aanslag de elementen van de oorspronkelijke basis niet meer zouden kunnen worden aangevochten en gewijzigd, voor zover dit voor dit supplement van belang zou kunnen zijn (VAN BESIEN, J., "Indiening van een bezwaarschrift inzake inkomstenbelastingen", in Fiscale praktijkstudies, nr. 8, Antwerpen, Kluwer, 1988, p. 118, nr. 107). Deze zienswijze vindt steun in het arrest van het Hof van 11 mei
  13. Het Hof oordeelde toen " dat het verval van het recht voor een belastingplichtige om bezwaar in te dienen tegen een aanslag die definitief is geworden, in die zin dat de belasting wettelijk verschuldigd is, niet insluit dat de verschillende gegevens die gediend hebben om de belastbare grondslag vast te stellen, daardoor onherroepelijk juist zijn geworden. Een belastingplichtige die het voorwerp uitmaakt van een aanvullende aanslag wegens onvoldoende belasting is gerechtigd, in zoverre de oorspronkelijke aanslag niet het voorwerp is geweest van een in kracht van gewijsde gegane administratieve of rechterlijke beslissing, en niettegenstaande het definitief karakter van de belasting vastgesteld door de oorspronkelijke aanslag, de werkelijkheid te betwisten van de gegevens op grond waarvan de belastbare grondslag van deze aanslag is vastgesteld, ten einde de grondslag van de aanvullende aanslag te bepalen. Door het inroepen van compensatie van de aldus verbeterde gegevens en van die welke tot staving van de aanslag zijn ingeroepen, kan hij het niet-bestaan of het juiste bedrag van de onvoldoende belasting aan tonen. (Pas., 1965, I, 972; zie tevens M. BALTUS, "De l'étendue du droit de réclamation contre des cotisations supplémentaires", J. Prat. Dr. Fisc., 1960, 66-69 met duidelijke cijfervoorbeelden).
  14. Artikel 268 W.I.B. 1964 is daarentegen wel van toepassing indien het supplement gevestigd is op dezelfde materiële elementen als de eerste aanslag, wanneer b.v. bij de eerste aanslag een berekeningsfout werd gemaakt die in een tweede aanslag werd hersteld, met als gevolg een hogere belasting (VAN BESIEN, J., l.c., p. 119, nr. 107 in fine). Ook in de Com. IB 1964 wordt deze visie onderschreven: "Zo kan het gebeuren dat bij de berekening van een aanslag in een bepaalde belasting, een materiële fout wordt begaan in het voordeel van de belastingplichtige en dat het vestigen van een aanvullende aanslag in dezelfde belasting te baat wordt genomen om de ontoereikendheid van de oorspronkelijke aanslag te verhalen. Het lijdt geen twijfel dat deze terugvordering algeheel gesteund is op dezelfde bestanddelen als de aanvankelijke aanslag. In zulk geval geldt derhalve het regelmatig ingediende bezwaarschrift hetzij tegen de oorspronkelijke aanslag, hetzij tegen de aanvullende aanslag, van ambtswege voor de algeheelheid van de belasting betreffende de gemeenschappelijke aanslagbasis" (Com. I.B. 1964, nr. 268/2).
  15. In tegenstelling tot de zaak die aan de basis lag van het hoger besproken arrest van Uw Hof van 11 mei 1965, gaat het Hof van Beroep te Brussel er in het bestreden arrest van uit dat beide aanslagen op dezelfde bestanddelen gevestigd zijn. Het Hof stelt meer bepaald vast dat "de 420.000 BEF bedrijfsinkomsten die in de twee aanslagbiljetten voorkomen dezelfde zijn: het gaat over inkomsten die in het buitenland werden verkregen".
