id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041122.10 Rolnummer: S.04.0090.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-01-26 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-07-04 07:43 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het bestaan van de arbeidsovereenkomst vereist het akkoord van de partijen over de wezenlijke elementen ervan; het loon als tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomsten verrichte arbeid is een dergelijk element
(1)
(2).
(1)Zie Cass., 29 okt. 2001, AR S.01.0084.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011029.7, nr 578.
(2)Het O.M. had geconcludeerd tot cassatie nu de rechtspraak van het Hof zeer duidelijk stelt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst het akkoord vereist van partijen over de wezenlijke elementen ervan en dat de vaststelling van het loon dergelijk element is; aldus houdt dit beginsel in dat noodzakelijkerwijze elementen moeten aanwezig zijn die de vaststelling van het loon mogelijk maken. (Cass, 25 mei 1998, AR S.97.0083.F, nr 270; Cass., 6 maart 2000, AR S.99.0096.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000306.7, nr 154). Het bestreden arrest onderstelt weliswaar dat er een akkoord zou zijn maar dan nog stellen de appèlrechters dit niet vast qua bedrag of andere elementen waaruit zou volgen dat een loonbedrag was overeengekomen. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Wezenlijk element Loon Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt.2en3 Fiche 2 Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, vereist het akkoord van partijen omtrent de betaling van loon niet een uitdrukkelijke aanduiding van de hoegrootheid van het loon; het volstaat dat overeengekomen is dat een loon zal worden betaald en dat het te betalen loon bepaalbaar is
(1)
(2).
(1)Zie Cass., 29 okt. 2001, AR S.01.0084.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011029.7, nr 578.
(2)Het O.M. had geconcludeerd tot cassatie nu de rechtspraak van het Hof zeer duidelijk stelt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst het akkoord vereist van partijen over de wezenlijke elementen ervan en dat de vaststelling van het loon dergelijk element is; aldus houdt dit beginsel in dat noodzakelijkerwijze elementen moeten aanwezig zijn die de vaststelling van het loon mogelijk maken. (Cass, 25 mei 1998, AR S.97.0083.F, nr 270; Cass., 6 maart 2000, AR S.99.0096.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000306.7, nr 154). Het bestreden arrest onderstelt weliswaar dat er een akkoord zou zijn maar dan nog stellen de appèlrechters dit niet vast qua bedrag of andere elementen waaruit zou volgen dat een loonbedrag was overeengekomen. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Wezenlijk element Loon Hoegrootheid Vereisten Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt.2en3 Fiche 3 Zelfs bij ontstentenis van enige aanduiding omtrent de hoegrootheid van het te betalen loon is de hoegrootheid van het loon bepaalbaar, vermits in de regel minstens het wettelijk verschuldigd baremaloon of minimumloon geregeld door collectieve arbeidsovereenkomsten van het nationaal paritair comité als overeengekomen loon dient beschouwd te worden; die wettelijke regeling qua loon dient voor het bestaan van de arbeidsovereenkomst niet in de arbeidsovereenkomst te worden bedongen
(1).
