id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041122.9 Rolnummer: S.04.0077.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2005-01-26 Raadplegingen: 559 - laatst gezien 2026-07-04 12:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Er is geen wettelijke bepaling die stelt dat voor de toepassing van art. 51, ,§ 1, derde lid, 1°, Werkloosheidsbesluit met het uitoefenen van een dienstbetrekking gelijkgesteld kan worden het aantal dagen dat men een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen
(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de verwerping van de voorziening. Met betrekking tot het eerste onderdeel was het van oordeel dat niettegenstaande het feit dat artikel 51 Werkloosheidsbesluit valt onder de "Toekenningsvoorwaarden" (hoofdstuk III, Werkloosheidsbesluit), het betwiste punt 1° van art. 51, ,§ 1, derde lid, in se specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden inhoudt: er wordt namelijk een wachttijd opgelegd, een aantal arbeidsdagen moeten bewezen worden binnen een bepaalde referteperiode. Hieruit leidde het O.M. af dat terzake de in Hoofdstuk II van het werkloosheidsbesluit bepaalde "Toelaatbaarheidsvoorwaarden" tot het recht op uitkeringen toepassing vinden en derhalve artikel 38 Werkloosheidsbesluit dat onder meer de dagen die aanleiding geven tot een betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen gelijkstelt met arbeidsdagen, ook geldt voor de toepassing van art. 51, ,§ 1, derde lid, punt 1°, Werkloosheidsbesluit. Het O.M. merkte trouwens op dat hoewel artikel 51 Werkloosheidsbesluit kadert in de "toekenningsvoorwaarden", de wetgever verwijst naar artikel 30, derde lid, punten 1° en 3° van de in het Hoofdstuk II bepaalde "Toelaatbaarheidsvoorwaarden" die de betrokkene ook toelaat onder bepaalde voorwaarden niet uitgesloten te worden bij werkverlating en ontslag. Aldus concludeerde het O.M. dat zo het Werkloosheidsbesluit een onderscheid maakt tussen de "Toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden" de toepassing van de ene voorwaarde de andere niet uitsluit. Wat het tweede onderdeel betreft, concludeerde het O.M. dat "werkverhindering wegens overmacht" kan worden ingeroepen overeenkomstig artikel 30, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit en deze werkverhindering de verhindering is om te werken in het algemeen (Cass., 18 sept. 2000, AR S.00.0016.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000918.3, nr 476). Volgens het O.M. heeft een tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid tot gevolg dat het de werknemer onmogelijk is om te werken en deze toestand in de betrokken periode een toestand van overmacht uitmaakt. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - GERECHTIGDE Vrije woorden: WERKLOOSHEID - GERECHTIGDE Toekenningsvoorwaarden Uitsluiting Beperking Uitoefenen van nieuwe dienstbetrekking gedurende 4 weken "Uitoefenen" Begrip Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - Artt.38,§1,1 Vrije woorden: WERKLOOSHEID - GERECHTIGDE Toekenningsvoorwaarden Uitsluiting Beperking Uitoefenen van nieuwe dienstbetrekking gedurende 4 weken Arbeidsprestaties Arbeids- en gelijkgestelde dagen Berekening Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - Artt.38,§1,1 Fiche 3 Uit de omstandigheid dat een werknemer tijdelijk arbeidsongeschikt was, kan niet worden afgeleid dat hij zich in een situatie van overmacht bevond met betrekking tot de in artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit vereiste uitoefening van een nieuwe dienstbetrekking gedurende ten minste vier weken, voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag
(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de verwerping van de voorziening. Met betrekking tot het eerste onderdeel was het van oordeel dat niettegenstaande het feit dat artikel 51 Werkloosheidsbesluit valt onder de "Toekenningsvoorwaarden" (hoofdstuk III, Werkloosheidsbesluit), het betwiste punt 1° van art. 51, ,§ 1, derde lid, in se specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden inhoudt: er wordt namelijk een wachttijd opgelegd, een aantal arbeidsdagen moeten bewezen worden binnen een bepaalde referteperiode. Hieruit leidde het O.M. af dat terzake de in Hoofdstuk II van het werkloosheidsbesluit bepaalde "Toelaatbaarheidsvoorwaarden" tot het recht op uitkeringen toepassing vinden en derhalve artikel 38 Werkloosheidsbesluit dat onder meer de dagen die aanleiding geven tot een betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen gelijkstelt met arbeidsdagen, ook geldt voor de toepassing van art. 51, ,§ 1, derde lid, punt 1°, Werkloosheidsbesluit. Het O.M. merkte trouwens op dat hoewel artikel 51 Werkloosheidsbesluit kadert in de "toekenningsvoorwaarden", de wetgever verwijst naar artikel 30, derde lid, punten 1° en 3° van de in het Hoofdstuk II bepaalde "Toelaatbaarheidsvoorwaarden" die de betrokkene ook toelaat onder bepaalde voorwaarden niet uitgesloten te worden bij werkverlating en ontslag. Aldus concludeerde het O.M. dat zo het Werkloosheidsbesluit een onderscheid maakt tussen de "Toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden" de toepassing van de ene voorwaarde de andere niet uitsluit. Wat het tweede onderdeel betreft, concludeerde het O.M. dat "werkverhindering wegens overmacht" kan worden ingeroepen overeenkomstig artikel 30, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit en deze werkverhindering de verhindering is om te werken in het algemeen (Cass., 18 sept. 2000, AR S.00.0016.