  16. Eiser in cassatie gaat er in het middel van uit dat het definitief karakter van de oorspronkelijk gevestigde aanslag bij gebreke aan een regelmatig bezwaarschrift in de gegeven omstandigheden evenwel belet dat de ontheffingen die voortvloeien uit het bezwaarschrift gericht tegen de supplementaire aanslag verder zouden gaan dan het bedrag van de supplementaire aanslag zelf. Bedoelde grief faalt naar recht nu de ambtshalve uitbreiding van het bezwaar waarin artikel 268 W.I.B. voorziet kan leiden tot een ontheffing die het bedrag van de supplementaire aanslag zelf overtreft (cfr. Brussel, 24 september 1991, F.J.F., nr. 91/228; Antwerpen, 19 februari 1996, Fisc. Koerier, 1996, 96/277). Anders dan hetgeen eiser aanvoert, is de omstandigheid dat de bezwaartermijn voor de aanvankelijke aanslag zou verstreken zijn, niet relevant nu artikel 268 W.I.B. 1964 precies de hypothese op het oog heeft dat "de wettelijke termijnen tot bezwaar tegen die andere belastingen zouden verstreken zijn" en aldus uitdrukkelijk voorziet in een afwijking op artikel 272 van dat wetboek dat de bezwaartermijnen op straffe van verval voorschrijft. De appelrechters hebben ter zake terecht opgemerkt dat "deze beschikking zinloos zou zijn indien zij zou betekenen dat wanneer een bezwaarschrift van ambtswege voor andere belastingen geldt, de Directeur het bedrag van deze andere belastingen (die bij de berekening van de aanvullende aanslag op deze laatste aangerekend werden) nochtans niet zou mogen ontlasten." Besluit: VERWERPING. ___________________________
(1)Cass., 18 oktober 1943, Pas., 1944, 14; Cass., 27 september 1949, Pas., 1949, 37; Cass., 29 mei 1951, Pas., 1951, 661; Cass., 26 oktober 1954, Pas., 1955, 164; Cass., 27 september 1956, Pas., 1957, 62; Cass., 11 oktober 1956, Pas., 1956, 131; Cass., 5 maart 1957, Pas., 1957, 799; Cass., 5 november 1957, A.C., 1957, 120, Pas., 1957, 230 ; Cass., 10 juni 1958, Pas., 1958, 1125, noot W.G.; Cass., 15 december 1959, A.C., 1959, 341, Pas., 1959, 450; Cass., 8 december 1960, Pas., 1961, 376; Cass., 23 februari 1965, Pas., 1965, 648; Cass., 11 mei 1965, Pas., 1965, 972, Bull. Bel., 1965, nr. 429, 547; Cass., 21 februari 1967, Pas., 1967, 793; Cass., 12 september 1967, A.C., 1967, 60; Cass., 9 mei 1967, A.C., 1967, 1096; Cass., 23 januari 1968, Pas., 1968, 651; Hof van Beroep Leopoldstad, 15 december 1958, J. Pr.Dr. Fisc., 1960, 274; Brussel, 25 oktober 1988, Bull. Bel., 1990, nr. 691, 426; Brussel, 24 september 1991, F.J.F., 1991, nr. 228; Antwerpen, 14 september 1992, F.J.F., 1993, nr. 19 Luik, 1 maart 1995, F.J.F., 1995, nr. 237; Antwerpen, 19 februari 1996, Fiscale Koerier, 1996, 277 Brussel, 2 april 1999, T.F.R., 2000, 404; Brussel, 24 mei 2000, T.F.R., 2000, 685, noot VANHEESWIJCK; Luik, 21 juni 2000, F.J.F., 2000, 621; BALTUS, M., " L'étendue du droit de réclamation contre des cotisations supplémentaires ", J. Dr. Fisc., 1960, 66-69; CARDYN, C. e.a., Procédure fiscale contentieuse, Brussel, Bruylant, 1992, 61-68; CLAEYS BOUUAERT, I., De aanslag, Brussel, Larcier, 1963, 84-85; COPPENS, P. en BAILLEUX, A., Droit fiscal, Brussel, Larcier, 1985, 628-629; DAUGINET, V. en SPAGNOLI, K., in De hervorming van de fiscale procedure, B. Peeters, Antwerpen, Maklu, 1999, 95; FEYE, M. en CARDYN, C., Procédure fiscale contentieuse, Brussel, Bruylant, 1958, 27-31; LEEUWERCK T., Fiscale rechtspraakoverzichten. Inkomstenbelastingen 1998, Deel IX, 124-125; MAGREMANNE, J.-P. e.a. , Le contentieux de l'impôt sur les revenus, 131-139; SCHREUDER, E., L'impôt sur les revenus. Précis de législation et de jurisprudence, Brussel, Bruylant, 1957, nr. 465 ; SCHREUDER, E., L'impôt sur les revenus. Précis de législation et de jurisprudence. Complément, Brussel, Bruylant, 1960, nr. 465 en 465bis; VAN BESIEN, J., "Indiening van een bezwaarschrift inzake inkomstenbelastingen", in Fiscale praktijkstudies, nr. 8, Antwerpen, Kluwer, 1988; VAN ORSHOVEN, P., "Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen", Antwerpen, Kluwer, 1988, 279-
  1. Tekst van de beslissing Nr. F.02.000076.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der belastingen te Leuven, wiens kantoor gevestigd is te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1, eiser, tegen