(1)Het O.M. had geconcludeerd tot cassatie nu de rechtspraak van het Hof zeer duidelijk stelt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst het akkoord vereist van partijen over de wezenlijke elementen ervan en dat de vaststelling van het loon dergelijk element is; aldus houdt dit beginsel in dat noodzakelijkerwijze elementen moeten aanwezig zijn die de vaststelling van het loon mogelijk maken. (Cass, 25 mei 1998, AR S.97.0083.F, nr 270; Cass., 6 maart 2000, AR S.99.0096.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000306.7, nr 154). Het bestreden arrest onderstelt weliswaar dat er een akkoord zou zijn maar dan nog stellen de appèlrechters dit niet vast qua bedrag of andere elementen waaruit zou volgen dat een loonbedrag was overeengekomen. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Wezenlijk element Loon Hoegrootheid Geen aanduiding Bepaalbaar loon Wettelijk gewaarborgd loon Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt.2en3 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0090.N.- KBC VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, verzekeringsmaat-schappij, met vennootschapszetel gevestigd te 3000 Leuven, Waaistraat 6, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, erkende ziekteverzekeringsinstelling, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 december 2002 gewezen door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; - de artikelen 1, 1°, en 7, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in samenhang met artikel 1, ,§ 1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en met de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ; - artikel 136, ,§ 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
- Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van verweerder, het hoger beroep van verweerder ontvankelijk en gegrond, vernietigt het het vonnis van de eerste rechter en veroordeelt het, opnieuw wijzende, eiseres om aan verweerder 7.028,20 euro te betalen, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interest en tot de kosten van beide instanties en dit op grond van de volgende motieven : "Uit het geheel van de neergelegde stukken blijkt in elk geval dat J. R. geholpen heeft bij het plaatsen van trappen bij K. D. en dat het van meet af aan de bedoeling was van partijen om dit onder de vorm van een arbeidsovereenkomst uit te voeren. Dit wordt overigens bevestigd door de kantoordirectie van de Hulp der Patroons te Oostende, die meedeelt dat K. D. vanaf 1 april 1996 bij dit sociaal secretariaat aangesloten was en het nodige heeft gedaan om een schriftelijke arbeidsovereenkomst af te sluiten vanaf 1 april 1996, overhandigd op 4 april 1996 (zie verklaring afgelegd op 26 september 1997 aan het F.A.O. -stuk 3 dossier (verweerder)). Het was ook de bedoeling van K.D. om aan J.R. gedurende vier avonden per week werk te verschaffen. Het was duidelijk K. D. die zou bepalen wat, wanneer en hoeveel er zou gepresteerd worden en met welk bedrag er zou vergoed worden. Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is het niet noodzakelijk dat de exacte uren afgesproken zijn, noch hoeft de hoegrootheid van het loon bepaald te zijn, op voorwaarde dat uit de gegevens van het dossier kan afgeleid worden dat er wel degelijk gezag kon uitgeoefend worden door de werkgever en dat de prestaties met een loon vergoed worden. Kortom, na nauwkeurige analyse van deze casus is het arbeidshof van oordeel dat kan aanvaard worden dat J.R., in de concrete situatie waarin hij prestaties leverde, met goedkeuring en onder gezag van K. D., in het kader van een arbeidsovereenkomst was tewerkgesteld". Het arbeidshof beslist dat dientengevolge de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing is op het ongeval dat op 3 april 1996 aan J. R. overkwam, dat het ongeval een arbeidsongeval is en dat verweerder wettelijk gesubrogeerd is in de rechten van zijn verzekerde met toepassing van artikel 136, ,§ 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
- Grieven Eerste onderdeel Artikel 1, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt dat die wet van toepassing is op alle personen die als werkgever, werknemer of daarmee gelijkgestelde, geheel of gedeeltelijk vallen onder de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Artikel 1, ,§ 1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt dat die wet van toepassing is op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. De artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten houden onder meer in dat een arbeidsovereenkomst een overeenkomst is waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon, onder gezag van een werkgever arbeid te verrichten. Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst vergen die artikelen het akkoord van de partijen over de wezenlijke elementen ervan. Een van die wezenlijke elementen is de vaststelling van het loon dat de werkgever moet betalen. Indien er geen akkoord is over het loon dat de werkgever moet betalen, kan niet tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst besloten worden. Het arbeidshof miskent de essentiële voorwaarde voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst dat het loon overeengekomen is, door te oordelen dat het voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet noodzakelijk is dat de hoegrootheid van het loon bepaald is. Het arbeidshof oordeelt bijgevolg niet wettig dat, ondanks de vaststelling dat het K.D. was die zou bepalen met welk bedrag de prestaties van J.R. zou vergoed worden, J.R. verbonden was door een arbeidsovereenkomst met K.D.. Ook de daaruit door het arbeidshof getrokken besluiten dat J.R. valt onder de toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, en het hem op 3 april 1996 overkomene derhalve een arbeidsongeval is, zodat verweerder wettelijk gesubrogeerd is in de rechten van zijn verzekerde met toepassing van artikel 136, ,§ 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zijn bijgevolg onwettig. Het arbeidshof steunt zijn beslissing tot gegrondverklaring van de vordering van verweerder niet wettig op het oordeel dat J.R. viel onder de toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 doordat hij verbonden was door een arbeidsovereenkomst met K.D. (schending van de artikelen 1, 1°, en 7, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in samenhang met artikel 1, ,§ 1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en met artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van artikel 136, ,§ 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994). Tweede onderdeel Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 bepaalt dat hoven en rechtbanken hun beslissingen met redenen omkleden, wat onder meer inhoudt dat zij hun beslissingen dienen te motiveren zonder dubbelzinnigheid. Minstens laten de overwegingen van de bestreden beslissing niet toe uit te maken of het arbeidshof zijn beslissing al dan niet steunt op het oordeel dat het voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet noodzakelijk is dat de hoegrootheid van het loon bepaald is. De motieven van het arbeidshof zijn bijgevolg minstens dubbelzinnig en maken daardoor het wettigheidstoezicht van uw Hof onmogelijk, aangezien minstens niet duidelijk is of het arbeidshof zijn beslissing steunt op het oordeel dat het voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet noodzakelijk is dat de hoegrootheid van het loon bepaald is, in welk geval de beslissing onwettig is (zoals blijkt uit het eerste onderdeel), dan wel of het arbeidshof zijn beslissing niet steunt op het oordeel dat het voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet noodzakelijk is dat de hoegrootheid van het loon bepaald is, in welk geval de beslissing niet onwettig is. Minstens is de bestreden beslissing gebrekkig, want dubbelzinnig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat de arbeidsovereenkomst overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 de overeenkomst is waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon en onder het gezag van de werkgever arbeid te verrichten ; Dat het bestaan van de arbeidsovereenkomst het akkoord van de partijen over de wezenlijke bestanddelen ervan vereist ; dat het loon als tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, een dergelijk element is ; Overwegende dat evenwel, voor het bestaan van een arbeidsovereen-komst, het akkoord omtrent de betaling van loon niet een uitdrukkelijke aanduiding van de hoegrootheid van het loon vereist ; dat het volstaat dat overeengekomen is dat een loon zal worden betaald en dat het te betalen loon bepaalbaar is ; Dat, zelfs bij ontstentenis van enige aanduiding omtrent de hoegrootheid van het te betalen loon, de hoegrootheid van het loon bepaalbaar is vermits in de regel minstens het verschuldigde baremaloon of minimumloon als overeengekomen loon dient te worden beschouwd ; Dat de betaling van het gewaarborgd baremaloon of minimumloon voor werknemers wettelijke geregeld is door collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in elk van de bevoegde paritaire comités afzonderlijk en in de arbeidsovereenkomsten van het Nationaal Paritair Comité nr. 43 van 2 mei 1988, houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen, van toepassing op werknemers van 21 jaar of ouder, nr. 50 van 29 oktober 1991 betreffende de waarborg van de gemiddeld minimum maandinkomen voor werknemers onder de 21 jaar, en in artikel 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad nr. 35 van 27 februari 1981 betreffende sommige bepalingen van het arbeidsrecht ten aanzien van de deeltijdse arbeid ; Overwegende dat die wettelijke regeling qua loon voor het bestaan van de arbeidsovereenkomst niet in de arbeidsovereenkomst dient te worden bedongen of gewaarborgd ; Dat dienvolgens, wanneer de rechter vaststelt dat een partij arbeid heeft verricht onder het gezag van de andere partij en mits betaling van loon, waarvan de hoegrootheid door de partijen niet is aangeduid, de rechter tot een akkoord over het loonelement en tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst vermag te besluiten ; Dat het onderdeel faalt naar recht ;
- Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest de in het onderdeel bedoelde dubbelzinnigheid in de motivering niet bevat ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd en zeven euro eenennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van tachtig euro negentig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig november tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041122.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000306.7 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011029.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div