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000918.3, nr 476). Volgens het O.M. heeft een tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid tot gevolg dat het de werknemer onmogelijk is om te werken en deze toestand in de betrokken periode een toestand van overmacht uitmaakt. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - GERECHTIGDE Vrije woorden: WERKLOOSHEID - GERECHTIGDE Toekenningsvoorwaarden Uitsluiting Beperking Uitoefenen van nieuwe dienstbetrekking gedurende 4 weken Arbeidsprestaties Berekening Arbeidsongeschiktheid Overmacht Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - Art.51,§1,de Tekst van de beslissing Nr. S.04.0077.N.- RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen Y. T., verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 december 2003 gewezen dor het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1147, 1148 en 1302 van het Burgerlijk Wetboek en het wettelijk begrip "overmacht", zoals dat inzake verbintenissen een wettelijke grondslag heeft in bovenvermelde artikelen 1147, 1148 en 1302 ; - de artikelen 26, eerste lid en 31, ,§ 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (voor zoveel als nodig) ; - de artikelen 38, ,§ 1, 44, 51, in het bijzonder ,§ 1, eerste en tweede lid, 1°, eerste en derde lid, 1°, en 52bis, ,§ 1, 1°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (genoemde artikelen 51 en 52bis zoals van toepassing vóór vervanging bij koninklijk besluit van 29 juni 2000, B.S., 3 juli 2000, inwerkingtreding : 1 augustus 2000 ; hierna afgekort : het Werkloosheidsbesluit). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen dat de administratieve beslissing van eiser, bij monde van zijn directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen, had vernietigd waar deze verweerster had uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen wegens werkverlating, en zulks op grond van de hiernavolgende overwegingen : "(Eiser) betwist dat de dagen van arbeidsongeschiktheid mee in aanmerking mogen worden genomen ten einde de periode van ten minste 4 weken van nieuwe dienstbetrekking te berekenen: het zou om 4 weken effectieve tewerkstelling moeten gaan. Het (arbeids)hof deelt deze mening niet. Vooreerst vereist bovengeciteerd wetsartikel deze voorwaarde niet. Dat gelijkgestelde dagen niet zouden mogen meegeteld worden wordt ook niet uitgesloten. Artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, dient te worden samen gelezen met artikel 38 van het Werkloosheidsbesluit, dat begrepen is onder Hoofdstuk II, Toelaatbaarheidsvereisten. Dit artikel bepaalt in zijn eerste paragraaf dat met arbeidsdagen worden gelijkgesteld : de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten, de werkloosheidsverzekering, de jaarlijkse vakantie en het invaliditeitspensioen voor mijnwerkers. In fine schrijft deze paragraaf voor : 'De met arbeidsdagen gelijkstelde dagen worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan'. (Verweerster) werd het slachtoffer van een arbeidsongeval op 26 november 1999 terwijl zij in dienst was van Fortis AG N.V. Zij was volledig tijdelijk arbeidsongeschikt ingevolge dit arbeidsongeval van 26 november tot 10 december
- Niet betwist wordt dat zij gewaarborgd weekloon genoot van 26 tot 28 november 1999 en aansluitend arbeidsongevallenuitkeringen ontving. Aangenomen kan worden dat (verweerster) zich bovendien in een toestand van overmacht bevond. Het arbeidsongeval, waarvan zij slachtoffer werd, dient te worden beschouwd als een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die zij niet heeft kunnen voorzien, noch voorkomen. De ongeschiktheidsdagen ingevolge arbeidsongeval dienen derhalve in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de bij artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit voorgeschreven vier weken dienstbetrekking. Aangezien (verweerster) alzo minstens vier weken van nieuwe tewerkstelling totaliseerde, kon zij niet worden uitgesloten overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 51 en 52bis van het Werkloosheidsbesluit". Grieven Eerste onderdeel Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn (artikel 44 Werkloosheidsbesluit). Onder "Werkloosheid