  2. N.A.
  3. V.T.
  4. V.M.
  5. V.F.
  6. V.C. verweerders, in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen W.V. vertegenwoordigd door Mr. Luc Vanheeswijck, advocaat bij de balie te Brussel, kantoor houdende te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 268 en 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (hierna afgekort WIB), zoals die van toepassing waren voor het aanslagjaar
  7. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt vast dat op naam van de rechtsvoorganger van de verweerders op 3 april 1986 een aanslag onder kohierartikel 6709009 voor het aanslagjaar 1985 werd gevestigd en dat tegen die aanslag geen bezwaar werd ingediend en dat op naam van de rechtsvoorganger van de verweerders op 16 december 1987 een aanvullende aanslag onder kohierartikel 750192 voor het aanslagjaar 1985 werd gevestigd en dat tegen die aanslag op 4 februari 1988 bezwaar werd ingediend (het bestreden arrest vermeldt ten onrechte het jaar 1998). Het bestreden arrest stelt ook vast dat de twee aanslagen zijn gestoeld op dezelfde inkomsten, behalve dat in de tweede aanslag het bedrag van het kadastraal inkomen (en dus ook dat van de onroerende voorheffing en het maximum aftrekbaar bedrag der intresten) werd verminderd, dat de 420.000 BEF beroepsinkomsten die in de twee aanslagbiljetten voorkomen, dezelfde zijn namelijk inkomsten die in het buitenland werden verkregen en dat in zijn bezwaar van 4 februari 1998 (lees 1988) gericht tegen de tweede aanslag de rechtsvoorganger van de verweerders de vrijstelling met progressiebehoud van de 420.000 BEF heeft gevraagd en bekomen en dat hij ook in dat bezwaar, ter uitvoering van artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, de uitbreiding ervan heeft gevraagd tot de eerste aanslag, wat de vrijstelling van de 420.000 BEF betreft. Het bestreden arrest oordeelt dat artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen toepasselijk is, nu de aanvullende aanslag waartegen het bezwaarschrift van 4 februari 1998 (lees 1988) is gericht, is gevestigd op een bestanddeel (de bedrijfsinkomsten van 420.000 BEF van buitenlandse oorsprong) waarvan de belastbaarheid in België in het bezwaar wordt betwist, dat de directeur die grief heeft onderzocht en vastgesteld dat de 420.000 BEF van vreemde oorsprong moesten worden vrijgesteld, dat het precies om die reden is dat hij de ontheffing van het bedrag der aanvullende belasting (16.264 BEF) heeft ontheven en dat de oorspronkelijke belasting ook op hetzelfde kwestieus bestanddeel, te weten op de buitenlandse bedrijfsinkomsten van 420.000 BEF werd gevestigd. Luidens artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen geldt bijgevolg het bezwaarschrift van 4 februari 1998 (lees 1988) dat is gericht tegen de aanvullende belasting die is gevestigd op de 420.000 BEF en omdat die belasting op dat bedrag is gevestigd, van ambtswege voor de oorspronkelijke belasting die op datzelfde bedrag is gevestigd. Die beschikking zou zinloos zijn indien zij zou betekenen dat wanneer een bezwaarschrift van ambtswege voor andere belastingen geldt, de directeur het bedrag van die andere belastingen (die bij de berekening van de aanvullende aanslag op die laatste werden aangerekend) nochtans niet zou mogen ontheffen, zodat er geen geldige reden bestaat om de ontheffing tot 16.264 BEF te beperken. Het bestreden arrest beslist derhalve dat het verhaal gericht tegen de aanvullende aanslag overeenkomstig artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen eveneens geldt tegen de oorspronkelijke aanslag en beveelt de ontheffing van de aanslagen in de mate dat de belasting werd gevestigd zonder rekening te houden met de vrijstelling met progressievoorbehoud op het bedrag van 10.411,53 euro (420.000 BEF) inkomsten die in het buitenland werden