wegens omstandig-heden afhankelijk van de wil van de werknemer" wordt, onder meer, verstaan : het verlaten van een passende dienstbetrekking (artikel 51, ,§ 1, eerste en tweede lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit). De werknemer die werkloos is of wordt wegens werkverlating kan uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig artikel 52bis, ,§ 1, 1°, van het Werkloosheids--besluit. De bepalingen inzake werkverlating en ontslag zijn (onder meer) niet van toepassing : wanneer de werknemer vóór zijn uitkeringsaanvraag een nieuwe dienstbetrekking heeft uitgeoefend gedurende ten minste vier weken (artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit). Aangezien deze bepaling een uitzondering uitmaakt op de regel inzake werkverlating, dient het begrip "uitoefenen" strikt geïnterpreteerd te worden, in die zin dat men vier weken effectieve arbeidsprestaties dient te hebben geleverd. Er is geen wettelijke bepaling die stelt dat voor de toepassing van dit artikel 51 met het uitoefenen van een dienstbetrekking gelijkgesteld kan worden, het aantal dagen dat men een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen. Artikel 38 van het Werkloosheidsbesluit dat bepaalt dat "voor de toepassing van de artikelen 30 tot 36 (...) met arbeidsdagen worden gelijkgesteld : 1° de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten, ..." is niet van toepassing op de hypothese van artikel 51, omdat de wetgever uitdrukkelijk heeft voorzien dat dit artikel 38 slechts geldt "voor de toepassing van de artikelen 30 tot 36 (van het Werkloosheidsbesluit)" en deze bepaling bovendien kadert in de toelaatbaarheidsvoorwaarden tot het recht op uitkeringen (hoofdstuk II, Werkloosheidsbesluit), daar waar artikel 51 valt onder de toekenningsvoorwaarden (hoofdstuk III, Werkloosheidsbesluit). Het bestreden arrest, dat oordeelt dat de dagen waarvoor verweerster gewaarborgd weekloon en aansluitend arbeidsongevaluitkeringen ontving, in aanmerking kunnen genomen worden voor de berekening van de bij artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit voorgeschreven vier weken dienstbetrekking, op grond van de overwegingen dat deze bepaling geen effectieve uitoefening van de arbeidsovereenkomst vereist, dat niet wordt uitgesloten dat gelijkgestelde dagen zouden mogen meegeteld worden en dat dagen van arbeidsongeschiktheid krachtens artikel 38 van het Werkloosheidsbesluit ook voor de toepassing van genoemd artikel 51 gelijkgesteld moeten worden met dagen van uitoefening van een nieuwe arbeidsbetrekking, verantwoordt bijgevolg zijn beslissing tot vernietiging van de door eiser aan verweerster opgelegde uitsluiting wegens werkverlating niet naar recht (schending van alle in het middel aangewezen bepalingen van het Werkloosheidsbesluit). Tweede onderdeel Het arrest verantwoordt zijn beslissing om de ongeschiktheidsdagen eveneens in aanmerking te nemen voor het bepalen van de vier weken van nieuwe tewerkstelling, tevens op grond van de overweging dat verweerster zich in een toestand van overmacht bevond omdat "(het) arbeidsongeval, waarvan zij slachtoffer werd, dient te worden beschouwd als een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die zij niet heeft kunnen voorzien, noch voorkomen" De notie "overmacht", die weliswaar niet gedefinieerd werd bij het Werkloosheidsbesluit, is niettemin een wettelijk begrip dat enkel kan worden afgeleid uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen. Een arbeidsongeval, waardoor de werknemer tijdelijk arbeidsongeschikt is, maakt weliswaar een grond tot schorsing van de arbeidsovereenkomst uit overeenkomstig de artikelen 26, eerste lid, en 31, ,§ 1, van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereen-komsten, doch kan niet worden beschouwd als "overmacht", daar deze omstandigheid niet van aard is het leveren van arbeid definitief en onoverkomelijk onmogelijk te maken. Door aldus uit een periode van tijdelijke schorsing van uitvoering van de arbeidsovereenkomst ingevolge arbeidsongeschiktheid af te leiden dat verweerster zich in een situatie van overmacht bevond om haar nieuwe dienstbetrekking uit te oefenen gedurende ten minste vier weken voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag, schendt het arrest het wettelijk begrip "overmacht" en de artikelen 1147, 1148 en 1302 van het Burgerlijk Wetboek die de grondslag van dit begrip vormen evenals, voor zoveel als nodig, de artikelen 26, eerste lid, en 31, ,§ 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Door op deze onwettige grond te oordelen dat de bepalingen inzake werkverlating geen toepassing konden vinden en de beslissing van eiser op dit punt te vernietigen, schendt het arrest eveneens alle in het middel aangeduide bepalingen van het Werkloosheidsbesluit inzake de uitsluiting van het recht op uitkeringen wegens werkverlating. IV. Beslissing van het Hof
- Middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991, de bepalingen inzake werkverlating en ontslag niet van toepassing zijn wanneer de werknemer vóór zijn uitkeringsaanvraag een nieuwe dienstbetrekking heeft uitgeoefend gedurende ten minste vier weken ; Overwegende dat, krachtens artikel 38, ,§ 1, 1°, a), van het Werkloos-heidsbesluit, voor de toepassing van de artikelen 30 tot 36 met arbeidsdagen worden gelijkgesteld, de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten, de werkloosheidsverzekering en de invaliditeitspensioenen voor mijnwerkers ; Dat de gelijkstelling van de dagen van arbeidsongeschiktheid waarin artikel 38 voorziet, uitdrukkelijk beperkt is tot de toepassing van de artikelen 30 tot 36 van het Werkloosheidsbesluit ; dat deze gelijkstelling derhalve niet geldt ten aanzien van de uitoefening van een nieuwe dienstbetrekking bedoeld in artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit ; Dat er geen wettelijke bepaling is die voor de toepassing van artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit stelt dat de dagen van arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld worden met het uitoefenen van een dienstbetrekking ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat : - verweerster uit eigen initiatief haar passende dienstbetrekking beëindigde op 4 november 1999 ; - verweerster opnieuw tewerkgesteld was van 4 tot 10 november 1999 en van 16 tot 26 november 1999, en vervolgens tot 10 december 1999 volledig arbeidsongeschikt was wegens een arbeidsongeval ; - verweerster op 13 december 1999 een werkloosheidsuitkering aanvroeg ; Dat het arrest beslist dat de ongeschiktheidsdagen ingevolge arbeidsongeval dienen in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de bij artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit voorgeschreven vier weken dienstbetrekking, op grond dat deze bepaling geen effectieve tewerkstelling vereist, dat niet wordt uitgesloten dat gelijkgestelde dagen zouden mogen worden meegeteld en dat artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, dient te worden samen gelezen met artikel 38 van het Werkloosheidsbesluit, dat in een gelijkstelling voorziet van de dagen van arbeidsongeschiktheid met arbeidsdagen ; Dat het arrest aldus de in het middel aangewezen bepalingen van het Werkloosheidsbesluit schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat overmacht enkel kan voortvloeien uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die men niet heeft kunnen voorzien of voorkomen, en die leidt tot een volstrekte onmogelijkheid van nakoming ; Dat een tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft dat het voor de werknemer, in de betrokken periode, onmogelijk is om te werken, doch niet belet dat de werknemer, na de betrokken periode, opnieuw arbeid verricht ; Dat een tijdelijke arbeidsongeschiktheid derhalve geen omstandigheid is die het voor de werknemer definitief en onoverkomelijk onmogelijk maakt om, vooraleer hij een uitkering aanvraagt, een nieuwe dienstbetrekking uit te oefenen gedurende ten minste vier weken ; Dat dienvolgens, uit de omstandigheid dat een werknemer tijdelijk arbeidsongeschikt was, niet kan worden afgeleid dat hij zich in een situatie van overmacht bevond met betrekking tot de in artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit vereiste uitoefening van een nieuwe dienstbetrekking gedurende ten minste vier weken, voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat verweerster van 26 november tot 10 december 1999 tijdelijk volledig arbeidsongeschikt was ingevolge een arbeidsongeval en oordeelt dat verweerster zich, ingevolge dit arbeidsongeval, in een toestand van overmacht bevond ; Dat het arrest, door op deze grond te beslissen dat de ongeschiktheidsdagen ingevolge arbeidsongeval in aanmerking dienen te worden genomen voor de berekening van de bij artikel 51, ,§ 1, derde lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit voorgeschreven vier weken dienstbetrekking, deze wettelijke bepaling schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ;
- Kosten Overwegende dat, gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de kosten ten laste zijn van eiser ; OM DIE REDENEN HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Veroordeelt eiser in de kosten ; Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van honderd zevenenvijftig euro zesennegentig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig november tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041122.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051222.9 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220404.3F.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220404.3N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000918.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div