verkregen. Grieven Artikel 267 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1985 bepaalt dat de belastingplichtige tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar kan indienen bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete werden gevestigd. Artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1985 stelt dat de bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin de belasting is gevestigd, zonder dat de termijn nochtans minder dan zes maanden mag bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning der belastingen op een andere wijze dan per kohier. Volgens artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1985 geldt het bezwaarschrift gericht tegen een belasting die gevestigd is op betwiste bestanddelen van ambtswege voor de andere belastingen gevestigd op dezelfde bestanddelen of als supplement voor de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, zelfs dan wanneer de wettelijke termijnen tot bezwaar tegen die andere belastingen zouden verstreken zijn. Uit die artikelen volgt volgens het arrest van het Hof van 11 mei 1965 (Pas. 1965, deel I, blz. 972) dat de belastingplichtige op wiens naam een supplementaire aanslag is gevestigd de mogelijkheid heeft om, niettegenstaande het feit dat de oorspronkelijke aanslag definitief is geworden, dat wil zeggen wettelijk verschuldigd door het ontbreken van een regelmatig bezwaarschrift in de zin van artikel 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, de werkelijkheid of de juistheid van de bestanddelen van de oorspronkelijke aanslag te betwisten en dit om de grondslag van de supplementaire aanslag vast te stellen zodat door compensatie van de aldus verbeterde gegevens en van die welke tot staving van de aanvullende aanslag zijn aangevoerd, het niet bestaan of het juiste bedrag van een onvoldoende belasting kan worden aangetoond. Het definitief karakter van de oorspronkelijk gevestigde aanslag in de zin van het wettelijk verschuldigd zijn van de gevestigde belasting bij gebreke aan een regelmatig bezwaarschrift belet aldus dat ontheffingen die voortvloeien uit een bezwaarschrift gericht tegen de supplementaire aanslag verder zouden gaan dat het bedrag van de supplementaire aanslag zelf. Door te beslissen dat het bezwaarschrift van 4 februari 1988 van verweerder in cassatie tegen de aanvullende aanslag ambtshalve geldt voor de oorspronkelijk aanslag waarvoor de bezwaartermijn verstreken was en de ontheffing te bevelen van beide aanslagen in de mate dat de belasting werd gevestigd zonder rekening te houden met de vrijstelling met progressievoorbehoud op het bedrag van 10.411,53 euro (420.000 BEF) inkomsten die in het buitenland werden verkregen, raakt het bestreden arrest aan het definitief karakter van de oorspronkelijke aanslag en aldus de artikelen 268 en 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1985 schendt. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), het bezwaarschrift gericht tegen een belasting die gevestigd is op betwiste bestanddelen, van ambtswege geldt voor de andere belastingen gevestigd op dezelfde bestanddelen of als supplement voor de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar zelfs dan wanneer de wettelijke termijnen tot bezwaar tegen die andere belastingen zouden verstreken zijn ; Dat op grond van die bepaling een bezwaarschrift dat door de belastingplichtige tegen een supplementaire aanslag wordt ingediend binnen de perken van de grieven aangevoerd in dit bezwaarschrift, kan worden uitgebreid tot een eerder gevestigde aanslag, waarvan de bezwaartermijn reeds verstreken was, indien beide aanslagen op dezelfde betwiste bestanddelen zijn gesteund ; dat de aanslagen op dezelfde betwiste bestanddelen zijn gesteund indien de supplementaire aanslag werd gevestigd op de bestanddelen die tot grondslag dienden voor de belasting waartegen geen bezwaar werd ingediend ; Overwegende dat indien bij de berekening van een aanslag een materiële fout wordt begaan en het vestigen van een supplementaire aanslag wordt aangewend om de ontoereikendheid van de eerder gevestigde aanslag te verhalen, de supplementaire aanslag gesteund is op dezelfde bestanddelen als de eerder gevestigde aanslag ; Dat het regelmatig ingediende bezwaarschrift tegen de supplementaire aanslag dat werd uitgebreid tot de eerder gevestigde aanslag, van ambtswege geldt voor de reeds ingekohierde belasting, zodat de directeur meer mag ontheffen dan het bedrag van de aanvullende inkohiering ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat : 1. met betrekking tot het aanslagjaar 1985 op 3 april 1986 een aanslag onder artikelnummer 670.90.09 op naam van de rechtsvoorganger van de verweerders werd ingekohierd en dat tegen deze aanslag geen bezwaar werd ingediend ; 2. op 16 december 1987 eveneens op naam van de rechtsvoorganger van de verweerders een aanvullende aanslag werd ingekohierd onder artikelnummer 750.192 voor hetzelfde aanslagjaar ; dat de supplementaire belasting 16.264 BEF bedroeg, gelet enerzijds op de aanrekening van de oorspronkelijke aanslag en anderzijds op de vermindering van de af te trekken onroerende voorheffing ; 3. de rechtsvoorganger van de verweerders in zijn bezwaar van 4 februari 1988 gericht tegen de tweede aanslag de vrijstelling met progressievoorbehoud van de 420.000 BEF bedrijfsinkomsten heeft gevraagd en verkregen, en dat hij ook in dit bezwaar, in uitvoering van artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), de uitbreiding ervan heeft gevraagd tot de eerste aanslag, wat de vrijstelling van de 420.000 BEF betreft ;
  1. in een werknota betreffende het bezwaar gericht tegen de aanvullende aanslag, de directeur aanvaard heeft dat de basisbelasting van 77.331 BEF, die dezelfde is voor de hoofd- en aanvullende aanslag verminderd zou worden ten belope van de belasting die betrekking heeft op de vrijgestelde 420.000 BEF ; dat de directeur in deze werknota van mening was dat de verzoeker recht had op een ontheffing van 90.028 BEF ;
  2. in de beslissing de directeur de ontheffing van het bedrag van 90.028 BEF evenwel heeft beperkt tot het bedrag van de aanvullende belasting, te weten tot 16.264 BEF, omdat naar zijn oordeel artikel 268 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)niet toepasselijk is, reden waarom hij zich niet gerechtigd achtte meer te ontlasten dan het bedrag van de aanvullende inkohiering ; Overwegende dat de appèlrechters, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, oordelen dat de oorspronkelijke belasting op hetzelfde bestanddeel, dit wil zeggen de buitenlandse bedrijfsinkomsten van 420.000 BEF, is gevestigd als de aanvullende aanslag ; Dat zij op grond van die redenen, zonder schending van de in het middel vermelde wetsbepalingen, vermochten te oordelen dat er geen geldige reden bestaat om de ontheffing die het gevolg is van het bezwaarschrift van 4 februari 1988 tot 16.264 BEF te beperken en de ontheffing konden bevelen van de aanslagen in de mate dat de belasting werd gevestigd, zonder rekening te houden met de vrijstelling, met progressievoorbehoud op het bedrag van 420.000 BEF, inkomsten die in het buitenland werden verkregen ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd en zeven euro vijfenzestig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041119.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2020:ARR.20200115.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120921.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170120.5 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211025.3F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.